Socialistische landen mogen dan bekend staan om hun meerjarenplannen, maar Nederland heeft deze ook. Het Deltaprogramma kijkt tientallen jaren vooruit, Rijkswaterstaat plant infrastructuur en netbeheerders maken meerjarige investeringsplannen. Toch lopen we vast. Water, elektriciteit en woningen kunnen niet snel genoeg worden gebouwd, uitgebreid of aangepast aan de maatschappelijke behoeften. Hoe kan een maatschappij die zoveel plant toch steeds achter de feiten aanlopen? Vanuit die vraag kijkt dit artikel naar twee ogenschijnlijk verschillende problemen: watertekort en netcongestie.
Het is de laatste maanden een hot topic: door aanhoudende droogte en historisch lage rivierafvoeren is in Nederland een officieel watertekort afgekondigd. Dat betekent dat er op bepaalde momenten onvoldoende zoet water beschikbaar is voor alle functies: landbouw, natuur, industrie, scheepvaart, grondwater, drinkwaterwinning, enzovoort. Drinkwatertekort is specifieker: er dreigt dan onvoldoende geschikte bron- en productiecapaciteit te zijn om in de toekomstige drinkwatervraag te voorzien. Dit zijn behoorlijke problemen, met een grote maatschappelijke impact. Maar één of twee aanhoudende droogtes kunnen niet het hele verhaal zijn, toch?
Over zoetwater
Nederland is een nat land, met over het algemeen veel regenval. Gebrek aan water is vaak het probleem niet. Misschien zelfs het tegenovergestelde: ons land is juist heel efficiënt geworden in het zo snel mogelijk afvoeren van regenwater, om overstromingen te voorkomen. De keerzijde ervan is dat grondwaterreserves zich minder goed aanvullen, waardoor het een kwestie wordt van verdeling, opslag en infrastructuur. En niet te vergeten: een kwestie van vraag.
De afgelopen decennia is er een constante stijging geweest in de vraag naar water voor (chemische) industrie, datacenters, landbouw en veehouderij. Dat komt doordat gewassen vaker irrigatie nodig hebben, er meer zoetwater nodig is om verzilting tegen te gaan, en door economische en industriële groei. Koppel de stijgende vraag naar zoetwater aan het verlaagde aanbod als gevolg van meer voorkomende en steeds langer aanhoudende droogtes door klimaatverandering, en je hebt een recept voor een crisis — tenzij er tijdig iets aan gedaan wordt door de infrastructuur uit te breiden en te verbeteren.
Het oppervlaktewater en het grondwater zijn onderdeel van het publieke watersysteem, en de overheid beheert de beschikbaarheid en het gebruik ervan via verschillende bestuurslagen. Rijkswaterstaat en de waterschappen zijn de belangrijkste waterbeheerders; provincies en gemeentes hebben aanvullende verantwoordelijkheden. Daarboven zit het Rijk dat de nationale strategie bepaalt. Ze werken allemaal samen via het Deltaprogramma, volgens het Deltaplan, betaald met het Deltafonds. Het doel is om Nederland in 2050 weerbaar te maken tegen zoetwatertekorten. Het is een publieke infrastructuur- en ruimtelijke ordeningsopgave.
Helaas kampen ze onder andere met inflatie en stijgende kosten, waardoor projecten duurder worden dan oorspronkelijk begroot. Ook zijn er complexe procedures voor vergunningen en ruimtelijke verordening die projecten vertragen. Voor veel maatregelen moet grond worden aangekocht of het landgebruik worden aangepast, wat veel tijd in beslag neemt. Daarnaast is er een tekort aan mensen (zoals ingenieurs, projectleiders, ecologen, etc.) en zijn er beperkingen vanwege stikstof.
Het Deltaprogramma zegt inmiddels zelf ook dat de huidige strategie minder lang houdbaar is dan eerder gedacht. Zo moeten volgens hen alle sectoren zich aanpassen aan en voorbereiden op drogere en/of meer verzilte omstandigheden. Sommige huidige functies kunnen mogelijk niet op hun bestaande locatie worden gehandhaafd. Wat dat concreet betekent, is dat er een verdelingsvraagstuk ontstaat bij droogte. Landbouw, industrie, scheepvaart, drinkwatervoorziening, natuur. Alle grootgebruikers concurreren met elkaar om zoetwater. Wie krijgt er water wanneer er onvoldoende is voor iedereen?
Sierteelt is daarbij interessant om te benoemen; het is een industrie met een exportwaarde van 12,3 miljard euro (in 2025) waar een hoop water naartoe gaat. Dit nodigt de discussie uit over maatschappelijke prioriteiten bij schaarste van natuurlijke bronnen. Zijn bloemen en kamerplanten belangrijker dan voedselgewassen en tuinbouw? Natuurlijk niet, zou je zeggen. Maar het kapitaal krijgt in het huidige systeem voorrang, en dus wordt er aan de bevolking gevraagd om hun achtertuin niet te besproeien.
Drinkwater
Waterbedrijven waarschuwen al jaren dat de vraag veel sneller groeit dan de productiecapaciteit. De toename van de vraag is te wijten aan een groeiende bevolking. Maar het echte probleem zit in de productiecapaciteit. In de eerste plaats heeft een zoetwatertekort natuurlijk veel invloed op de drinkwaterproductie. Maar vervuiling van het grondwater is net zo’n groot probleem. Een greep uit de lange lijst van veroorzakers: mestuitspoeling van vee- en akkerbouwbedrijven, de (chemische) industrie, PFAS, verzilting en verzuring, medicijnresten, schoonmaakmiddelen, microplastics, enzovoort. Nederland staat vrij hoog in de lijst landen met het meest vervuilde grondwater en oppervlaktewater. En voordat dit als drinkwater kan worden gebruikt, moet het eerst grondig gereinigd worden — iets wat steeds meer moeite, tijd en geld kost.
Maar wie is daar dan weer verantwoordelijk voor? Nou, dat zijn de tien drinkwaterbedrijven in Nederland. Drinkwaterbedrijven zijn wettelijke monopolies: je kunt niet kiezen welke leverancier je wilt, maar je bent verplicht af te nemen van het bedrijf dat jouw regio bedient. Een kleine nuance is dat ze volledig in handen zijn van de staat. Of ja, hun aandelen zijn dat. Het zijn alsnog ondernemingen met een winstoogmerk, en alle tien hebben ze hun eigen bestuur, hun eigen bedrijfsstructuur en hun eigen investeringsplan.
Netcongestie
We worden doodgegooid met burgerlijke propaganda over individuele verantwoordelijkheid: buiten piekuren de wasmachine, droger, vaatwasser en warmtepomp gebruiken, ‘netbewust’ je auto opladen en ga zo maar door. Al jaren is er een groeiende elektrificatie waar te nemen, die deels door klimaatdoelen te verklaren is, maar voornamelijk door een verschuiving van fossiel kapitaal naar groen kapitaal. De hoeveelheid elektriciteit die we als maatschappij verbruiken neemt elk jaar toe, maar de infrastructuur blijft achter. Het resultaat is netcongestie, oftewel de overbelasting van het elektriciteitsnet. Dit gebeurt wanneer de vraag naar stroom (of het aanbod van zonne- en windenergie) groter is dan de kabels en transformatorhuisjes aankunnen. Hierdoor komen nieuwe bedrijven en soms ook woningbouwprojecten op wachtlijsten te staan voor een stroomaansluiting.
De onderliggende, bredere oorzaak is dat toekomstplannen voor elektrische infrastructuur weliswaar worden gemaakt op basis van een maatschappelijk plan, maar wederom wordt overgelaten aan gedecentraliseerde en gefragmenteerde investeringsplannen, economische belangen en regelgeving.
TenneT is de beheerder van het landelijke hoogspanningsnet. Juridisch gezien is het een BV met een eigen bestuur en bedrijfsstructuur. De Nederlandse staat bezit 100% van de aandelen, waardoor het als enige aandeelhouder invloed kan uitoefenen. (Dezelfde structuur geldt ook voor bedrijven als ProRail en NS). Maar net als bij de drinkwaterbedrijven is TenneT niet simpelweg een afdeling van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat die ieder jaar een begroting krijgt, zoals het geval is bij het Deltaprogramma. De regering bespreekt dan wel het investeringsplan van TenneT, maar omdat het geen onderdeel is van de staat kan de minister niet simpelweg opleggen om dit of dat netwerk aan te leggen. Daarnaast is het een bedrijf als elk ander en moeten ze winst genereren en uiteraard uitbreiden. Slechts 35% van de winst van TenneT gaat via dividend naar de staatskas; de rest gaat naar de jaarlijkse CEO-bezoldiging van meer dan een half miljoen en (buitenlandse) investeringen met de Nederlandse Staat als schuldgarantie, waardoor ze tot 60 miljard euro kunnen lenen.
Op lokaal niveau heb je de regionale netbeheerders. In Nederland zijn het er zes: Enexis, Liander, Stedin, Coteq, RENDO en Westland Infra. Dit zijn, net als TenneT en de tien drinkwaterbedrijven, ‘publieke bedrijven’ die als institutionele gedoogde monopolies verantwoordelijk zijn voor een bepaalde regio. Niet per provincie, maar een wettelijk vastgelegd gebied. Het regionale netwerk is dus niet nationaal georganiseerd, maar betreft een gefragmenteerde constructie van zes bedrijven die ieder weer hun eigen investeringsplannen en bedrijfsorganisatie hebben.
Waar het samenkomt
We hebben nu enkele situaties en instanties onder de loep genomen om te kijken hoe dit is georganiseerd, wie er verantwoordelijk is en wie er zeggenschap heeft. Het Deltaprogramma loopt tegen genoeg problemen aan, maar op zijn minst lijkt het op papier logisch: er is een maatschappelijke behoefte (voldoende zoetwater), dit vereist een maatschappelijke samenwerking (Deltaprogramma), een breed en toekomstbestendig plan (Deltaplan) en wordt gefinancierd door de overheid (Deltafonds). Een landelijke aanpak voor een landelijk probleem.
Hoe kan het dan zijn dat zo veel andere, even zwaar wegende maatschappelijke behoeftes compleet anders worden aangepakt? Waarom organiseren we fundamentele maatschappelijke voorzieningen middels afzonderlijke bedrijven, in plaats van als één planmatig onderdeel van de maatschappelijke infrastructuur, georganiseerd en direct aangestuurd door de overheid?
Sectoren als afval, telecom, zorg, internet/data, woningbouw, het openbaar vervoer en zelfs de bouw en onderhoud van infrastructuur worden allemaal uitbesteed aan bedrijven. Sommige daarvan zijn wettelijk vastgelegd en hebben een wettelijke taak om hun infrastructuur te beheren en uit te breiden, bij andere kan de staat ‘invloed uitoefenen’ doordat zij de enige aandeelhouder is, maar eigenlijk is deze constructie gewoonweg ontzettend vreemd.
Publiek of staatseigendom komt dus niet eens in de buurt van echte maatschappelijke planning. Een onderneming kan op papier volledig in handen van de staat zijn, maar het blijft een (commercieel) bedrijf — geen overheidsinstantie. Nationalisatie is daarna misschien een stap vooruit, maar beslist niet het eindpunt. Wanneer verschillende regionale ondernemingen worden samengebracht in één publieke organisatie, kunnen investeringen, personeel en infrastructuur veel eenvoudiger op elkaar worden afgestemd. Er kan één nationaal plan komen, met regionale en lokale uitvoering, één begroting en één verantwoordelijke overheidsinstantie.
Maar ook zo’n genationaliseerde organisatie blijft ingebed in een kapitalistische maatschappij, waardoor de plannen ervan onvermijdelijk botsen op privaat grondbezit, verschillende overheidslagen en hun uiteenlopende regelgeving, marktprijzen, private ondernemingen die zelfstandig over hun productie beslissen, (internationale) concurrentie en de beperkte mogelijkheden van de overheid om productie en ruimtelijke ontwikkeling rechtstreeks te sturen. Nationalisatie verandert dus eigenlijk enkel de organisatie van een voorziening, maar niet de maatschappelijke verhoudingen waarbinnen die voorziening moet functioneren.
Dit is het fundamentele verschil tussen kapitalistische en socialistische planning. Onder het kapitalisme worden productiebeslissingen grotendeels verspreid genomen door afzonderlijke ondernemingen, waarbij marktprijzen, concurrentie en winstgevendheid van de productie achteraf pas op elkaar afstemmen. Planning vindt daardoor vooral plaats binnen afzonderlijke bedrijven en overheidsorganen, zonder dat de productie als geheel wordt gecoördineerd. Onder het socialisme wordt juist de productie zelf onderdeel van het maatschappelijke plan: wat er nodig is, hoeveel er geproduceerd wordt, waar dat gebeurt, welke grondstoffen en arbeid daarvoor nodig zijn en, niet te vergeten, welke infrastructuur daarvoor moet worden aangelegd.
Zolang maatschappelijke productie, infrastructuur en voorzieningen niet als één samenhangend geheel worden georganiseerd, blijft de ene kant van de samenleving achter de andere aanlopen en kunnen we problemen nooit écht oplossen of ondervangen. Het is onhoudbaar om voor ieder maatschappelijk probleem afzonderlijk te blijven plannen zonder de samenhang ertussen mee te nemen. En als alles met elkaar samenhangt, waarom plannen we het dan niet als één geheel?
De bronnen zijn bij de redactie bekend.
Wil je een abonnement op Manifest?
Met jullie hulp garanderen we een communistische visie op de actualiteit in Nederland
Manifest is de krant van de NCPN die maandelijks verschijnt. Met Manifest blijf je op de hoogte van de actualiteit en van onze acties. Manifest belicht verschillende aspecten van de strijd in binnen- en buitenland, en publiceert analyses die inzicht bieden in de nationale en internationale ontwikkelingen vanuit een marxistisch-leninistisch perspectief. Neem nu een abonnement op Manifest of vraag een gratis proefabonnement aan.
Abonneer Nu!