Skip navigation
Spaanse Burgeroorlog

90 jaar na de mislukte staatsgreep

De arbeidersklasse als historisch subject van de Spaanse Burgeroorlog
Het Vijfde Regiment, een elite-eenheid van het Republikeinse leger, opgericht door de Communistische Partij van Spanje
bron: Publiek domein

Negentig jaar geleden vond de staatsgreep van generaal Francisco Franco plaats, wat het startschot was voor de Spaanse Burgeroorlog. De tekst hieronder, vertaald door de Commissie Antiracisme en Antifascisme van het Partijbestuur van de NCPN, zet uiteen welke maatschappelijke tegenstellingen leidden tot de burgeroorlog. Dat is niet alleen interessant vanuit historisch perspectief, maar ook omdat die tegenstellingen vandaag de dag nog steeds gelden, in Spanje, Nederland, en alle andere kapitalistische landen.

Op 18 juli is het precies negentig jaar geleden dat de staatsgreep tegen de legitieme regering van de Tweede Republiek plaatsvond. De gangbare verklaring voor die gebeurtenis stelt deze nog steeds voor als een nationale tragedie, veroorzaakt door het onvermogen van de Spanjaarden om samen te leven – als een botsing tussen twee kampen die werden gedreven door politieke radicalisering en geweld. Dit narratief legt de oorsprong van het conflict bij de excessen van beide zijden en verlegt daarmee de aandacht weg van de maatschappelijke structuren die die confrontatie mogelijk maakten.

Maatschappelijke tegenstellingen

Hier stellen we een andere vraag: welke maatschappelijke tegenstellingen brachten een wezenlijk deel van de Spaanse heersende klassen ertoe te kiezen voor de vernietiging van de republikeinse orde door middel van militair geweld? De Burgeroorlog kan niet louter worden begrepen als een conflict tussen politieke leiders, militaire kopstukken of tegengestelde ideologieën. Het was een diepgaande crisis van de heersende machtsstructuren in Spanje, die zich voltrok op een historisch moment waarop een steeds beter georganiseerde arbeidersklasse als zelfstandige politieke kracht begon op te treden.

Het uitroepen van de Tweede Republiek in 1931 betekende geen revolutionaire breuk met het kapitalisme, noch de opbouw van een socialistische staat. Integendeel: de Republiek was een liberaal-burgerlijke staat die bepaalde politieke en maatschappelijke structuren wilde moderniseren. Tegen de achtergrond van de wereldwijde economische crisis die volgde op de beurscrash van 1929, wekten deze hervormingen hoop op verbetering bij de grote massa arbeiders, die leefden onder omstandigheden van onzekerheid, lage lonen en een gebrek aan daadwerkelijke rechten.

Het cruciale punt was dat de arbeidersklasse in dat proces geen passieve actor bleef. Politieke en vakbondsvrijheden stelden miljoenen arbeiders en boeren in staat hun organisaties te versterken, hun mobilisatiekracht te vergroten en een eigen politieke en sociale agenda te ontwikkelen. Vakbonden en massaorganisaties creëerden hun eigen organisatieruimtes en een politieke cultuur die geworteld was in collectieve actie. Een opvallend voorbeeld van deze organisaties is de omvangrijke ontwikkeling van de onafhankelijke politieke partij van de arbeidersklasse: de Communistische Partij. Op deze wijze hield de arbeidersklasse op louter een economische realiteit te zijn – een 'klasse op zich' – en werd zij een historische politieke actor – een 'klasse voor zich' – die in staat was de koers van de samenleving te beïnvloeden.

In de jaren dertig gaf het Spaanse proletariaat een impuls aan dit proces door vakbonden, solidariteitsnetwerken, culturele ruimtes en – bovenal – een onafhankelijke politieke organisatie op te zetten; dit alles maakte het mogelijk een maatschappelijke kracht te vormen die in staat was druk uit te oefenen. De uitbreiding van sociale en politieke organisaties van de arbeidersklasse, de mobilisatie van dagloners en de organisatie-inspanningen in grote industriële centra toonden aan dat de ondergeschikte klassen een politiek gewicht hadden verworven dat de elites niet langer konden negeren.

Deze realiteit verklaart de reactie van belangrijke delen van de heersende klassen. Grondbezitters, grote vastgoedeigenaren, industriële en financiële belangen, de kerkelijke hiërarchie en een aanzienlijk deel van het leger keken met bezorgdheid naar een proces dat hun traditionele monopolie op politieke en economische macht zou kunnen inperken. Het ging niet louter om het bestaan van specifieke republikeinse hervormingen, maar om de opkomst van een georganiseerde arbeidersklasse die in staat was de bestaande maatschappelijke verhoudingen uit te dagen.

Grondslagen van de Burgeroorlog

De reactie begon al lang vóór juli 1936. De opstand van Sanjurjo in 1932 legde het bestaan bloot van facties die bereid waren militair geweld te gebruiken om het republikeinse proces een halt toe te roepen. Sevilla speelde een bijzonder belangrijke rol in dat complot, vanwege de bezorgdheid in conservatieve kringen over een stad met een sterke traditie van arbeidersorganisatie – het zogenaamde 'Rode Sevilla', dat geassocieerd werd met figuren als José Díaz, Saturnino Barneto en Antonio Mije (belangrijke leden van de PCE, de Spaanse communistische partij -red.).

De periode die bekendstaat als het “bienio negro” (de twee zwarte jaren) verhevigde deze spanning. Het stopzetten van republikeinse hervormingen, de repressie na oktober 1934 (In Asturías in Noord Spanje probeerde mijnwerkers en bondgenoten een arbeiderssovjet op te zetten – red.) Deze opstand werd neergeslagen door Franco. , de sluiting van vakbondsgebouwen en de gevangenneming van duizenden arbeidsactivisten toonden de vastberadenheid van brede lagen van de bourgeoisie om het staatsapparaat in te zetten om de opmars van de volksbeweging te stuiten.

Tegen de achtergrond van de opkomst van het fascisme in Europa begonnen delen van de heersende klassen deze weg als een politiek alternatief te beschouwen. De ontwikkeling van de CEDA van Gil Robles is veelzeggend: het streven om een machtsfactor op te bouwen die via autoritaire methoden naar de macht kon dingen, toonde de invloed aan van het Europese fascistische model op een deel van de Spaanse rechterzijde. De kern van de zaak was het waarborgen van de continuïteit van de bestaande maatschappelijke orde en het vernietigen van de politieke macht die door organisaties van de arbeidersklasse was verworven.

Na de verkiezingsoverwinning van het Volksfront in februari 1936 raakte het militaire complot in een stroomversnelling. Bij de staatsgreep waren diverse actoren betrokken. Een deel van het leger – met name de officieren van de “africanista” (een koloniaal leger dat voornamelijk actief was in Marokko en andere delen van Noord-Afrika – red.) - speelde een centrale rol. Net als hun Europese collega's hadden deze officieren in de koloniën uiterst gewelddadige oorlogsvoeringstechnieken ontwikkeld; deze praktijken keerden zij tijdens de gebeurtenissen van oktober 1934 en de oorlog vervolgens tegen de Spaanse arbeidersklasse zelf.

Steun van de burgerij

Ook financiële steun vanuit burgerlijke kringen was doorslaggevend. Juan March (een tabakssmokkelaar en bankier die tijdens de 2e republiek juridisch werd vervolgd – red.) financierde een deel van de militaire operatie, waaronder de aankoop van het vliegtuig van het type “Dragon Rapide” dat werd gebruikt om Francisco Franco van de Canarische Eilanden naar Marokko te vervoeren. De Katholieke Kerk bood ideologische legitimatie vanaf talloze kansels en stelde de opstand voor als een verdediging van de maatschappelijke en religieuze orde tegen een vermeende revolutionaire dreiging. Uiteraard verleenden ook fascistische regimes financiële steun aan de onderneming. Dit was het geval bij het Italië van Mussolini, dat op 1 juli 1936 contracten sloot met het monarchistische parlementslid Pedro Sainz Rodríguez voor de geheime levering van meer dan veertig gevechtsvliegtuigen en duizenden bommen.

Fascistische organisaties – met name de Falange – droegen bij aan het creëren van een klimaat van politiek geweld, dat vervolgens door rechts in het parlement werd aangegrepen om te wijzen op een toestand van chaos en onbestuurbaarheid. Leiders als Gil Robles en Calvo Sotelo benutten hun institutionele posities om een narratief te construeren waarin militair ingrijpen werd voorgesteld als een historische noodzaak om Spanje te redden.

Het is bijzonder veelzeggend dat de staatsgreep werd gerechtvaardigd als reactie op een vermeende revolutie, aangezien de regering waarop deze gericht was, bestond uit burgerlijke republikeinen, terwijl arbeidersorganisaties buiten de uitvoerende macht bleven. De fundamentele bedreiging voor reactionaire kringen werd niet gevormd door een revolutionaire regering, maar door een georganiseerde arbeidersklasse die had bewezen in staat te zijn in te grijpen in het politieke en maatschappelijke leven van het land.

Het mislukken van de staatsgreep in grote steden en industriegebieden had een onverwacht historisch gevolg: het creëerde een situatie waarin brede lagen van de arbeidersklasse processen van maatschappelijke transformatie in gang zetten. Het verzet tegen de opstand werd niet uitsluitend geleid door republikeinse instellingen, maar door duizenden georganiseerde arbeiders die in actie kwamen om hun organisaties en de verworvenheden die ze hadden bereikt, te verdedigen. Overal waar de staatsgreep mislukte, kwam de kwestie van de macht centraal te staan in het conflict, en het Vijfde Regiment zou uitgroeien tot een nieuw soort leger voor het Spaanse proletariaat.

Uiteenlopende verklaringen

Negentig jaar later blijft de controverse over de Burgeroorlog voortbestaan, omdat de interpretatie van het verleden ook deel uitmaakt van de strijd om het heden te duiden. Bepaalde populaire verhalen hebben het beeld van een "broederoorlog" wijdverbreid gemaakt: een collectieve tragedie waarin alle kampen een even grote verantwoordelijkheid droegen. Figuren als Arturo Pérez-Reverte en David Ugarte (burgerlijke schrijvers/historici van de Spaanse burgeroorlog – red.) hebben zich vanuit uiteenlopende standpunten in het debat gemengd over hoe deze periode moet worden uitgelegd. Los van specifieke namen is de rode draad in veel van deze verhalen de neiging om de focus van het conflict te verleggen van maatschappelijke structuren naar een morele interpretatie, waarin de nadruk ligt op de co-existentie en de confrontatie tussen Spanjaarden.

Om de Burgeroorlog te begrijpen, moet men de maatschappelijke krachten achter elk politiek project analyseren. Het was geen conflict tussen burgers die elkaar niet konden begrijpen, maar een historische confrontatie waarin onverenigbare maatschappijvisies met elkaar botsten. De oorlog betekende een nederlaag voor een arbeidersklasse die eigen organisaties had opgebouwd en als historische actor was gaan optreden, en een overwinning voor degenen die streden voor het behoud van de bestaande maatschappelijke orde.

Stilstaan bij de materiële oorzaken van de staatsgreep betekent daarom niet louter het bestuderen van een gebeurtenis uit het verleden. Het houdt in dat men begrijpt hoe machtsverhoudingen binnen een samenleving zijn georganiseerd, hoe dominante klassen reageren wanneer zij hun positie bedreigd zien, en hoe de volksklassen – door middel van collectieve organisatie – hoofdrolspelers kunnen worden in historische verandering.


Het originele artikel is hier te vinden. Tussenkopjes zijn toegevoegd door de redactie.

Wil je een abonnement op Manifest?

Met jullie hulp garanderen we een communistische visie op de actualiteit in Nederland

Manifest is de krant van de NCPN die maandelijks verschijnt. Met Manifest blijf je op de hoogte van de actualiteit en van onze acties. Manifest belicht verschillende aspecten van de strijd in binnen- en buitenland, en publiceert analyses die inzicht bieden in de nationale en internationale ontwikkelingen vanuit een marxistisch-leninistisch perspectief. Neem nu een abonnement op Manifest of vraag een gratis proefabonnement aan.

Abonneer Nu!