Wat is wetenschap? Wanneer is het begonnen? Waarom is het begonnen? Vragen waar je evenveel verschillende antwoorden op krijgt als het aantal personen aan wie je het vraagt. Maar de hamvraag luidt: is er een eind aan de wetenschap? Zullen we ooit een punt bereiken waarop we alles weten of niets meer kunnen leren?
Op het eerste gezicht een prima vraag; wanneer alles wat we waarnemen (deze duif kan vliegen) een reden heeft (omdat het een duif is), en we daaruit abstracte waarheden kunnen halen (duiven kunnen vliegen), dan worden dat na enkele denkstappen steeds abstractere waarheden (gevleugelde dieren kunnen vliegen). En omdat er niet oneindig veel dingen zijn in de wereld, kunnen deze allemaal hypothetisch gezien in één abstracte allesomvattende theorie omgezet worden. Tot zover het klakkeloos toepassen van klassieke logica. Alles bevat echter interne tegenstellingen waardoor de natuur altijd in beweging is en continu verandert. Wat een duif is staat niet vast, maar verandert (evolueert) over miljoenen jaren tot iets anders. Misschien zelfs tot iets wat voor ons onherkenbaar zou zijn. Daarom is het zoeken naar een absolute, eeuwige waarheid onzinnig: er is geen einde aan wetenschap. Dit is wat wij marxisten zouden antwoorden, omdat onze filosofie is gebaseerd op het dialectisch materialisme.
Een andere groep mensen die denkt overal antwoorden op te hebben, zijn burgerlijke economen (de niet-marxistische economen dus). Het verschil is alleen dat ze het vaker bij het foute eind hebben. Economen beredeneren immers dat de wetenschap zelf ook een soort markt van ideeënuitwisseling is. Dat daten net een markt is met vraag en aanbod en die burenruzie eigenlijk gewoon een nulsomspel waar je het Nash equilibrium van moet vinden. Nu kan men zich afvragen wat een econoom bij te dragen heeft aan het vraagstuk over het eventuele einde van de wetenschap.
Dan wijs ik je graag op het artikel Are Ideas Getting Harder to Find? van Bloom et al.1 Hierin wordt onontkoombaar bewijs geleverd dat laat zien dat er iets goed mis is met de hedendaagse wetenschap. Zo concluderen de auteurs: “Onze duidelijke conclusie is dat de onderzoeksproductiviteit overal waar we kijken sterk daalt.” Dat is een behoorlijke aantijging. Nadat het me lukte om een boel onnodige terminologie te vertalen en ik mij een weg door de wiskunde had gebaand, kreeg ik een beter beeld bij wat er bedoeld wordt met ‘onderzoeksproductiviteit’ (research productivity). Gaat het om geld? Ja, natuurlijk gaat het om geld, maar loop niet te hard van stapel. ‘Onderzoeksproductiviteit’ staat gelijk aan het aantal nieuwe ideeën gedeeld door het aantal wetenschappers. Hoewel je hier al gemakkelijk vraagtekens bij kan zetten, kan ik het hier best met tegenzin mee eens worden. Oké prima, maar hoe definiëren we dan het aantal nieuwe ideeën? Dat is de relatieve groei van de economie, ook wel de ‘groei van de factorproductiviteit van de economie’ genaamd (factor productivity growth of the economy).2 Ja, dat lees je goed. In het kort kan dit uitgelegd worden als het gedeelte van de winstgroei dat niet te verklaren is door een groei van de hoeveelheid arbeid en kapitaal die het productieproces in gaan. Deze groei kan dus alleen verklaard worden door de efficiëntere inzet van arbeid of kapitaal. Nu lijkt het me redelijk bizar om de effectiviteit van wetenschappelijk onderzoek te reduceren tot economische groei. Maar maak je niet druk, Bloom et al. zijn zeer genuanceerd. Ze erkennen dat dit vreemd klinkt, maar ze volgen de literatuur van onder andere drie economen uit de jaren negentig, en dus definiëren ze ideeën in eenheden zodat een constante flow van nieuwe ideeën leidt tot een exponentiële groei in de economie.3 “Aangezien anderen voor ons deze fout hebben gemaakt, hebben wij het recht om er gewoon mee door te gaan”, is de redenering. Er is geen speld tussen deze logica te krijgen (want er is geen logica te bekennen), en het is tekenend voor de staat van kritisch denken in het onderzoeksveld van de economie. Zodoende komen Bloom et al. op de ‘formulevergelijking’ waarmee je op de eerste pagina belaagd wordt, namelijk: “economische groei = onderzoeksproductiviteit x aantal onderzoekers”.
We krijgen mooie grafieken te zien waar het aantal wetenschappers sterk toeneemt, terwijl die groeipercentages akelig constant blijven. Hoe kan dat nou? Met de huidige technologie zouden we intussen triljoenen aan winst moeten maken. Ik hoop dat de meer doorgewinterde marxisten nu al in hun vuistje zitten te gieren en brullen. Wie had nou kunnen voorspellen dat innovaties in de wetenschap die de productiviteit (in aantallen) vergroten, niet direct te vertalen zijn in een net zo snelle groei in winsten? Het is bijna alsof een product minder waard wordt zodra je er minder werk in hoeft te stoppen. Iedereen ziet wel in dat met de komst van fabrieken, veel producten veel goedkoper zijn geworden. Zo wordt het ook lastiger om winst te knijpen uit een steeds grotere berg aan producten. Marx zag dat ook al zo’n 200 jaar geleden. De waarde van een product komt van de hoeveelheid arbeid die erin gestopt is, waardoor een verhoging van efficiëntie in het productieproces ervoor zorgt dat dezelfde hoeveelheid van het product minder waard wordt. Na een langere periode wordt dat via de marktwerking ook weerspiegeld in de daadwerkelijke prijzen. In marxistische termen heet dit de wet van de tendentiële daling van de winstvoet.
We zien hier duidelijk het probleem met een wereldbeeld dat het verloop van tijd ziet als een opeenvolging van momentopnames in plaats van tijd te zien als een consistent geheel dat verandert en evolueert. Door alleen het directe effect van innovatie in acht te nemen, worden de langetermijneffecten genegeerd. En het is gênant dat deze mensen een boel van hun tijd en andermans geld spenderen in het opnieuw ontdekken van een vraagstuk dat eeuwenoud is –en zelfs opgelost is– om vervolgens tot de verkeerde conclusie te komen dat er iets mis zou zijn met wetenschap zelf. Dit is het academische equivalent van 200 jaar achter je eigen staart aan zitten. Naast grappig is dit ook kwalijk. Bloom et al. komen dan tot een relatief onschuldige conclusie, maar dit kan ook leiden tot zeer reactionaire opvattingen. Sommige figuren zien deze berekening als bewijs dat er iets mis is met de academische wereld, dat er te veel ‘onzin-onderzoek’ wordt gedaan.4 En hoewel je academici veel kunt verwijten, denk ik niet dat dit onderzoek reden is om te denken dat mensen op magische wijze slechter zijn geworden in het uitvoeren van wetenschap – er is eerder bewijs te vinden van het omgekeerde als je het mij vraagt. Als stilgezwegen oplossing kun je je wel voorstellen dat er beleid gevoerd zou moeten worden om de dingen weer efficiënter te maken: “We moeten gewoon het bedrijfsleven wat meer koppelen aan de academische wereld, want die domme wetenschappertjes snappen niks van efficiëntie.” Privatisering, desinvestering, ga zo maar door. Maar een nog engere vorm kan het aannemen (en dat zien we ook genoeg vandaag de dag) als men stelt dat wetenschappers helemaal niet weten waar ze mee bezig zijn, dat ze met belastinggeld smijten, harde werkers voor de gek houden, misschien doen ze dat wel bewust? Of nog erger: zou het kunnen komen door het grotere aantal studenten? Of door hun achtergrond? Vroeger had je namelijk helemaal geen vrouwelijke of niet-westerse wetenschappers, aldus de reactionairen.
De oplossingen die dan geleverd worden, zijn –ik hoop dat ik dat niet hoef uit te leggen– ronduit destructief voor de maatschappij. We zien hier hoe het kapitalisme zichzelf volledig vanzelf ondermijnt zonder hulp van een externe kracht. Erg efficiënt voor de antikapitalisten! Maar dit is niet de manier waarop we het kapitalisme het liefst onderuit zien gaan, omdat het geheid de werkende klasse zal opofferen om haar val te breken.
We lopen rond met een kapitalist op onze schouders, en we vragen ons af waarom lopen ons zo moeilijk afgaat. Misschien is de zwaartekrachtsconstante veranderd, of misschien is de Aarde gegroeid, of misschien is het die kapitalist op onze rug? Wie weet? Laten we nog meer onderzoek doen voordat we een conclusie kunnen trekken.
- Nicholas Bloom, Charles I. Jones, John van Reenen, Michael Webb, “Are Ideas Getting Harder to Find?”, American Economic Review, april 2020, 110(4): 1104–1144 https://doi.org/10.1257/aer.20180338
- Nu vraag je je misschien af (als je niet bekend bent met de gebruiken binnen het vakgebied van economie) of dit wel over geld gaat en niet eerder over productiviteit in aantallen van een product, in het paper wordt er namelijk nergens een eenheid aangeduid (wat ook één van de manieren is waarop economische papers onleesbaar worden gemaakt zodat het lijkt dat het iets heel ingewikkelds is waar ze mee bezig zijn, maar dit is simpelweg onprofessioneel). Maar als je de bronnen checkt die ze gebruiken, zoals de United States Department of Agriculture (https://www.nass.usda.gov/), dan zie je dat daar alles in dollars wordt uitgedrukt. Daarbij komt ook het probleem kijken dat als je dingen in aantallen uitdrukt (zakken chips bijvoorbeeld), je ineens je productiviteit kan verdubbelen als je de inhoud van je zak halveert (en kilogrammen of liters schieten ook tekort als je frisdrank wordt uitgedunt met water). Dus het is verder wel begrijpelijk dat voor dollars gekozen wordt in plaats van aantallen.
- Ik denk dat dit zodanig vreemd klinkt dat ik jullie een directe quote verschuldigd ben, zodat je zeker kan zijn dat ik ze niet verkeerd vertegenwoordig: “In the equation above, A't/At is total factor productivity growth in the economy. The variable St (think “scientists”) is some measure of research input, such as the number of researchers. This equation then says that the growth rate of the economy, through the production of new ideas, is proportional to the number of researchers. Relating A’t/At to ideas runs into the familiar problem that ideas are hard to measure. Even as simple a question as “What are the units of ideas?” is troublesome. We follow much of the literature, including Aghion and Howitt (1992), Grossman and Helpman (1991), and Kortum (1997), and define ideas to be in units so that a constant flow of new ideas leads to constant exponential growth in A.”
- Sabine Hossenfelder, “Science is in trouble and it worries me.”, Youtube.com, https://www.youtube.com/watch?v=QtxjatbVb7M. Hierin haalt ze precies het artikel aan van Bloom et al. (en ja, dit is hoe ik het artikel überhaupt vond).
Wil je een abonnement op Manifest?
Met jullie hulp garanderen we een communistische visie op de actualiteit in Nederland
Manifest is de krant van de NCPN die maandelijks verschijnt. Met Manifest blijf je op de hoogte van de actualiteit en van onze acties. Manifest belicht verschillende aspecten van de strijd in binnen- en buitenland, en publiceert analyses die inzicht bieden in de nationale en internationale ontwikkelingen vanuit een marxistisch-leninistisch perspectief. Neem nu een abonnement op Manifest of vraag een gratis proefabonnement aan.
Abonneer Nu!