Van de redactie buitenland
Bij het uitzetten van het nieuwe beleid voor de Kosovo-oorlog speelde een klein dorp een grote rol: Racak. Er werd verteld, dat hier, in een door Albanezen
bewoonde plaats, Servische veiligheidsmensen op 15 januari 1999 doodgemoedereerd ongewapende burgers hebben geëxecuteerd. In januari 1999 stierven in Racak meer dan 40 Albanezen. Geheime rapporten spreken de stelling van een doelbewuste executie tegen.
Naast veel politici van de NAVO werd dit ook beweerd door VS-president Bill Clinton. Werden in de NAVO-staten in de lente van 1999 in het openbaar halve en onbewezen waarheden gedebiteerd om toestemming voor militair ingrijpen van de NAVO in het Kosovo-conflict veilig te stellen? De 'Berliner Zeitung' kreeg inzage in tot nog toe geheime documenten, die twijfel doen rijzen over de gangbare versie van de gebeurtenissen.
Wat gebeurde er in januari 1999? Laten we de akte van beschuldiging van het Haagse Tribunaal voor oorlogsmisdaden in Joegoslavië aan het woord: "Op 15 januari 1999 werd het dorp Racak (gemeente Stimlje/Shtime) heel vroeg in de morgen door veiligheidsmensen van Joegoslavië en Servië aangevallen. Na een bombardement door het Joegoslavische leger trok Servische politie later op de dag het dorp in en begon de huizen te doorzoeken. In het hele dorp werd er geschoten op dorpsbewoners, die probeerden te vluchten. Een groep van 25 mannen probeerde zich in een gebouw te verstoppen, maar ze werden ontdekt door de Servische politie.
Ze werden geslagen en daarna naar een naburige heuvel gedreven, waar ze door politiemensen werden doodgeschoten. In totaal heeft het leger van Joegoslavië en Servië ongeveer 45 Albanezen gedood in Racak en omgeving." De Haagse akte van beschuldiging bestempelt dit als "moord op Kosovo-Albanese burgers."
Deze voorstelling van zaken komt overeen met de verklaringen van William Walker, VS-Amerikaan, toentertijd leider van de OVSE in Kosovo. De dag na het drama in Racak bezocht hij het dorp. Hij had zijn oordeel meteen klaar: In eerste instantie zag hij lijken van meer dan 20, meest oudere, mannen, zei hij, die "kennelijk geëxecuteerd waren, daar waar ze lagen." Later hebben ze de anderen gevonden, volgens hem. Een 'speciaal rapport' van de OVSE-zending, dat onder leiding van Walker de dag erop werd samengesteld, geeft het aldus weer: Er zijn bewijzen gevonden van "willekeurige arrestaties, doden en verminken van ongewapende burgers."
Het rapport geeft een gedetailleerde lijst: 23 volwassen mannen in een holle weg boven Racak, "velen van zeer nabij neergeschoten", dan nog vier volwassen mannen, die zo te zien op de vlucht zijn doodgeschoten, alsook 18 lijken in het dorp zelf. Daaronder waren ook een vrouw en een jongetje. De foto's van de lijken veroorzaken in de hele wereld ontzetting en verontwaardiging. Een 'bezielende gebeurtenis' wordt het genoemd door Madeleine Albright, VS-minister van Buitenlandse Zaken. Drie dagen later eist zij als 'straf' het bombardement op Joegoslavië. In een brief aan Milosevic, president van Joegoslavië, schrijft Joschka Fischer, minister van Buitenlandse Zaken van Duitsland, op 20 januari, dat welke beschuldiging van Belgrado dan ook "in geen enkel geval een excuus kan zijn voor het terechtstellen van 45 ongewapende mensen, waaronder vrouwen en kinderen, door de veiligheidsmensen." Later zal Fischer zeggen: Racak "was voor mij het keerpunt."
Ontkenning uit Belgrado
De Joegoslavische regering bestrijdt deze verwijten fel. Belgrado spreekt over een politie-actie tegen terroristen van het UCK. De gedode mensen werden op 15 januari 's avonds door het UCK bij elkaar gelegd en als burgerslachtoffers gepresenteerd.
Op 22 januari begint een Fins team van pathologen-anatomen met de sectie op de doden, die overgebracht zijn naar de hoofdstad van Kosovo. Een week later is het klaar met het onderzoek. De wereld wacht op het resultaat. Maar het team onder leiding van Dr. Helena Ranta neemt voorlopig alle tijd voor de evaluatie.
Intussen groeit het Kosovo-conflict. In Rambouillet bij Parijs onderhandelen westerse mogendheden, Rusland, Serviërs en Kosovo-Albanezen nog over een vreedzame oplossing voor de strubbelingen.
De gesprekken in Rambouillet zijn in een beslissende fase, als Ranta, leidster van het team, in Pristina een verwarde persconferentie houdt. In plaats van het overleggen van een onderzoeksresultaat, geeft ze "commentaren", die haar "persoonlijke mening" weergeven. Op deze dag, 17 maart 1999, vermoedt niemand, dat mevrouw Ranta door de politiek is gedwongen, nu in het openbaar te treden. Op dat moment zijn haar analyses nog niet klaar en ze bevatten ook geen duidelijke uitslag.
In dubbelzinnige, moeilijke zinnen probeert mevrouw Ranta zich uit de zaak terug te trekken. Ze wil niet spreken van een "bloedbad", daarom noemt ze het drama een "schending van de mensenrechten". Ze zegt, dat er bij de slachtoffers geen munitie en geen uniformen werden aangetroffen, maar dat velen meerdere dikke truien over elkaar heen aan hadden. Ze legt uitgebreid uit, dat er geen kruitsporen zijn gevonden, zonder precies te zeggen, hoe ze daarnaar gezocht hebben. Ze heeft scherpe kritiek op het niet in veiligheid brengen van de lijken en het bewijsmateriaal door de OVSE en ze wijst op de lange periode tussen dood en onderzoek. Beide feiten maken ondubbelzinnige uitspraken moeilijk.
Toch zien de meeste waarnemers de verklaringen van Helena Ranta als een bevestiging van de beweringen betreffende een executie. Belangrijke politici willen er niet meer aan twijfelen. VS-president Clinton heeft het erover, dat "onschuldige mannen, vrouwen en kinderen" uit hun huizen werden verdreven, dat ze gedwongen werden "in de modder te knielen en neergesabeld te worden." In "International Herald Tribune" schrijven bovendien anonieme vertegenwoordigers van westerse regeringen, dat de meest vreselijke details uit het Finse rapport nog helemaal niet openbaar zijn gemaakt. Een week later begint de oorlog, de rapporten blijven geheim.
Vragen aan mevrouw Ranta
Nu kreeg de "Berliner Zeitung" de kans kopieën van de sectiedocumenten in te kijken. Resultaat: Alle rapporten bevatten geen bewijs voor een scenario van executie. Bij één enkel slachtoffer hebben de Finse pathologen-anatomen en hun Joegoslavische en Wit-Russische collega's sporen ontdekt, die op een schot uit "relatieve nabijheid" zouden kunnen wijzen. In de andere gevallen was het resultaat negatief.
Ook het zogenaamd ontbreken van sporen van rook aan de handen is niet vastgelegd. Zo is er geen bewijs, dat het bij de slachtoffers om burgers gaat. Wij vroegen mevrouw Ranta waarom dat niet zo is. Na even nadenken legde ze het raadsel aan ons uit: Het Finse team had er helemaal niet naar gezocht. Bij de tests waarover op de persconferentie van 17 maart 1999 gesproken werd, ging het vooral om het zoeken naar sporen van executie door gerichte schoten of schoten van vlakbij. Deze tests waren negatief. "Dat kwam in de persconferentie niet geheel duidelijk naar voren," bevestigde mevrouw Ranta. Inderdaad. Maar juist dit 'misverstand' raakt aan de essentie van het geval Racak. Waren de doden daadwerkelijk allen ongewapende vreedzame dorpsbewoners? Of gaat het toch bij een deel van de mensen om Albanese UCK-strijders? Was er sprake van een executie of van een gevecht? In alle officiële stukken van de OVSE, van het Haagse Tribunaal of de EU wordt de tweede optie geheel weggelaten.
Tegen beter weten in. Al op 16 januari 1999 's morgens deelt het UCK in een eerste communiqué mee, dat er bij gevechten rond Racak acht van hun strijders zijn gesneuveld. De namen van deze mannen komen niet voor op de lijst van het Haagse Tribunaal. Wat ook bevreemding wekt: Ook op 16 januari noemt het UCK 22 namen van mensen, die in Racak geëxecuteerd zijn. Elf van hen echter komen er maar voor op de dodenlijst van het Tribunaal. Alleen het getal 22 komt ongeveer overeen met het aantal doden op de heuvel buiten Racak. Hoeveel doden waren er nu echt? "De waarheid is," zegt de Franse journalist Renaud Girard, "dat Racak een versterkt dorp was met een heleboel loopgraven." Daarover valt in het 'special report' van de OVSE geen woord te lezen. Girard was op 16 januari 1999 ijlings naar de plek van het drama getogen en maakte Walker, chef van de OVSE-missie mee in actie. "Walker is een prof, wat betreft bloedbaden," zegt Girard. "Iedere beroeps weet, wat hij in zulke gevallen moet doen: Hij sluit het terrein af, zodat de bewijzen in veiligheid gebracht kunnen worden. Walker deed niets van dit alles. Hij stampte er zelf ook in het rond en liet de journalisten aan de lijken frutselen, souvenirs vergaren en sporen uitwissen." Girard stuurde aan zijn krant "Le Figaro" in eerste instantie een bericht over bloedbaden, zoals al zijn collega's. Maar toen ging hij nadenken: "Ik had het gevoel, dat er iets niet klopte."
Twijfel bij journalisten
Een collega van "Le Monde" bracht hem nog meer aan het twijfelen. Christophe Chatelet was de dag ervoor - voor de dag van het zogenaamde bloedbad - in Racak geweest. Samen met vertegenwoordigers van de OVSE kwam hij in het dorp aan, laat in de middag, toen de Serviërs zich hadden teruggetrokken. De buitenlanders ontdekten vier gewonden en hoorden dat er sprake zou zijn van een dode. Toen het donker werd, ging Chatelet terug naar Pristina. In Racak was niets bijzonders voorgevallen, vertelde hij aan zijn collega's. De volgende dag, toen Walker met een grote troep perslui naar Racak reed, wees Chatelet meegaan van de hand en bleef in het hotel. Waarom de OVSE in de namiddag van 15 januari in het dorp Racak slechts één dode registreerde, terwijl de OVSE de volgende ochtend opeens tenminste 13, misschien zelfs 18, lijken in de straten en binnenplaatsen ontdekte, kan Chatelet niet verklaren: "Ik kan dit raadsel niet oplossen."
Vaststaat in elk geval, dat de 45 doden van Racak slachtoffers van de Serviërs zijn. Maar als er sprake was van een massa-executie: Waarom vertrokken de Servische eenheden, zonder een poging te doen, het gebeurde te verdoezelen en zoveel mogelijk lijken te laten verdwijnen?
Vooral het UCK zou licht in de duisternis kunnen laten schijnen. Hun chef, Hashim Thaci, verklaarde laatst tegenover de BBC: "Wij hadden een basiseenheid in het gebied. Het was een fel gevecht. Wij hadden heel wat slachtoffers te betreuren. Maar de Serviërs ook."
Uit: "Berliner Zeitung" (Bo Adam, Roland Heine en Claudius Technau Berlijn, 23 maart), 24 maart 2000, vert. Toos Plug