Skip navigation
Socialistische opbouw

Grondwetten van een arbeidersstaat

Ontwikkelingen in de staatkundige bovenbouw van de Sovjet-Unie
In een bergdorp in Dagestan wordt het grondwetsontwerp van 1936 bestudeerd. Foto: Sergey Strunnikov / publiek domein

In de vorige eeuw werden in de grondwet van de Sovjet-Unie rechten verankerd waar de werkende bevolking tegenwoordig nauwelijks van durft te dromen. Dit werd mogelijk gemaakt door de inspanningen die de sovjetbevolking leverde voor de afschaffing van de kapitalistische uitbuiting en de opbouw van het socialisme. Tegelijkertijd speelde de juridische bovenbouw, in het bijzonder de inrichting van de arbeidersstaat en organisatie van betrokkenheid van de werkenden bij de politieke besluitvorming een belangrijke rol in het bevorderen of belemmeren van de verdere ontwikkeling van de socialistische verhoudingen in de economie. In deze studie wordt de juridische bovenbouw van de Sovjet-Unie onder de loep genomen, aan de hand van de historische ontwikkeling van de grondwetten die de Sovjet-Unie gekend heeft.

Inhoudsopgave

  1. Inleiding
  2. Theoretische achtergrond
    2.1 De dictatuur van het proletariaat
    2.2 De socialistische grondwet
    2.3 Over de zogenaamde ‘scheiding der machten’
  3. Historische ontwikkeling van de staatkundige bovenbouw
    3.1 De vorming van sovjetmacht en de proletarische democratie
    3.2 De grondwet van de Russische Republiek van 1918
    3.3 De grondwet van de USSR van 1924
    3.4 De grondwet van 1936
    3.5 De grondwet van 1977
  4. Samenvatting
    4.1 De positie van de socialistische bovenbouw in de geschiedenis
    4.2 Het klassenkarakter van de staat in de socialistische opbouw
    4.3 De rol van de subjectieve factor
  5. Nawoord

1. Inleiding

De afgelopen jaren staan de rechten van de werkende bevolking onder grote druk. Zo hebben mensen op papier recht op publieke voorzieningen, zoals sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting (‘sociale grondrechten’). Maar in de praktijk wordt er op zulke publieke voorzieningen flink bezuinigd, worden ze gecommercialiseerd en blijken ze voor steeds meer mensen ontoegankelijk duur. Arbeidsrechten worden steeds verder uitgekleed, zoals met de druk vanuit het kapitaal op de uitbreiding van de arbeidstijd of het ophogen van de pensioenleeftijd. Ook de rechten op politieke vrijheden, zoals gelijke behandeling, vrije meningsuiting, privacy en vakbondsrechten, staan onder druk. Hoewel ‘gelijke behandeling’ formeel is vastgelegd in de wet, blijkt in de praktijk dat er weinig wordt ondernomen tegen discriminatie van vrouwen en minderheden, of worden deze zaken soms juist door de burgerlijke politiek in de hand gewerkt. Onder het mom van een ‘weerbare democratie’ en ‘veiligheid’ worden wetten doorgevoerd waarmee politieke partijen kunnen worden vervolgd, niet op basis van misdaden maar op basis van de inhoud van hun programma, terwijl bevoegdheden voor politieke en veiligheidsdiensten worden uitgebreid. Vakbonden worden met enorme restricties geconfronteerd, in het bijzonder als ze activiteiten ondernemen buiten de kaders van cao-onderhandelingen. Stakingen en acties van de afgelopen periode, onder andere voor arbeidsrechten, publieke voorzieningen, betaalbare woningen en tegen discriminatie en geweld tegen vrouwen, laten zien dat de arbeidersklasse geen genoegen neemt met de afbraak van haar rechten.

De achteruitgang van de afgelopen decennia staat in schril contrast met de manier waarop deze en vele andere rechten in de Sovjet-Unie werden verankerd. Zo werd een paar dagen na de Oktoberrevolutie in 1917 al de achturige werkdag ingevoerd, in een tijd dat 12 of 14-urige werkdagen of zelfs langer de norm waren, en werd in 1936 het recht op rust (oftewel vrije tijd en recreatie) uitgebreid in de Grondwet van de USSR vastgelegd.1 Maar de grondwet gaat verder dan het formeel verkondigen van dit recht. Er wordt concreet beschreven hoe de werkdag verder wordt verkort tot 7 uur voor het grootste gedeelte van de arbeiders, dat betaalde vakanties worden ingevoerd en welke faciliteiten worden opgezet om op een tastbare manier invulling te geven aan het recht op rust. Zoiets zien we ook in de manier waarop het recht op onderwijs wordt vastgelegd: “Dit recht wordt gewaarborgd door universeel verplicht basisonderwijs; door onderwijs, inclusief hoger onderwijs, dat gratis is; door het systeem van overheidstoelagen voor de overgrote meerderheid van de studenten aan universiteiten en hogescholen; door onderwijs op scholen in de moedertaal en door de organisatie in fabrieken, staatsboerderijen, machine- en tractorstations en collectieve boerderijen van gratis beroepsopleidingen, technische opleidingen en landbouwopleidingen voor de werkende bevolking.”2 Op overeenkomstige wijze zien we bijvoorbeeld dat vrouwen niet alleen formeel als gelijk worden gezien, bijvoorbeeld met erkenning van het kiesrecht of recht op echtscheiding direct na de Oktoberrevolutie (rechten die in de kapitalistische landen indertijd enkel voorbehouden waren aan rijke mannen), maar dat hier concreet invulling aan gegeven wordt: “De mogelijkheid om deze rechten uit te oefenen wordt aan vrouwen gegarandeerd door hun een gelijk recht op arbeid, betaling voor werk, rust en vrije tijd, sociale zekerheid en onderwijs toe te kennen, en door de bescherming van de belangen van moeder en kind door de staat, het volledig doorbetaalde zwangerschaps- en bevallingsverlof en de terbeschikkingstelling van een uitgebreid netwerk van kraamklinieken, kinderdagverblijven en kleuterscholen.”3

De rode draad is dat aan de rechten die in de Sovjetgrondwet worden opgetekend, gelijk de voorwaarden worden gesteld die noodzakelijk zijn om ze te realiseren. Want in tegenstelling tot het burgerlijk recht, dat grondrechten ziet als rechten van het individu, werden deze rechten in de Sovjet-Unie in de eerste plaats erkend als maatschappelijke rechten. Op maatschappelijk niveau is het evident dat rechten niet kunnen bestaan zonder plichten. Bijvoorbeeld het recht op rust en recreatie blijft een papieren werkelijkheid voor veel mensen, zolang dit niet wordt vergezeld van de plicht dat er een maximale werkdag wordt ingesteld, de plicht dat werkers voldoende doorbetaalde vakantie krijgen en de plicht om voor iedereen toegankelijke en betaalbare horecafaciliteiten te creëren.

We zien hierin een totaal andere omgang met wetgeving, rechten en de manier waarop deze worden verwezenlijkt. Het feit dat deze rechten in de USSR werden verankerd, vormt een greep uit de verworvenheden van de arbeidersklasse die mogelijk werden gemaakt door het socialisme. Zonder dat we daarbij overigens moeten miskennen dat er talloze problemen en uitdagingen waren, ook met betrekking tot vastgestelde rechten. Het gaat om een groot land, dat begon met een achtergestelde en door (burger-) oorlogen geteisterde economie, met afgelegen regio’s waar nauwelijks infrastructuur bestond, in zeer complexe historische omstandigheden van hevige klassenstrijd en oorlogen. Het is echter onmiskenbaar dat de arbeidersklasse in de Sovjet-Unie voor het eerst in de geschiedenis een reeks rechten verwierf, rechten die het kapitalisme een eeuw later nog niet veiligstelt.

De verankering van deze rechten, niet alleen op papier maar ook in de praktijk, kan niet los worden gezien van de verhoudingen in de economie. De opbouw van socialistische productieverhoudingen, waarin niet de kapitalistische winst maar de behoeften van de mens centraal staan, vormden de economische basis voor de rechten die de arbeidersklasse verwierf in de socialistische opbouw.

Maar de verhouding tussen economische basis en de (staatkundige) bovenbouw is dialectisch. Het is een wederkerige relatie van wederzijdse beïnvloeding. De productieverhoudingen bepalen het klassenkarakter van de staat en algemener van de politieke, juridische en culturele bovenbouw. Maar de bovenbouw oefent ook invloed uit op de ontwikkeling van de productieverhoudingen. Zij kan deze bevorderen of juist afremmen.

Over de historische ontwikkeling van de economie van de Sovjet-Unie en de bijbehorende theoretische vraagstukken van de politieke economie heeft de NCPN de afgelopen tijd een reeks stukken gepubliceerd, in het kader van de studie die de NCPN verricht naar de socialistische opbouw.4 Die economische basis vormt immers logischerwijs het startpunt om de historische ervaringen van de socialistische opbouw in de USSR te bestuderen. In het verlengde van die stukken, die zich vooral bezighielden met de ontwikkelingen in de economische basis, vormt dit een eerste aanzet voor een analyse over de ontwikkelingen in de bovenbouw van de USSR.

Wanneer we spreken over de bovenbouw hebben we het over een reusachtig geheel aan verschillende aspecten die we niet allemaal kunnen belichten. We richten ons in dit stuk specifiek op de staatkundige ontwikkeling in de USSR aan de hand van de vorming en aanpassing van de grondwetten die de USSR heeft gekend, en het vraagstuk van de dialectische wisselwerking tussen de ontwikkelingen in de structuur van de arbeidersmacht, zoals die in het verloop van de staatkundige ontwikkeling van de USSR werd vormgegeven, met de historische ontwikkelingen in de economische verhoudingen.

Omdat dit stuk een introducerend karakter heeft in de studie van de bovenbouw in het socialisme, zullen we in de eerste plaats de theoretische achtergrond van de staat in het algemeen en het karakter van de socialistische arbeidersstaat in het bijzonder uitlichten. We gaan daarbij specifieker in op de kenmerken van de socialistische democratie, het karakter van de grondwet in de socialistische staat en op het concept van de ‘scheiding der machten’. Vervolgens richten we ons meer specifiek op de historische ervaring van de Sovjet-Unie, de vorming van de sovjets en hun rol in de socialistische revolutie en opbouw. Dan volgt een historisch overzicht dat aan de hand van vier grondwetten die van kracht zijn geweest de belangrijkste staatkundige veranderingen tracht te belichten. Als eerste de grondwet van de Russische Republiek die werd ingevoerd in 1918 na de revolutie, ten tweede de eerste grondwet van de USSR als geheel in 1924, als derde de grondwet van de USSR uit 1936, en ten vierde die uit 1977. We benaderen deze ontwikkelingen in de historische context, al zullen we daarin heel beknopt zijn omwille van de omvang van dit artikel. We besteden ook aandacht aan de uitwerking van de theorie van de CPSU over de staat, in het bijzonder de theorie van de ‘algemene volksstaat’ die vanaf het 22ste Congres werd gehanteerd. Naar aanleiding van dit overzicht van de historische ontwikkeling van de staatkundige bovenbouw in de USSR zullen we een aantal conclusies trekken. De rol van de communistische partij in de socialistische staat is een erg belangrijk vraagstuk dat we hier echter weinig aandacht schenken, omdat we daarover een apart stuk publiceren.5

Deze studie is voor de arbeidersbeweging van belang, enerzijds om deze historische ervaringen en lessen te verwerken in de toekomstige vorming van de socialistische bovenbouw, maar anderzijds ook om vandaag de dag het perspectief op en de strijd voor het socialisme te versterken.

2. Theoretische achtergrond

2.1 De dictatuur van het proletariaat

We onderzoeken de ontwikkeling van de socialistische staat van de USSR, maar wat is de staat eigenlijk in het algemeen, en wat houdt specifiek het karakter van een socialistische staat in?

De staat heeft niet altijd bestaan, maar is historisch ontstaan en heeft zich historisch ontwikkeld. In oermaatschappijen, waarin het lage ontwikkelingsniveau van de technologie nog niet de productie van een meerproduct6 toestond, bestonden wel bepaalde gebruiken en taakverdeling, maar was er nog geen sprake van een onderscheiden apparaat dat zich uitsluitend bezighield met bestuur en repressie. Pas met de verdeling van maatschappij in klassen ontstaat de mogelijkheid en de noodzaak van een staat.7 Engels schreef: “De staat is dus niet van alle eeuwigheid. Er zijn maatschappijen geweest die het zonder hem klaarspeelden, die van staat en staatsmacht geen begrip hadden. Op een bepaalde trap van de economische ontwikkeling, die noodzakelijk met de splitsing van de maatschappij in klassen verbonden was, werd door deze splitsing de staat nodig.”8

De historische oorsprong van de staat toont aan dat de staat geen neutraal karakter heeft. De staat staat niet boven of naast de klassenmaatschappij, maar komt er uit voort en geeft uitdrukking aan het belang van de heersende klasse. De staat is in wezen het onderdrukkingsapparaat van de heersende klasse. Op die manier heeft de staat ook een actieve rol in de klassenstrijd.

De staat behoort tot de bovenbouw, die zich altijd ontwikkelt op basis van, en in een dialectische wisselwerking met, de economische basis.9 De productieverhoudingen bepalen uiteindelijk ook het klassenkarakter van de staat. De staat die overeenkomt met de kapitalistische productiewijze is de burgerlijke staat oftewel de dictatuur van de bourgeoisie. Deze kan verschillende vormen aannemen: van parlementaire democratie tot militaire dictatuur, maar het is en blijft in de kern een staat die als doel heeft de heerschappij en belangen van de kapitalistenklasse veilig te stellen.

De socialistische democratie, zoals de USSR, is een dictatuur van het proletariaat. Het is dus een staat die de heerschappij en belangen van de arbeidersklasse veiligstelt. De dictatuur van het proletariaat ontstaat met de socialistische revolutie, waarmee de burgerlijke macht wordt omvergeworpen en de arbeidersklasse haar eigen macht vestigt. Het gaat daarbij niet om een simpele wijziging in de samenstelling van de regering. Het bestaande burgerlijke staatsapparaat kan niet kant-en-klaar worden overgenomen wanneer de arbeidersklasse de macht neemt. Met de revolutie wordt de burgerlijke staat ‘stukgeslagen’ en in de revolutionaire strijd vormen zich de nieuwe, werkelijk democratische machtsorganen van de arbeidersstaat die de opbouw van het socialisme-communisme kan verwezenlijken.

In tegenstelling tot de kapitalistische staat, die met de burgerlijke revoluties ontstond nadat de kapitalistische verhoudingen zich reeds hadden ontwikkeld in de schoot van de in verval geraakte feodale maatschappij, kunnen de communistische productieverhoudingen niet al in de kapitalistische maatschappij ontstaan. Het kapitalisme creëert, met de vermaatschappelijking van de arbeid en de ontwikkeling van de productiekrachten, slechts de materiële voorwaarden voor de overgang naar de communistische productieverhoudingen. Maar pas nadat de arbeidersklasse de macht neemt kan de vermaatschappelijking van de productiemiddelen plaatsvinden en kan de socialistische economie worden opgebouwd.

Een andere bijzonderheid van de dictatuur van het proletariaat, is dat het de eerste en enige staat in de geschiedenis is die uitdrukking geeft aan het klassenbelang van de uitgebuite in plaats van de uitbuitende klasse. Het belang van de meerderheid in plaats van de minderheid. Daarom dient hij dus niet om klassenverschillen en uitbuiting in stand te houden, maar juist om deze te bestrijden en uiteindelijk uit te bannen. Zoals Lenin schrijft: “De uitbuitende klassen hebben de politieke heerschappij nodig in het belang van de instandhouding van de uitbuiting, d.w.z. in het zelfzuchtige belang van een uiterst kleine minderheid tegenover de ontzaglijke meerderheid van het volk. De uitgebuite klassen hebben de politieke heerschappij nodig in het belang van de volledige opheffing van elke soort van uitbuiting, d.w.z. in het belang van de ontzaglijke meerderheid van het volk tegenover de uiterst geringe minderheid van moderne slavenhouders - de grootgrondbezitters en kapitalisten.”10

De arbeidersklasse gebruikt de staatsmacht om de communistische productieverhoudingen op te bouwen. Het private eigendom, dat de basis vormt voor de uitbuiting van de mens door de mens, wordt afgeschaft en de productiemiddelen worden vermaatschappelijkt. De anarchie van de markt maakt plaats voor de centrale planning, waarbij de economie niet langer de winsten van het grootkapitaal als doel heeft, maar het voorzien in de behoeften van de bevolking.

Naarmate de communistische productieverhoudingen overheersen, verdwijnen de klassenverschillen. Het communisme is een klasseloze maatschappij. In zo’n maatschappij is geen noodzaak meer voor een repressieapparaat van de heersende klasse. De taken voor het organiseren van de economie en maatschappij blijven bestaan, maar ze verliezen hun politieke karakter en hebben dus niet meer de functie om de ene klasse te onderdrukken in het belang van de andere, aangezien er geen sprake meer zal zijn van klassentegenstellingen. Daarom is er geen sprake meer van een staat. Dat wil niet zeggen dat de dictatuur van het proletariaat in het communisme wordt ‘afgeschaft’, met een decreet, maar dat de staat afsterft in het verloop van de opbouw van de klasseloze, communistische maatschappij.

De vestiging van het communisme gaat echter niet van de een op de andere dag. Het is een proces. Met de socialistische revolutie worden in eerste instantie de geconcentreerde productiemiddelen vermaatschappelijkt en begint de fase van de socialistische opbouw. Het socialisme vormt de lagere, onontwikkelde fase van het communisme, waarin allerlei tegenstellingen uit het kapitalisme nog bestaan en overwonnen moeten worden. Bijvoorbeeld de tegenstelling tussen verschillende klassen die dan nog bestaan, maar ook tussen geestelijke en lichamelijk arbeid, besturend en uitvoerend werk etc. Het socialisme is echter geen aparte socio-economische formatie, zoals het feodalisme en kapitalisme dat bijvoorbeeld wel zijn, maar een onontwikkelde fase van de communistische formatie.

De klassenstrijd gaat door in de periode van de socialistische opbouw. Lenin schreef: “En de klassen zijn blijven bestaan en zullen gedurende het tijdperk van de dictatuur van het proletariaat blijven bestaan. De dictatuur zal niet langer nodig zijn wanneer de klassen verdwenen zijn. Zonder de dictatuur van het proletariaat zullen ze niet verdwijnen.”11 De bourgeoisie zal vanuit sommige lagen in de samenleving nog op steun kunnen rekenen, niet in de laatste plaats ook vanuit het internationale kapitaal. De volledige afschaffing van klassen en klassentegenstellingen, evenals andere vormen van maatschappelijke ongelijkheid, is een taak voor de lange termijn. De dictatuur van het proletariaat voert de klassenstrijd tot dit bereikt is.

De dictatuur van het proletariaat is een democratie, en wel een proletarische democratie. Belangrijke principes zijn onder andere: de directe en indirecte verkiezing van alle machtsorganen (niet alleen de organen met wetgevende functie), verkiezing in eerste instantie aan de basis (werkplek, onderwijsinstelling etc.), het parlement als een werkend lichaam (niet met professionele parlementariërs, maar met vertegenwoordigers en functionarissen die naast hun verkozen functie blijven werken en zo betrokken zijn bij de uitvoering en controle van besluiten), geen financieel voordeel voor gekozen functies (voor de tijd die mensen aan een verkozen functie besteden ontvangen ze niet meer dan hun gemiddelde uurloon), vertegenwoordigers leggen verantwoording af aan en worden gecontroleerd door de bevolking die ze gekozen heeft, alle vertegenwoordigers zijn herroepbaar (ze kunnen dus op ieder moment dat het volk dat besluit worden afgezet), democratisch centralisme etc. We zullen nog uitgebreid terugkomen op deze aspecten van de proletarische democratie.

De dictatuur van het proletariaat is de macht van de arbeidersklasse, niet een dictatuur of macht van de communistische partij. Wanneer de omstandigheden voor een revolutie zich voordoen, is het aan de georganiseerde arbeiders geleid door de communistische partij om onder andere controle te winnen over de productie en de revolutie te beschermen. De arbeidersklasse moet actief worden betrokken bij de socialistische opbouw en gemobiliseerd en gestimuleerd om te deel te nemen aan de nieuw gevormde organen van arbeidersmacht. Via de nieuwe arbeidersstaat voert de werkende klasse haar “zelfstandige, historische scheppingskracht” uit.12 De communistische partij blijft ook onder de omstandigheden van de socialistische opbouw haar voorhoederol behouden en speelt een belangrijke rol in het mobiliseren en leiden van de werkende klasse in de socialistische opbouw en het verder ontwikkelen van de revolutionaire theorie en strategie. Omdat we overigens een ander stuk publiceren dat specifiek ingaat op de rol van de communistische partij in de socialistische opbouw, staat dat vraagstuk hier minder centraal.13

Dit inzicht in de rol van de arbeidersklasse in de socialistische staat is van fundamenteel belang en werd ook benadrukt door Lenin. In 1918 zet Lenin een aantal van de belangrijkste uitdagingen van het moment uiteen in het pamflet De actuele taken van de Sovjet-macht. Zo schrijft hij dat de partij de meerderheid van het volk moet weten te overtuigen van de juistheid van haar programma en tactieken. Haar belangrijkste taak ligt volgens Lenin op dat punt echter in het implementeren van een nieuw systeem van organisatie en beheer: “Wij, de partij van de bolsjewiki, hebben Rusland overtuigd. We hebben Rusland op de rijken voor de armen, op de uitbuiters voor de arbeiders veroverd. Wij moeten thans Rusland besturen.”14 Met ‘besturen’ doelt Lenin op het praktisch organiseren van het economische leven. Het citaat moet echter niet worden geïnterpreteerd alsof dit iets is wat alleen de partij aangaat. Haar taak ligt juist in het feit dat de arbeidersklasse dit zelf moet gaan leren. De arbeidersmacht, die in de USSR tot uiting kwam in de sovjets en waar we later uitgebreider op terug zullen komen, speelt hier een sleutelrol in: “Het socialistische karakter van het Sovjet-democratisme, d.w.z. van het proletarische democratisme in zijn concrete, gegeven toepassing, bestaat (…) ten derde hierin, dat de beste massaorganisatie van de voorhoede der werkers, het grootindustriële proletariaat, wordt geschapen, die het aan het proletariaat veroorlooft leiding te geven aan de meest omvangrijke massa's der uitgebuiten, hen in het zelfstandige politieke leven te betrekken, hen aan de hand van hun eigen ervaring politiek op te voeden; dat er op deze wijze voor de eerste maal een begin mee wordt gemaakt, dat de bevolking werkelijk zonder uitzondering leert regeren en begint te besturen.”15 Tijdens de socialistische opbouw is het dus noodzakelijk dat de arbeidersklasse zelf leert zelf de productie te beheren op de verschillende niveaus waarop arbeidersmacht gevormd wordt en via deze organen deel te nemen aan het politieke proces. Dat deze rol juist voor de arbeidersklasse is weggelegd, heeft te maken met haar objectieve positie in de productie. In het werk en in de klassenstrijd wordt deze klasse gedisciplineerd en verwerft zij het waarden, idealen en vermogen om collectief te werken, die haar in staat stellen om in het socialisme deze rol te nemen.

2.2 De socialistische grondwet

In de meeste burgerlijke staten die een constitutioneel stelsel16 hebben, wordt de grondwet gezien als de ‘grondslag’ of het ‘fundament’ van de staat, die de democratische rechtsorde zou ‘waarborgen’. “De Grondwet waarborgt de grondrechten en de democratische rechtsstaat”, zo luidt bijvoorbeeld de eerste algemene bepaling van de Nederlandse grondwet. De macht van de verschillende (wetgevende, uitvoerende, rechtsprekende en andere) machtsorganen zou voortvloeien uit de grondwet. Vanuit dat opzicht wordt de grondwet en de zogenaamd daarop gebaseerde macht verheerlijkt als iets wat burgers moeten eerbiedigen en zelfs de plicht hebben om te verdedigen.

Deze benadering verhult het klassenkarakter van de burgerlijke grondwet. Hij verhult de bepalende rol van de economische basis, het kapitalistische eigendom en de kapitalistische uitbuitingsverhoudingen, die de werkelijke grondslag zijn voor de burgerlijke macht en het burgerlijk recht.

In de socialistische grondwet komt het klassenkarakter van de nieuwe macht openlijk tot uitdrukking. Het bevat, in overeenstemming met de nieuwe economische verhoudingen zoals het maatschappelijk eigendom en de centrale planning, de principes voor de structuur en het functioneren van de socialistische staat, de bevoegdheden van en verhouding tussen machtsorganen, en de procedure voor de verkiezing, controle en herroeping van vertegenwoordigers.

De socialistische grondwet weerspiegelt enerzijds het creatieve, scholende aspect van de arbeidersmacht; het belang van de bewuste en actieve deelname van de arbeidersklasse in de uitoefening van de macht. Hij weerspiegelt het doel van de socialistische productiewijze, namelijk het dekken van de uitbreidende maatschappelijke behoeften.

Anderzijds weerspiegelt de socialistische grondwet ook de repressieve functie van de arbeidersstaat en het belang van het effectief verdedigen van de socialistische revolutie en verworvenheden tegenover contrarevolutionaire elementen, met name de kapitalistenklasse in binnen- en buitenland.

De grondwet wordt echter in het socialistisch recht niet alleen gezien als weerspiegeling van de nieuwe verhoudingen, maar ook als een factor in de dialectische consolidering en verdere ontwikkeling daarvan. De grondwet wordt daarom niet gezien als een ‘heilig boek’, maar als een document dat regelmatig moet worden herzien en aangepast aan nieuwe behoeften en mogelijkheden die ontstaan in de socialistische opbouw.

De discussie en stemming over de vorming of wijziging van de grondwet wordt in het socialistisch recht dan ook niet gezien als een kwestie die alleen een groep ‘wijzen’ of de hoogste machtsorganen aangaat, maar de gehele bevolking.

2.3 Over de zogenaamde ‘scheiding der machten’

Het burgerlijk recht ziet de ‘scheiding der machten’, namelijk de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht die elkaar zouden controleren, als een hoeksteen van de rechtsstaat en democratie. De scheiding der machten speelde historisch een progressieve rol in de strijd van de burgerij tegen het absolutisme, waar het ontstond als een compromis tussen vorst, adel en de opkomende burgerij. Deze rol verandert met de vestiging van de burgerlijke macht en de afbraak van de invloed van de feodale adel in de loop van de 19e eeuw. Vandaag de dag verhult de zogenaamde ‘scheiding der machten’ vooral de eenheid van de burgerlijke macht als dictatuur van het kapitaal. Tegelijkertijd weerspiegelt het een noodzakelijke en praktische verdeling van taken en bevoegdheden tussen verschillende staatsorganen, die juist de handhaving van de onverdeelde klassenheerschappij van het kapitaal vergemakkelijkt.

Overigens kent geen enkele burgerlijke staat een echte ‘scheiding der machten’, ook Nederland niet. Immers neemt het kabinet (uitvoerende macht) het voortouw in de uitwerking van wetgeving, ondanks dat de Tweede Kamer formeel recht van initiatief heeft. Bovendien valt het openbaar ministerie (staande rechterlijke macht) onder verantwoordelijkheid van de minister van Justitie (uitvoerende macht) en worden rechters ook benoemd bij koninklijk besluit (dus door de uitvoerende macht) en in het geval van de Hoge Raad ook door de Tweede Kamer (wetgevende macht), wat schuurt met het idee van onafhankelijke rechtspraak. De rechtspraak moet ook onpartijdig zijn, maar ook de onvooringenomen rechter doet uitspraken op basis van de wet, die door de wetgevende (en zoals we hebben gezien ook uitvoerende) macht wordt bepaald en inhoudelijk niet onpartijdig is.17 De Raad van State (rechterlijke macht) wordt benoemd door de kroon (uitvoerende macht) en bemoeit zich als adviesorgaan met zowel de wetgevende als uitvoerende macht, waarbij de Raad van State in verschillende afdelingen is onderverdeeld omdat de burgerlijke politiek op een gegeven moment zelf ook doorhad hoe krom dit is. Zelfs burgerlijke juristen spreken veelal van een ‘spreiding der machten’ omdat er van scheiding niet echt sprake is. Al deze onderlinge afhankelijkheden van in naam gescheiden machten, onthullen dat achter de façade van een ‘scheiding der machten’ een verenigde staatsmacht schuilgaat die de belangen van de kapitalistenklasse dient.

Voor marxisten, die als uitgangspunt hebben dat de arbeidersklasse zelf de macht moet nemen, is het evident dat de macht niet geconcentreerd mag zijn bij één persoon of organisatie. Maar het socialistisch recht erkent geen denkbeeldige ‘scheiding der machten’ zoals die in het burgerlijk recht wordt begrepen, namelijk dat de democratie of rechtstaat zou kunnen worden gewaarborgd door machten te scheiden die elkaar zouden controleren. De proletarische democratie wordt gewaarborgd doordat de machtsuitoefening direct ligt bij de werkende klasse zelf en door haar verkozen en gecontroleerde revolutionaire machtsorganen, met wetgevende, uitvoerende en rechterlijke bevoegdheden. Vanzelfsprekend is verdeling van taken en bevoegdheden praktisch nodig en zullen verschillende organen en structuren worden georganiseerd, ondersteund door gespecialiseerd personeel. Die organen zullen ook elkaar controleren – we ontkennen het belang daarvan zeker niet. Maar de machtsorganen zijn – of hun functie nou wetgevend, uitvoerend, rechtelijk of van andere aard is – altijd verkozen door, verantwoording verschuldigd aan, en gecontroleerd en herroepbaar door de bevolking. Dat is wat ze open, transparant, controleerbaar en democratisch maakt, en hoe de bevolking wordt betrokken bij de uitoefening van de macht.

De democratie wordt dus niet zozeer gewaarborgd doordat organen elkaar controleren, maar doordat zij allemaal direct door het volk gecontroleerd worden. Er is in die zin zeker sprake van een ‘scheiding’ en geen concentratie van macht bij één persoon of organisatie, zonder echter te verhullen dat de onverdeelde macht van het proletariaat ten grondslag ligt aan elk orgaan van de arbeidersstaat.

3. Historische ontwikkeling van de staatkundige bovenbouw

3.1 De vorming van sovjetmacht en de proletarische democratie

In de arbeidersmacht, zoals deze in de Sovjet-Unie vorm kreeg, speelden de sovjets een centrale rol. De eerste sovjets ontstonden tijdens de massale stakingen in mei 1905 en speelden vervolgens een belangrijke rol in de opstand die dat jaar plaatsvond. In de Februarirevolutie van 1917 gebeurt dit opnieuw; er worden sovjets met vertegenwoordigers van arbeiders en soldaten opgezet en er ontstaan steeds meer sovjets van boeren.18 In de maanden voorafgaand aan de Oktoberrevolutie voorzag Lenin dat de sovjets de dictatuur van het proletariaat konden vormen.19 De revolutionaire strijdorganisaties die de arbeidersklasse vormt in de klassenstrijd, zijn als het ware de embryo’s van de toekomstige arbeidersstaat.

Deze inschatting werd enkele maanden later bevestigd, wanneer met de socialistische Oktoberrevolutie de macht werd overgedragen aan de Sovjets. Het is dan 7 november (25 oktober volgens de oude kalender). Terwijl het Winterpaleis, waar de Provisionele Regering zat, werd bestormd door de gewapende werkers en de soldaten die zich bij hen hadden aangesloten, kwam het 2e Congres van de Sovjets bij elkaar, dat besloot dat alle macht overgaat naar de sovjets. Dat Congres ging de volgende dag door en besloot tot het instellen van een Raad van Volkscommissarissen als bestuur of regering, dat verantwoording aflegt aan het Congres van Sovjets. De ministeries en andere centrale organen van de burgerlijke staat werden afgeschaft.

Als strijdorganisaties van de arbeidersklasse en arme volkslagen vormden de sovjets een front dat in de praktijk de arbeidersmacht en arbeiderscontrole kon instellen in fabrieken, het bankwezen, de landbouw en (publieke) diensten. Gedurende de revolutie hadden de arbeiders in Petersburg al de controle genomen over strategische sectoren, zoals de centrale bank, grote fabrieken en communicatiemiddelen. In de weken die volgen worden allerlei revolutionaire maatregelen genomen. Zo worden het grondbezit en andere productiemiddelen van grootgrondbezitters, de familie van de tsaar, kloosters en kerken onteigend en ter beschikking gesteld aan de sovjets van de boeren. Alle adellijke en politieke titels, posities en voorrechten uit het tsaristische regime worden afgeschaft. De gelijkheid en het recht op zelfbeschikking van alle volkeren werd erkend, een belangrijkste stap in de historische context waarin vele volkeren in Sovjet-Rusland werden onderdrukt en het nationale vraagstuk een belangrijke rol speelde in de revolutionaire strijd.20

Maar vanuit staatkundig perspectief wordt een belangrijk document op 16 januari 1918 (3 januari) opgesteld en met overgrote meerderheid aangenomen door het Centraal Uitvoerend Comité (orgaan dat door het Congres van de Sovjets werd verkozen en als hoogste orgaan diende tussen de zittingen van het Congres). Dat document was de Verklaring van de Rechten van de Werkende en Uitgebuite Mensen, en vormde de basis voor de eerste grondwet van Sovjet-Rusland.

In die verklaring stond nogmaals dat alle macht aan de sovjets toekomt. Het formuleerde ook het doel van de Sovjetrepubliek: “Het fundamentele doel ervan is alle uitbuiting van mens door mens af te schaffen, de opdeling van de samenleving in klassen volledig te elimineren, het verzet van de uitbuiters vastberaden te breken, een socialistische organisatie van de samenleving tot stand te brengen en de overwinning van het socialisme in alle landen te bewerkstelligen.” Op die basis besloot het ook tot afschaffing van privaat eigendom van land en banken. Ook werd de arbeiderscontrole in fabrieken, mijnen, spoorwegen en andere geconcentreerde productiemiddelen, die in eerdere sovjetwetgeving reeds was uitgewerkt en gekenmerkt als “een eerste stap naar de volledige omvorming (…) tot eigendom van de arbeiders- en boerenstaat.”21

Dit zijn belangrijke besluiten, die het karakter bepalen van de macht die uit de Oktoberrevolutie ontstond. Eerder zagen we dat de vermaatschappelijking van de productiemiddelen pas kan plaatsvinden wanneer de arbeidersklasse de macht neemt. Het maatschappelijk eigendom in de productieverhoudingen vereist een staatsmacht met een proletarische maatschappelijke en klasse-inhoud. Maar tegelijkertijd wordt het maatschappelijke klassekarakter van de staat bepaald door het maatschappelijke eigendom. De dictatuur van het proletariaat betekent immers dat degenen die de rijkdom creëren zelf actief deelnemen aan het bestuur. Dat maakt de dictatuur van het proletariaat een hogere vorm van democratie en een hogere vorm van organisatie van de economie en maatschappij.

Het belang hiervan mag niet worden onderschat en het was ook geen vanzelfsprekendheid. Deze verklaring kwam uit de arbeidersbeweging, die het voortouw had genomen in de Oktoberrevolutie. De kleinburgerij had een eigen agenda. Op 18 januari kwamen vertegenwoordigers van voornamelijk kleinburgerlijke lagen van de bevolking – die nog tijdens de periode van de Voorlopige Regering waren gekozen – samen voor een ‘Grondwetgevende Vergadering’, met als doel een nieuwe grondwet te vormen na de omverwerping van de Voorlopige Regering. Het is onder andere met het oog op deze vergadering dat de sovjets de Verklaring van de Rechten van de Werkende en Uitgebuite Mensen hadden opgesteld. Er vond dus een politieke strijd plaats over het klassekarakter van de staatsmacht die zich vormde uit de Oktoberrevolutie. Een strijd die werd gewonnen door de proletarische elementen, met de ontbinding van de ‘Grondwetgevende Vergadering’ en de erkenning dat de macht aan de sovjets toebehoort. Op 25 januari wordt de verklaring ook bekrachtigd door het 3e Congres van de Sovjets, die op basis van deze verklaring opdracht gaf tot de vorming van de eerste sovjetgrondwet.

Het zou echter nog een half jaar duren voordat Sovjet-Rusland zijn eerste grondwet krijgt. Maar in de laatste maanden van 1917 en de loop van 1918 worden al een reeks revolutionaire decreten opgesteld, waarmee de nieuwe staatsvorm en haar organen al vorm krijgen als dictatuur van het proletariaat. We zullen een aantal daarvan uitlichten, die tonen hoe de eerdergenoemde principes van de proletarische democratie in de praktijk werden gebracht.

Een voorbeeld daarvan is een decreet uit november 1917 met revolutionaire besluiten omtrent de rechtspraak. Deze nieuwe omstandigheden vroegen uiteraard om de nodige aanpassingen. Het oude rechtssysteem kon niet langer in stand worden gehouden en er moest een stelsel worden opgezet dat overeenkwam met de socialistische basis (in opbouw) en de rol van de staat als dictatuur van het proletariaat. In dat decreet wordt onder andere besloten “om alle bestaande algemene juridische instellingen af te schaffen, zoals rechtbanken, gerechtshoven en de Senaat met al zijn afdelingen, militaire en maritieme rechtbanken van alle rangen en handelsrechtbanken; om al deze instellingen te vervangen door rechtbanken die zijn opgericht op basis van democratische verkiezingen.” Ook stelt het decreet: “Lokale rechters worden voortaan gekozen op basis van rechtstreekse democratische verkiezingen, en totdat deze verkiezingen hebben plaatsgevonden, worden zij voorlopig benoemd door districts- en volost-sovjets, of, bij gebrek daaraan, door uezd-, stads- of gubernia-sovjets van afgevaardigden van arbeiders, soldaten en boeren.”22 Op respectievelijke wijze werd niet alleen voor de organen van de rechtelijke macht, maar voor alle machtsorganen in de sovjetstaat bepaald dat deze door het volk werden verkozen. Kortom, alle machtsorganen van de sovjetstaat worden verkozen door de bevolking.

Naast dat alle machtsorganen worden verkozen, wordt in 1917 het recht op herroeping in een decreet vastgelegd. Vertegenwoordigers, mensen in bestuursposities, rechters en alle andere functionarissen en posities binnen alle sovjets werden hiermee herroepbaar. De onderbouwing hiervoor stelt dat werkelijke democratie alleen mogelijk is onder voorwaarde dat verkozen organen ook kunnen worden teruggeroepen op het moment dat zij niet de wil uitdrukken van het volk dat hen verkiest. Lenin schrijft hierover het volgende: “De Sovjets zijn door de arbeiders zelf opgericht, dankzij hun revolutionaire energie en initiatief, en dat is de enige garantie dat ze volledig in het belang van de massa's werken. Het werkelijk volkskarakter van de Sovjets blijkt uit het feit dat elke boer zijn vertegenwoordigers naar de Sovjet stuurt en ook het recht heeft om die terug te roepen.”23 Vertegenwoordigers en functionarissen worden dus niet alleen verkozen door het volk, maar leggen ook verantwoording af en worden gecontroleerd door degenen die zij representeren, die altijd het recht hebben hun vertegenwoordigers te herroepen.

In deze en andere maatregelen die het staatsbestel van de arbeidersstaat vormgeven zien we ook duidelijk de onverdeelde arbeidersmacht, waarbij de bevolking die de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende organen kiest en controleert. Dit staat in contrast met de burgerlijke façade van de zogenaamde ‘scheiding der machten’, waarin deze organen niet door het volk maar door elkaar zouden moeten worden gecontroleerd, terwijl ze op allerlei manieren van elkaar afhankelijk zijn en uiting geven aan de macht van de kapitalistenklasse.

In 1919 stelt Lenin in de context van het Eerste Congres van de Communistische Internationale een aantal stellingen op over het functioneren van de dictatuur van het proletariaat aan de hand van het sovjetsysteem in contrast met de burgerlijke parlementaire democratie. Zoals eerder genoemd, vertegenwoordigt de burgerlijke staat ongeacht haar vorm de dictatuur van de bourgeoisie. De parlementaire democratieën schuwen ook niet om repressieve middelen in te zetten op het moment dat de georganiseerde werkende klasse een bedreiging vormt voor het kapitaal. Lenin noemt de moord op Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht als voorbeeld hiervan. Het stuk dat Lenin schrijft, komt tot stand binnen de context van de misvattingen en burgerlijke verdraaiingen die er in de tijd over het sovjetsysteem ontstaan; het idee dat het sovjetsysteem als dictatuur van het proletariaat in strijd is met ‘zuivere democratie’. Een term die Lenin verwerpt omdat het klassenkarakter van verschillende staatsvormen erdoor ontkend wordt.24 Een ‘zuivere democratie’ bestaat niet, en de Sovjet-Unie was dan ook een proletarische democratie.

In contrast met het burgerlijke politieke systeem, bestaat de sovjetstaat als resultaat van de massale organisatie van de onder het kapitalisme onderdrukte klassen. Via de sovjets neemt het volk actief deel aan de politiek. Hij schrijft: “Juist deze massa’s, die zelfs in de meest democratische burgerlijke republieken weliswaar voor de wet gelijke rechten genoten, maar in werkelijkheid door duizenderlei middelen en kneepjes afgehouden werden van deelname aan het politieke leven en van het benutten van de democratische rechten en vrijheden, deze massa’s worden nu betrokken bij het permanente, onvoorwaardelijke en daarmee beslissende deelnemen aan het democratische bestuur van de staat.”25

Een belangrijk aspect van die actieve deelname van het volk aan de politiek beschreef Lenin in de volgende stelling: “De Sovjetmacht, d.w.z. de dictatuur van het proletariaat, daarentegen is zodanig georganiseerd dat ze de werkende massa’s nader tot het bestuursapparaat brengt. Hetzelfde doel dienen ook de vereniging van wetgevende en uitvoerende macht bij de sovjetorganisatie van de staat en het vervangen van de territoriale kieskringen door productie-eenheden, zoals bedrijven en fabrieken.”26 Verkiezingen vonden dus plaats via de productie-eenheid, oftewel de werkplek waar het arbeiderscollectief georganiseerd is, waar de werkers vergaderen, besluiten nemen en hun vertegenwoordigers kiezen en controleren. De productie-eenheid vormt in het sovjetsysteem de kieseenheid en de basis van de staat vanuit waar politieke vertegenwoordigers niet alleen worden gekozen, maar ook gecontroleerd en teruggeroepen.27 Het hanteren van de werkplek als kieseenheid, in plaats van het gebruik van geografische kieskringen, is daarom van belang. Voor scholieren, studenten, gepensioneerden en andere niet-werkende delen van de bevolking bestonden alternatieve kieseenheden (onderwijsinstelling, geografisch etc.).

Alle bovengenoemde aspecten van de sovjetmacht dragen eraan bij dat mensen dichter bij het beheer van de economie worden betrokken. De productie-eenheid vormt onder het socialisme niet alleen een electorale basis. Het is via de in de productie-eenheid georganiseerde arbeidersmacht dat het mogelijk wordt om een belangrijke voorwaarde voor het functioneren van de arbeidsmacht, de centrale planning en de socialistische economie te bewerkstelligen: het registreren en controleren van de productie, distributie en consumptie door de arbeidersklasse. De arbeiderscontrole over de economie is niet alleen een praktische en economische, maar ook een politieke taak die ligt bij de dictatuur van het proletariaat. Het waarborgt niet alleen de proletarische democratie, maar ook het principe ‘ieder naar zijn arbeid’. In de arbeidersstaat zijn het dus de werkers die de economie besturen en controle uitoefenen, in contrast met de kapitalistische maatschappij waar de façade van democratie ophoudt zodra je de werkplek betreedt waar de wil van de baas wet is.

Het sovjetsysteem maakt het mogelijk voor de arbeidersklasse om te participeren in het politieke proces, wat tegelijkertijd noodzakelijk is om de socialistische productieverhoudingen verder te verdiepen. Het veronderstelt in dat opzicht ook een geheel andere houding ten opzichte van politieke besluitvorming. Zo stelt Lenin in Staat en revolutie in navolging van Marx dat de Commune van Parijs geen parlementair, maar werkend lichaam creëerde: “De Commune vervangt het omkoopbare en verrotte parlementarisme van de burgerlijke maatschappij door lichamen waarin de vrijheid van oordeel en beraadslaging niet in bedrog ontaardt, want de parlementariërs moeten zelf werken, zelf hun wetten uitvoeren, zelf controleren met welk resultaat ze ten uitvoer worden gelegd, zelf direct voor hun kiezers de verantwoordelijkheid dragen.”28 In deze organisatievorm ziet Lenin de grondslag van de staat die na de revolutie nodig is. In de sovjetstaat bleven vertegenwoordigers en functionarissen naast hun verkozen functie dan ook gewoon werken en bleven zo in contact met hun collega’s die hen verkozen hadden. Ze werden zo betrokken bij de uitvoering en controle van de besluiten.

Vertegenwoordigers en functionarissen kregen slechts een aantal uur of dagen vrijstelling voor de tijd die nodig was om hun functie te vervullen. Voor de tijd die mensen aan een verkozen functie besteden ontvingen ze hun gemiddelde uurloon. Er was dus geen financieel voordeel verbonden aan een verkozen functie.

Zo kwamen de fundamentele, democratische principes van de dictatuur van het proletariaat tot uiting in de vorming sovjetmacht. De realiteit is natuurlijk oneindig complexer. Er waren veel uitdagingen en moeilijkheden, zoals de grote ongeletterdheid, aanhoudende invloed en aanzien van burgerlijke elementen, bureaucratische werkwijzen en talloze andere. Maar de basis was gelegd. De Sovjets, die al onder het kapitalisme waren ontstaan in de revolutionaire strijd van de arbeidersklasse tegen de uitbuiting, veranderden na de revolutie in organen van de revolutionaire arbeidersmacht. Ze speelden een centrale rol in de opbouw van de socialistische economie en de strijd voor de opbouw van een maatschappij zonder oorlog, armoede en uitbuiting. Een rol die ze alleen konden spelen doordat het strijdorganen waren van en voor de arbeidersklasse in de klassenstrijd en in de socialistische opbouw.

3.2 De grondwet van de Russische Republiek van 1918

In opdracht van het 3e Congres van de Sovjets, werd een comité ingesteld onder leiding van Sverdlov dat begon met het uitwerken van een conceptgrondwet voor de Russische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek (RSFSR). Dat werd voorgelegd aan het Centraal Comité van de bolsjewistische partij en later op 10 juli 1918 werd het voorgelegd aan het 5e All-Russische Congres van de Sovjets, dat de grondwet aannam.

Deze grondwet kwam tot stand in een tijd dat de burgeroorlog nog volop gaande was en er hard werd gestreden om de arbeidersstaat veilig te stellen. In deze grondwet, die de eerdergenoemde Verklaring van de Rechten van de Werkende en Uitgebuite Mensen als basis heeft en grotendeels bevat, worden de doelstellingen van de socialistische opbouw op dat moment duidelijk gemaakt. Hoofdzakelijk worden het afschaffen van uitbuiting van de mens door de mens, het afschaffen van klassenverschillen, het onderdrukken van de uitbuiters, het vestigen van een socialistische maatschappij en de overwinning van het socialisme in alle landen als fundamentele problemen gesteld.29

In de wet wordt ook direct concreet invulling gegeven aan hoe deze taken moeten worden uitgevoerd. Hierin wordt bijvoorbeeld opgenomen de afschaffing van het privaat eigendom op land en dat dit wordt vermaatschappelijkt, evenals grondstoffen.30 Ook met betrekking tot het bankwezen werd grondwettelijk verankerd dat dit in handen van de arbeidersstaat ligt.31 Daarnaast was het duidelijk dat de arbeidersmacht moest worden verdedigd en werd het Rode Leger van arbeiders en boeren, dat op 28 januari (15 januari) reeds was opgericht, grondwettelijk verankerd.32 De revolutie stuitte namelijk op de reactie van zowel de nationale burgerij en aanhangers van de monarchie als van het internationale kapitaal. Contrarevolutionaire legers werden georganiseerd onder het Witte Leger en imperialistische legers werden ingezet wat uitmondde in een burgeroorlog die tot 1922 zou duren.

Naast het opstellen van wetten die bepalend zijn voor de herstructurering van de economie en die de verdediging van het land organiseren, wordt in de grondwet ook de staatkundige structuur vastgelegd. Het eerste artikel luidt: “Rusland wordt uitgeroepen tot Republiek van de Sovjets van Arbeiders-, Soldaten- en Boerenafgevaardigden. Alle centrale en lokale macht behoort toe aan deze Sovjets.”33 Hiermee wordt alle staatsmacht dus bij de sovjets gelegd.

Er bestonden in grote lijnen drie bestuurslagen. Aan de basis stonden lokale sovjets van arbeiders-, boeren- en soldatenafgevaardigden, die direct werden verkozen vanuit de werkplekken en buurten. Deze verkozen vertegenwoordigers voor regionale sovjets. Er bestonden verschillende typen van regionale sovjets voor steden en platteland, maar dat zijn details waar nu verder niet over zullen uitweiden. De regionale sovjets kozen vertegenwoordigers voor het Al-Russische Congres van Sovjets dat het hoogste orgaan was. De sovjets waren enerzijds belast met de taak om besluiten van hogere organen te implementeren en anderzijds met het nemen van besluiten over alles wat van regionaal of lokaal belang was binnen hun gezagsgebied.34 Op alle niveaus kozen de sovjets een uitvoerend comité dat de vergaderingen van de sovjet voorbereidde en lopende taken oppakte.35 Op landelijk niveau heette dit het Centraal Uitvoerend Comité, dat dus door het Congres werd gekozen en als hoogste orgaan diende tussen de zittingen van het Congres en verantwoording aflegde aan het Congres. ‘Uitvoerend’ moeten we hier overigens niet begrijpen in de burgerlijk-juridische betekenis als tegengesteld aan wetgevend.36 De Raad van Volkscommissarissen vormde het uitvoerende en administratieve orgaan van het Centraal Uitvoerend Comité en bestond uit commissarissen die werden aangesteld op het gebied van buitenlandse zaken, arbeid, communicatie etc.

Vertegenwoordigers en functionarissen van organen werden op alle hogere niveaus verkozen door de lagere organen in kiesvergaderingen die door de lokale sovjets zelf werden georganiseerd. Afgevaardigden in lokale sovjets werden aanvankelijk verkozen voor een termijn van drie maanden, wat in 1921 werd verlengd naar twee jaar.37 De grondwet bepaalde dat lagere organen op de hoogte gehouden werden van het werk van de hogere organen, zodat zij dit kunnen controleren en mogelijk hun afgevaardigde terug konden roepen.38

Over de samenstelling van het Al-Russische Congres van Sovjets werd het volgende vastgesteld: “Het Al-Russische Congres van Sovjets is samengesteld uit vertegenwoordigers van stedelijke Sovjets (één afgevaardigde voor 25.000 kiezers) en uit vertegenwoordigers van de provinciale (Goebernija) congressen van Sovjets (één afgevaardigde voor 125.000 inwoners).”39 Er werd dus een onderscheid gemaakt tussen de stad, waar de arbeidersklasse hoofdzakelijk geconcentreerd was, en het platteland, waar nog een grote kleinburgerlijke laag bestond (de boerenstand). Op deze manier werd gewaarborgd dat de proletarische elementen binnen het Congres de overhand hadden, in een periode waarin het volk nog zo was samengesteld dat de kleinburgerij zeer talrijk was – en in een historische context waarin de burgeroorlog nog gaande was.

We zien dus een systeem waarin op verschillende niveaus uitdrukking wordt gegeven aan de arbeidersmacht in zowel wetgevende als uitvoerende en controlerende organen. Alle organen zijn direct of indirect verkozen door de arbeiders en boeren. Daaraan leggen ze ook regelmatig verantwoording af en ze zijn herroepbaar. Besluiten worden genomen bij meerderheid en de lagere organen zijn gebonden aan de uitvoering van de besluiten van de hogere organen. De principes van het democratisch centralisme worden dus gehanteerd in de organisatie van de staat, hoewel dat begrip in deze grondwet nog niet expliciet wordt genoemd.

Tegelijkertijd werd een aantal groepen het stemrecht ontzegd. Onder andere kapitalisten, renteniers en grootgrondbezitters, handelaren, geestelijken en agenten van de voormalige politie of geheime dienst.40 De dictatuur van het proletariaat kende dus geen stemrecht toe aan klassen en lagen die rijk werden door onderdrukking en uitbuiting. Het stemrecht was namelijk voorbehouden aan “Iedereen die in diens levensonderhoud voorziet door middel van arbeid die productief en nuttig is voor de samenleving, en ook personen die zich bezighouden met huishoudelijke taken waardoor de eerstgenoemden productief werk kunnen verrichten, d.w.z. arbeiders en werknemers van alle klassen die werkzaam zijn in de industrie, handel, landbouw, enz., en boeren en Kozakkenlandarbeiders die geen mensen in dienst nemen om winst te maken.”41 Voor de (voormalige) onderdrukkers vereiste het verkrijgen van stemrecht dat ze integreerden in de socialistische economische verhoudingen en dus op basis van eigen arbeid in hun levensonderhoud voorzien in plaats de uitbuiting van vreemde arbeid.

Over het sovjetsysteem dat in 1918 officieel wordt vastgelegd, wordt het volgende opgenomen in de grondwet: “Het fundamentele vraagstuk van de grondwet van de Russische Socialistische Federale Sovjetrepubliek betreft, gezien de huidige overgangsperiode, de vestiging van een dictatuur van het stedelijke en landelijke proletariaat en de armste boerenbevolking in de vorm van een machtig Algemeen-Russisch Sovjetbestuur, met als doel de uitbuiting van mensen door mensen af te schaffen en het socialisme in te voeren, waarin er geen klassenverdeling of autocratie meer zal zijn.”42 Er wordt dus wettelijk vastgelegd dat het sovjetsysteem uitdrukking geeft aan de dictatuur van het proletariaat en als doel heeft het socialisme op te bouwen.

Om de politieke participatie van de arbeiders en boeren te ondersteunen en hen de mogelijkheid te bieden om zich te verenigen en organiseren, worden ook maatregelen genomen. Zo wordt onder andere in de grondwet vastgelegd dat de Sovjet Republiek hen vergaderruimtes biedt.43 Dit soort regelingen verhouden zich duidelijk tot de kritiek die Lenin in 1919 vormt op de burgerlijke parlementaire democratie, waarin hij uitlegt dat het recht op vereniging onder deze staatsvorm formeel wel bestaat, maar in de praktijk allerlei obstakels worden opgeworpen voor de arbeidersklasse om samen te komen en zich te organiseren. Verder worden in de grondwet een hoop praktische zaken vastgelegd omtrent het houden van verkiezingen, het verdelen van budgetten en de eerdergenoemde maatregelen met betrekking tot het stemrecht.

In de jaren die volgen worden een aantal amendementen gedaan op de grondwet, die vooral te maken hebben met de ontwikkelingen in de burgeroorlog en verder niets fundamenteels veranderen.44

3.3 De grondwet van de USSR van 1924

In naloop van de overwinning in de burgeroorlog wordt op 30 december 1922 de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken (USSR) officieel opgericht. Vertegenwoordigers van de vier republieken stellen een concept op als grondwet voor deze Unie. Dat concept werd vervolgens goedgekeurd door de verschillende republieken die hier deel van gingen uitmaken, namelijk de Russische, Oekraïense, Wit-Russische en de Transkaukasische Socialistische Federatieve Sovjetrepublieken (de laatste bestond weer uit de Azerbeidzjaanse, Armeense en Georgische republieken). Vervolgens werd de grondwet geratificeerd door het nieuwe federale Congres van de Sovjets op 31 januari 1924.

Naast het oprichten van de Unie hebben zich ook een aantal andere belangrijke ontwikkelingen voltrokken. De burgeroorlog is inmiddels geëindigd, maar heeft veel verwoesting met zich meegebracht. Ook betekent de beëindiging van de burgeroorlog voor de imperialistische landen uiteraard niet dat zij ophielden op andere manieren proberen de Sovjet Unie te ondermijnen.

Ter aanvulling op de grondwet wordt een verklaring gepubliceerd waarin de noodzaak van het vormen van de USSR binnen deze context wordt onderbouwd. Hierin wordt beschreven dat zowel het feit dat de socialistische republieken omgeven zijn door kapitalistische landen die een gevaar vormen, als het feit dat de economie na de burgeroorlog weer op moet worden gebouwd, vraagt om de samenwerking tussen de verschillende sovjetstaten. In de betreffende verklaring wordt beschreven dat de wereld op dat moment in twee kampen is verdeeld: dat van het socialisme en dat van het kapitalisme. Daarnaast worden het klassen- en internationalistische karakter van de sovjetmacht zelf benadrukt, waaruit een unie van de verschillende republieken logischerwijs voortvloeit. Hierover wordt het volgende gesteld: “Al deze omstandigheden vereisen absoluut de vereniging van de Sovjet-republieken in één uniestaat, die in staat is de externe veiligheid, het interne economische succes en de vrijheid van nationale ontwikkeling van de volkeren te waarborgen.”45

Naast het oprichten van de USSR wordt deze nieuwe grondwet opgezet binnen de context van een koerswijziging in de strategie ten opzichte van de economie. Waar de economie in 1918 in dienst wordt gesteld van het front tijdens de burgeroorlog in de vorm van het oorlogscommunisme, wordt in 1921 de Nieuwe Economische Politiek (NEP) ingesteld. Vooral in de landbouw, maar ook in andere sectoren, betekende de NEP dat waren- en geldverhoudingen en zelfs kapitalistische verhoudingen op gecontroleerde schaal werden toegestaan in de delen van de economie waar de voorwaarden voor directe vermaatschappelijking nog niet aanwezig waren. Dit gold in de eerste plaats voor de landbouw, omdat de industrie, die flink had geleden onder de burgeroorlog, nog niet in staat was om de landbouw te voorzien van tractoren en landbouwmachines, die de overgang van de onproductieve, individuele warenproductie naar grootschalige, gemechaniseerde coöperatieve en staatsproductie kon toestaan. De warenverhoudingen moesten de grote boerenbevolking op korte termijn motiveren de productie te vergroten, zodat de steden gevoed konden worden en de industrie kon worden opgebouwd, die de landbouw van machines kon voorzien waarmee de voorwaarden konden worden gecreëerd om de waren- en geldverhoudingen uit te bannen en de landbouw op basis van socialistische verhoudingen te organiseren. Tegelijkertijd werden in bepaalde sectoren tijdelijke concessies aan kapitalisten gedaan om bepaalde bedrijven te ontwikkelen, voornamelijk op het vlak specifieke economische activiteiten die technische kennis en middelen vereisten waarvoor de sovjetstaat nog niet de capaciteit had om deze te ontwikkelen.

Deze ontwikkelingen in de economie en politiek hadden ook hun weerslag in de juridische wereld. De marxistische rechtsgeleerdheid was inmiddels verder ontwikkeld, en er bestonden in de jaren ’20 diverse discussies (die overigens ook in de jaren ’30 werden voortgezet). Daarin bestond een fundamenteel vraagstuk dat zeker in de tijd van de NEP van groot belang was. Er waren namelijk opvattingen, die we bijvoorbeeld bij Pashukanis vinden, die het recht zeer beperkt opvatten als een juridische uiting van de warenruil, waarmee het recht als geheel een burgerlijk karakter werd toegekend.46 Zulke opvattingen – die overigens niet de overhand kregen – onderschatten het belang van de eigendomsverhoudingen en de rol van het recht de klassenstrijd in de periode van de socialistische opbouw. Anderen begrepen het sovjetrecht juist als een middel van de arbeidersstaat om actief invloed uit te oefenen op het consolideren van het maatschappelijk eigendom, waarmee het socialistisch recht dus net als de socialistische staat een revolutionair karakter wordt toegekend. Vanuit dit opzicht heeft het sovjetrecht een rol in de klassenstrijd, zeker in de periode van de NEP waarin burgerlijke elementen ruimte kregen. Deze opvatting werd bijvoorbeeld verwoord door Stučka.47

Tegen het licht van deze ontwikkelingen en discussies wordt dus de grondwet van de USSR opgesteld. In de grondwet wordt onder andere de organisatiestructuur van het sovjetsysteem zoals dat in de USSR moest functioneren uiteengezet. Deels wordt het document gebaseerd op de eerdere besluitvorming en structuur zoals beschreven in de grondwet van 1918. Tegelijkertijd is in de overeenkomst van 1924 terug te zien dat er zich verschillende republieken in de USSR hebben verenigd die in de nieuwe, aangepaste structuur, politiek vertegenwoordigd worden. Het sovjetsysteem met de arbeiders- en boerensovjets aan de basis, en als hoogste orgaan het Congres, dat een Centraal Uitvoerend Comité kiest als hoogste orgaan tussen de zittingen van het Congres in, en dat op zijn beurt een raad van volkscommissarissen kiest, zoals dat in 1918 ook in de context van de Russische Republiek werd bepaald, wordt in de nieuwe grondwet vastgelegd op zowel het niveau van de Unie als van de afzonderlijke republieken.48

Het internationale karakter van de Unie komt onder andere tot uiting in het feit dat wordt vastgelegd dat het Centraal Uitvoerend Comité bestaat uit de Federale Sovjet en de Raad van Nationaliteiten. Het Congres verkiest de leden van de Federale Sovjet en stemt in met de Raad van Nationaliteiten die wordt gevormd door vertegenwoordigers van iedere Sovjet-Republiek. De eerder genoemde samenstelling van het Congres, waarbij er meer stedelijke vertegenwoordigers ten opzichte van het platteland, wordt ook in de nieuwe grondwet in stand gehouden, waarvan het belang kan worden begrepen tegen het licht van de samenstelling van de bevolking waarin de plattelandsbevolking nog altijd zeer talrijk was, zeker in het licht van de NEP die kleinburgerlijke elementen in de economie ruimte gaf.

Naast het vastleggen van de organisatiestructuur, waaruit het grootste gedeelte van de grondwet bestaat, wordt vastgelegd hoe de vlag eruit ziet en dat Moskou de hoofdstad van de unie vormt.49 Daarnaast wordt er voor de inwoners van alle republieken één burgerschap van de Unie ingesteld.50

De grondwetten van de afzonderlijke republieken dienen aangepast te worden aan de grondwet van de USSR, maar blijven dus wel gelijktijdig bestaan. Dit betekent ook dat sommige zaken die niet in de grondwet van de USSR benoemd worden, maar wel eerder in de grondwet de RSFSR van 1918 nog altijd van kracht zijn, maar op dat punt nog worden bepaald op lokaal niveau. Hoewel het belang van de dictatuur van het proletariaat bijvoorbeeld niet wordt benoemd in de grondwet van de USSR, komt dit wel terug in de aangepaste versie van de grondwet van de RSFSR van 1925, in een andere bewoording dan voorheen: “het Algemeen-Russisch Congres van Sovjets heeft als taak de dictatuur van het proletariaat te waarborgen met het oog op de onderdrukking van de bourgeoisie, de vernietiging van de uitbuiting van de mens door de mens en de verwezenlijking van het communisme, waarin er geen klassen en geen staatsmacht zullen zijn.”51 De functie van de staatsmacht als dictatuur van het proletariaat blijft dus grondwettelijk intact.

Verder wordt het burgerschap van de Republiek uitgebreider gedefinieerd dan voorheen. Zo wordt bijvoorbeeld de onderdrukking van minderheden als zijnde onverenigbaar met de basiswetten van de Republiek beschreven en wordt in dat kader de gelijkheid van rechten van burgers vastgelegd. Hier wordt invulling aan gegeven door in de grondwet het recht te garanderen op het gebruik van hun moedertaal tijdens congressen, in de rechtbank, op school, in het openbaar bestuur en in het openbare leven.52

3.4 De grondwet van 1936

In de twaalf jaar die er tussen de grondwet van 1924 en 1936 zit, hebben zich op een aantal fronten belangrijke veranderingen voor gedaan. De NEP wordt eind jaren ‘20 beëindigd en het offensief van het socialisme tegen kapitalistische elementen ingezet. In de praktijk betekende dit dat de landbouw op grote schaal werd gecollectiviseerd en er grote coöperatieve boerderijen tot stand kwamen die door de ontwikkeling van de industrie ook gebruik konden maken van modernere productiemiddelen en technieken. De concessies die onder de NEP aan kapitalisten waren gedaan om verdere ontwikkeling van bepaalde sectoren mogelijk te maken, werden opgeheven.53 Er waren in de tussentijd ook grote stappen gezet in de elektrificatie en industrialisatie waardoor veel problemen konden worden aangepakt, zoals het bestrijden van hongersnoden. De economie ziet er tegen de tijd dat de grondwet van 1936 wordt ingesteld dus alweer heel anders uit dan twaalf jaar eerder. Tijdens de collectivisering, die mogelijk werd door de ontwikkeling van de productiekrachten, intensiveerde de klassenstrijd. Er waren lagen die van de NEP hadden geprofiteerd. Op het platteland werd het kapitalisme bestreden door een bondgenootschap tussen de arbeidersklasse en de arme en middelgrote boeren tegen de koelakken.54 Op internationaal vlak werd het steeds duidelijker dat de imperialistische landen zich voorbereidden op een nieuwe oorlog en daarbij hun pijlen zouden richten op de Sovjet-Unie.55

De nieuwe grondwet wordt op 5 december 1936 aangenomen en was het resultaat van een uitgebreid voorbereidingsproces waaraan miljoenen mensen meewerkten. In februari 1935 besprak het Centraal Comité van de partij het idee om een nieuwe grondwet voor de Unie op te stellen. Het Congres van Sovjets nam dit over en besloot tot de vorming van een comité dat een concept moest uitwerken, voorgezeten door Stalin. Op 11 juni 1936 werd het concept geaccepteerd door het Centraal Uitvoerend Comité en werd het concept gepubliceerd en aangeboden ter discussie. Kritiek op de conceptversie werd uitgebreid aangemoedigd. In vergaderingen en studiegroepen na werk bespraken mensen op grote schaal de conceptgrondwet. Er worden verschillende amendementen aangenomen die uit de discussie naar voren kwamen. Het Congres van Sovjets nam de herziene versie aan op 5 december 1936.

Uit een aantal amendementen blijkt dat er meningsverschillen bestonden over een reeks kwesties. De belangrijkste betreffen waarschijnlijk het eerste artikel van de grondwet, die het klassenkarakter van de staat bepaalt, waarbij de grondwet spreekt van een ‘staat van de arbeiders en boeren’. Er bestonden voorstellen om te spreken van een ‘staat van de werkende bevolking’ of om ‘werkende intelligentsia’ in de definitie op te nemen.56 Die amendementen werden verworpen en het belang daarvan mag niet worden onderschat. Deze voorstellen waren gebaseerd op veronderstellingen die het belang van de klassenstrijd in de periode van de socialistische opbouw onderschatten. Ze veronderstellen dat belangen van de gehele bevolking samenvallen, alsof er geen klassentegenstellingen meer bestonden. Er bestond echter wel degelijk een basis voor klassentegenstellingen, bijvoorbeeld onder private producenten (ruim een miljoen boerenhuishoudens waren nog niet aangesloten bij de collectieve boerderijen), het groepseigendom in de landbouw (die immers was gecollectiviseerd maar niet vermaatschappelijkt), evenals de tegenstellingen die nog bestonden zoals tussen bestuurlijk en uitvoerend werk, of tussen stad en platteland. In deze periode was de partij in staat om zulke opvattingen te verwerpen en het karakter van de USSR als dictatuur van het proletariaat te waarborgen, maar de onderliggende opvattingen bleven invloed uitoefenen in de daaropvolgende decennia.

Als we specifiek kijken naar de grondwet van 1936, dan is deze in een aantal opzichten een stuk uitgebreider dan die van 1924 in het beschrijven in het karakteriseren van de USSR op dat punt in de geschiedenis. Onder de verdere ontwikkeling van het socialisme ontstaat ook de behoefte aan een nieuwe grondwet. Deze wordt gebaseerd op wat er tot op dit punt al bereikt is en zich vormt naar de huidige situatie. Het is dus geen programma dat een leidraad biedt voor de verdere socialistische opbouw.57 De nieuwe grondwet stelt in haar eerste artikel dat de Sovjet-Unie een socialistische staat van arbeiders en boeren is.58 Ook wordt benoemd dat de politieke basis van de USSR ligt in de Sovjets van Arbeidersafgevaardigden, “die groeiden en sterker werden als gevolg van de omverwerping van de macht van landeigenaren en kapitalisten en de verwezenlijking van de dictatuur van het proletariaat.”59 Dit is een verandering ten opzichte van de eerdere formulering van Sovjets van Arbeiders-, Boeren- en Legerafgevaardigden. De leidende rol van de arbeidersklasse wordt op die manier meer benadrukt in deze formulering.

Verder wordt grondwettelijk vastgelegd dat de economische basis van de USSR ligt in het socialistische economische systeem en het maatschappelijk eigendom van de productiemiddelen. Op het 8e Congres van de Sovjets van de USSR, waarop de grondwet gepresenteerd wordt, onderbouwt Stalin deze veranderingen door te beargumenteren dat als gevolg van de NEP en met de gigantische ontwikkeling van de industrialisatie het kapitalisme uit de industrie is verdreven. Over de landbouw schrijft hij dat “we nu beschikken over gemechaniseerde productie, op een schaal die groter is dan waar ook ter wereld, met moderne technische apparatuur, in de vorm van een allesomvattend systeem van collectieve boerderijen en staatsboerderijen.”60 En dat de koelakkenklasse volledig is geëlimineerd, wat wil zeggen dat ze voor het overgrote deel zijn opgenomen in de gecollectiviseerde boerderijen. Stalin spreekt over een overwinning van het socialisme in alle sferen van de economie, die inhoudt dat er geen sprake meer is van uitbuiting van de mens door de mens, en dat het socialistische eigendom van de productiemiddelen zich heeft gevestigd. In de bijna twee decennia aan socialistische opbouw die hadden plaatsgevonden, hadden zich natuurlijk ook veel ontwikkelingen voltrokken in het bestrijden van de maatschappelijke tegenstellingen die de socialistische staat had geërfd uit het kapitalisme. Hij trekt hieruit de conclusie dat de klassenstructuur in de samenleving fundamenteel is veranderd. De positie van de arbeidersklasse, boerenklasse en intelligentsia is getransformeerd en volgens hem niet meer te vergelijken met hoe deze klassen functioneerden onder het kapitalisme. Vanuit deze redenering ontstaat het idee dat de maatschappij dusdanig is veranderd dat verdere democratisering mogelijk zou zijn.

Vanuit deze redenering worden in de grondwet van 1936 een aantal fundamentele veranderingen aangebracht in de manier waarop het democratisch proces in de USSR werkt. Zo wordt de manier waarop verkiezingen worden gehouden ingrijpend veranderd. Er wordt gelijktijdig gestemd voor alle niveaus van de sovjets, dus van lokaal tot aan de centrale organen.61 Dit voortaan in stembureaus met geheime stemmingen op basis van district. Dit wijkt dus af van het eerdere systeem waarin niet de geografische kiesdistricten, maar de productie-eenheid de kieseenheid vormde en er gebruik werd gemaakt van vergaderingen waarin naast het stemmen ook juist het inhoudelijk bespreken van zaken centraal stond.

De eerdere beperking van het stemrecht die vanaf 1918 gold voor bepaalde klassen en lagen van de bevolking die inkomen genereerden uit het uitbuiten van anderen werd volledig opgeheven. De nieuwe grondwet bepaalt: “alle burgers van de USSR die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, ongeacht ras of nationaliteit, godsdienst, opleiding en woonplaats, sociale afkomst, vermogensstatus of activiteiten in het verleden, hebben het recht om te stemmen bij de verkiezing van afgevaardigden en om verkozen te worden.”62 Dit was een controversieel punt, aangezien niet iedereen het lokaal eens was met het verschaffen van het recht van stemmen en verkozen te worden aan (voormalige) koelakken en andere groepen, aangezien men vreesde dat zij daarvan gebruik konden maken om hun positie te versterken.63

Verder werd in deze context het verschil in vertegenwoordiging tussen steden en plattelandsgebieden in de Opperste Sovjet opgeheven. Waar er eerder sprake was een relatief hogere vertegenwoordiging in het Congres van de arbeidersklasse die voornamelijk in de steden leefde, werd er nu vastgelegd dat er vanuit alle regio’s één afgevaardigde zou worden gekozen per 300.000 inwoners.64

De eerdere structuur waarbij het hoogste machtsorgaan van de USSR bestond uit het Congres van Sovjets en het Centraal Uitvoerend Comité wordt ook aangepast. In plaats hiervan komt de Opperste Sovjet van de USSR tot stand, bestaand uit de Sovjet van Nationaliteiten en Sovjet van de Unie.65 Daarbij werd de eerste direct verkozen vanuit de gehele Unie en de tweede kende een vast aantal afgevaardigden vanuit iedere republiek. De wetgevende bevoegdheid van beide organen was gelijk. De Raad van Volkscommissarissen (later hernoemd naar Raad van Ministers) blijft de voornamelijk uitvoerende taken houden, nu direct gekozen door de Opperste Sovjet, maar verandert in samenstelling. Waar de raad eerst alleen bestond uit een afgevaardigde voor ieder commissariaat, voorzitter en vicevoorzitters, wordt hij nu uitgebreid. De raad komt te bestaan uit De voorzitter en vicevoorzitters van de Raad van Volkscommissarissen van de USSR, de voorzitter van de Staatscommissie voor Planning van de USSR, de voorzitter van de Commissie voor Sovjetcontrole, de Volkscommissarissen van de USSR, de voorzitter van het Comité voor Landbouwvoorraden, de voorzitter voor het Comité voor de Kunsten en de voorzitter voor het Comité voor Hoger Onderwijs.66

De veranderingen die werden aangebracht in de structuur van de Sovjetstaat en de grondwet als geheel vormen enerzijds een logische reactie op veranderende klassenverhoudingen onder de ontwikkeling van de socialistische opbouw en de groeiende, steeds complexere USSR. Tegelijkertijd zijn er ook vragen te stellen bij de impact die de ‘uitbreiding van de democratie’ had op het klassenkarakter van de staat en de functie hiervan als dictatuur van het proletariaat. De klassensamenstelling van hogere organen kon veranderen met het opheffen van het verschil in vertegenwoordiging tussen stad en platteland. Ook wees Lenin juist op het belang van de productie-eenheid als basis van politieke macht waar vanuit de arbeidersklasse bij besluitvorming betrokken wordt en de mogelijkheid tot herroeping biedt, wat met de nieuwe structuur en manier van stemmen bemoeilijkt werd. We zullen in de conclusie wat uitgebreider terugkomen op deze vragen.

Naast de wijzigingen in structuur van de staat en het democratisch proces van de Sovjet-Unie wordt een hele reeks rechten en plichten vastgelegd, waaronder bijvoorbeeld het eerder genoemde recht op rust en recreatie. Veel van de rechten en plichten vloeien ook voort uit de ontwikkeling van de socialistische productieverhoudingen en groeiende productiekrachten en capaciteiten. Zo wordt het recht op werk en de betaling hiervan naar kwaliteit en kwantiteit in de grondwet opgenomen, dat verzekerd kan worden door de socialistische organisatie van de economie. In die tijd was werkloosheid namelijk uitgebannen in de Sovjet-Unie (in 1930 kreeg de laatste werkloze een baan). Ook wordt het recht op vereniging, dat in 1918 al deel uitmaakt van de grondwet, beschreven als een voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van het socialistisch systeem. Op deze manier wordt de actieve participatie van het volk aan het politiek proces niet alleen gewaarborgd op grond van een democratisch ideaalbeeld maar gezien als noodzakelijkheid voor de verdere socialistische opbouw.

In de decennia die volgden werden verschillende amendementen op de grondwet aangenomen. De meesten daarvan hadden betrekking op omstandigheden die de Tweede Wereldoorlog creëerde en hadden betrekking op buitenlands beleid en militair beleid (bijvoorbeeld verankering van het recht van in het buitenland gestationeerde soldaten om vertegenwoordigers te kiezen) en enkele andere amendementen in de naoorlogse periode die geen fundamentele wijzigingen brachten.

3.5 De grondwet van 1977

In 1962 werd al besloten een comité op te zetten voor het uitwerken van een conceptgrondwet, in navolging van het 22ste Congres dat in oktober 1961 belangrijke besluiten over de staat nam, waar we zo meer over zullen uitweiden. Door politieke ontwikkelingen stagneert echter de uitwerking en goedkeuring van de nieuwe grondwet. Pas op 7 oktober 1977 treedt de nieuwe grondwet in werking, meer dan 41 jaar na het invoeren van de grondwet van 1936. Alvorens we ingaan op de historische context en de inhoudelijke aanpassingen die deze nieuwe grondwet bracht, is het de moeite waard om weer even stil te staan bij de procedure voor de vaststelling van de grondwet.

Er werden in het hele land bijeenkomsten en vergaderingen georganiseerd, waarbij meer dan 140 miljoen mensen (dat is ongeveer 80% van de volwassenen) direct deelnam aan discussies over het concept van de nieuwe grondwet. Het comité dat belast was met de vorming van de grondwet ontving ongeveer 400.000 voorstellen voor aanpassingen en aanvullingen aan de grondwet. Ruim 180.000 ingezonden brieven werden gepubliceerd in kranten en tijdschriften waarin mensen hun mening gaven over het concept van de nieuwe grondwet. Op basis van die discussies en voorstellen zijn uiteindelijk 118 van de 173 artikelen van de grondwet aangepast en er werd één artikel toegevoegd.67 Dit staat in schril contrast met grondwetswijzigingen zoals we die in burgerlijke democratieën kennen, waar het hele proces voornamelijk plaatsvindt achter gesloten deuren, met de hoofdrol voor van de bevolking verwijderde politici, juristen en lobbyisten, terwijl het grootste deel van de bevolking niet of nauwelijks inhoudelijk wordt meegenomen in het proces.

In de vier decennia voor de totstandkoming van de grondwet van 1977 vinden ingrijpende historische ontwikkelingen plaats, met als meest ingrijpende de Tweede Wereldoorlog. De krachtsverhoudingen zijn in 1977 heel anders, aangezien het socialistische blok flink was uitgebreid. Maar ook op politiek vlak is het een en ander veranderd en dat is belangrijk om de aanpassingen in de grondwet van 1977 goed te begrijpen.

Politiek vond er in de Sovjet-Unie een keerpunt plaats vanaf de periode rond het 20ste Congres van de CPSU in 1956 waarin rechtsopportunistische standpunten de overhand kregen. In reactie op reële economische uitdagingen en problemen, werden kapitalistische recepten toegepast, met een reeks maatregelen die de rol van de markt versterken ten koste van de centrale planning, waarbij de bevoegdheden van besturen van bedrijven werden uitgebreid.68

In de bovenbouw uitte dit zich in een politiek van decentralisatie. Bevoegdheden werden verlegd van landelijke of sectorale naar lokale organen of bedrijven zelf, wat een terugkerend thema wordt in de besluitvorming van de daaropvolgende congressen. Dit proces vond plaats onder het voorwendsel van het vergroten van de rol van de sovjets en massaorganisaties, maar het verzwakte de centrale planning en de rol die deze speelt in de socialistische opbouw in de gehele USSR.69 Dit verzwakte juist de controlerende functie die de sovjets hadden binnen het politieke systeem, het collectieve karakter hiervan en hun taak in het behouden van de dictatuur van het proletariaat. Er worden dus taken rond economische planning en beheer bij lokale organen gelegd, maar hun politieke rol in het mobiliseren van de arbeidersklasse omwille van het verdiepen van de socialistische productieverhoudingen wordt daarmee niet versterkt. Over hoe de tekortkomingen in de arbeidscontrole zich concreet uiten hebben we eerder gepubliceerd.70

In navolging van deze ontwikkelingen neemt het 22ste Congres van de CPSU in 1961 besluiten die van groot belang zijn om de staatkundige ontwikkelingen in de USSR en bepaalde wijzigingen in de grondwet van 1977 te begrijpen. In het 22ste Congres werd gesteld dat er sprake zou zijn van een nieuwe ontwikkelingsfase in de socialistische opbouw, waarin klassenverhoudingen dusdanig veranderd zouden zijn dat er geen sprake meer zou hoeven zijn van een dictatuur van het proletariaat, maar van een ‘algemene volksstaat’ (een staat van de gehele bevolking). Meer specifiek staat in het partijprogramma dat de CPSU aannam op haar 22ste Congres: “Na de volledige en definitieve overwinning van het socialisme – de eerste fase van het communisme – (…) te hebben bewerkstelligd, heeft de dictatuur van het proletariaat haar historische missie vervuld en is zij vanuit het oogpunt van de interne ontwikkeling niet langer onmisbaar in de USSR. De staat, die ontstond als een staat van de dictatuur van het proletariaat, is in de nieuwe, hedendaagse fase een staat van het hele volk geworden, een orgaan dat de belangen en de wil van het volk als geheel uitdrukt.”71 De argumentatie was dat met de afschaffing van de uitbuitende klassen er geen dictatuur van het proletariaat meer nodig was, omdat er geen uitbuitende klassen meer waren die onderdrukt moesten worden.72

Lenin en ook al door Marx en Engels hadden de positie geformuleerd dat de dictatuur van het proletariaat vereist is tot de volledige afschaffing van klassen en het afsterven van de staat. De theorie van de ‘algemene volksstaat’ wijkt daarvan dus van af door te poneren dat na de afschaffing van de uitbuitende klassen de dictatuur van het proletariaat zijn klassenkarakter verliest en een algemene volksstaat wordt. Er kleven verschillende problemen aan deze benadering, waarvan we er hier twee zullen uitlichten.

Ten eerste neemt het alleen de repressieve functie van de arbeidersstaat in acht en laat het de scholende en creatieve functie buiten beschouwing. Lenin benadrukte juist, ook specifiek voor dat tweede aspect, dat de dictatuur van het proletariaat noodzakelijk is, niet alleen tot de afschaffing van de uitbuitende klassen, maar tot de afschaffing van de klassentegenstellingen in het algemeen en het afsterven van de staat.73

Zo schreef Lenin: “Ik heb u laten zien dat de dictatuur van het proletariaat een onvermijdelijk, essentieel en absoluut onmisbaar middel is om uit het kapitalistische systeem te komen. Dictatuur betekent niet alleen geweld, (…) maar ook een vorm van arbeidsorganisatie die superieur is aan de vorige vorm. (…) Deze nieuwe staatsorganisatie wordt met veel moeite tot stand gebracht, omdat het veel moeilijker, een miljoen keer moeilijker is om onze ontwrichtende, kleinburgerlijke laksheid te overwinnen dan om de tirannieke landeigenaren of de tirannieke kapitalisten te onderdrukken. (…) “dictatuur van het proletariaat” in eenvoudiger taal betekent het gewoon het volgende: Alleen een bepaalde klasse, namelijk de stedelijke arbeiders en de fabrieksarbeiders of industriearbeiders in het algemeen, is in staat om de hele massa van de werkende en uitgebuite mensen te leiden in de strijd om het juk van het kapitaal af te werpen, (…) in het werk om het nieuwe, socialistische sociale systeem te creëren en in de hele strijd voor de volledige afschaffing van klassen. (…) Het is duidelijk dat om klassen volledig af te schaffen, het niet voldoende is om de uitbuiters, de landeigenaren en kapitalisten omver te werpen, niet voldoende om hun eigendomsrechten af te schaffen; het is ook noodzakelijk om alle privé-eigendom van de productiemiddelen af te schaffen, het is noodzakelijk om het onderscheid tussen stad en platteland af te schaffen, evenals het onderscheid tussen handarbeiders en hoofdarbeiders. Dit vereist een zeer lange periode. (…) het is noodzakelijk om het verzet (vaak passief, maar bijzonder hardnekkig en moeilijk te overwinnen) van de talrijke overblijfselen van kleinschalige productie te overwinnen; het is noodzakelijk om de enorme kracht van gewoonte en conservatisme die met deze overblijfselen samenhangen, te overwinnen. De veronderstelling dat alle “werkende mensen” even goed in staat zijn om dit werk te doen, zou een loze frase zijn, of de illusie van een antediluviaanse, pre-marxistische socialist; want dit vermogen komt niet vanzelf, maar groeit historisch, en groeit alleen uit de materiële omstandigheden van de grootschalige kapitalistische productie.”74

Ten tweede moeten we in het achterhoofd houden dat, hoewel de kapitalistische uitbuiting in de Sovjet-Unie inderdaad was afgeschaft, er nog wel verschillende klassen en sociale lagen bestonden. Er bestonden twee klassen: de arbeiders en de boeren, die natuurlijk wel in de loop van de socialistische opbouw fundamentele veranderingen hadden ondergaan, aangezien de arbeidersklasse niet meer zonder eigendom was, en de boerenklasse niet langer bestond uit vooral kleine (waren-) producten. Daarbij moeten we niet onderschatten dat de landbouw nog altijd grotendeels was gebaseerd op een vorm van groepseigendom. De tendens na het 20ste Congres was ook dat het groepseigendom in de landbouw werd versterkt ten koste van het maatschappelijk eigendom (bijvoorbeeld met de verkoop van de productiemiddelen in de landbouw, die eerder maatschappelijk eigendom waren, aan de kolchozen in 1958). Daarnaast bestonden nog allerlei tegenstellingen, zoals tussen lichamelijke en geestelijke arbeid, tussen uitvoerend en bestuurlijk werk, en tussen stad en platteland. Er waren sociale lagen (geen klassen) te onderscheiden zoals de werkende intelligentia. Op deze basis van deze verschillen, die nog wel degelijk bestonden in de maatschappij, schiepen de maatregelen van het 20ste Congres, en in het bijzonder de Kosygin-hervormingen vanaf de tweede helft van de jaren ’60, mogelijkheden voor delen van de bevolking om zich een gedeelte van het maatschappelijk product toe te eigenen. Bijvoorbeeld bestuurders van bedrijven die dankzij de hervormingen bonussen in hun zak konden steken, of zelfs de zwarte markt die kon opbloeien dankzij de afzwakking van de centrale planning en mogelijkheid van de directe transacties tussen bedrijven (waar dat eerder via de planning moest).75

Met de benadering dat er geen dictatuur van het proletariaat meer nodig zou zijn, werd de noodzaak van de klassenstrijd in de tijd van de socialistische opbouw ontkent of ten minste ernstig onderschat.76 Dit ondermijnde de waakzaamheid en strijd tegen het versterken van elementen en sociale lagen die geen belang hadden bij de verdieping van de communistische productieverhoudingen. Zoals bestuurders van bedrijven, corrupte functionarissen, het groepseigendom in de landbouw etc., die later de dragers werden van de contrarevolutie.

De benadering van de ‘algemene volksstaat’, als benadering betreffende de staatkundige bovenbouw, vloeide dus voort en hing nauw samen met de rechtsopportunistische standpunten over socialisme met markt. Het hing nauw samen met de theorie van ‘non-antagonistische tegenstellingen’, die geen onverzoenlijke tegenstelling zag tussen markt en centrale planning, maar die stelde dat deze gepaard kunnen blijven gaan.77 De theorie van de algemene volkststaat, die voortkwam uit de rechtsopportunistische standpunten over de economische verhoudingen die na het 20ste Congres overheersten, gaf op haar beurt weer ruim baan gaven aan de versterking van niet-socialistische verhoudingen in de economie.

Met de positie van de ‘algemene volksstaat’ onderschatte de CPSU het belang van de leidende rol van de arbeidersklasse in de ontwikkeling van het socialisme naar het communisme. Het idee van de algemene volksstaat nam als uitgangspunt dat er geen klassentegenstelling van uitbuiters en uitgebuitenen meer waren en het klassenkarakter van de staat als dictatuur van het proletariaat daarom niet meer noodzakelijk was. De staat vormt echter altijd een vorm van klassenoverheersing en kan pas afsterven als de communistische productieverhoudingen zich volledig hebben gevestigd en de hogere fase van het communisme bereikt is. De staat die uiteindelijk afsterft wanneer de voorwaarden daarvoor zijn bereikt is dus per definitie de dictatuur van het proletariaat, en niet neutrale, klassenloze ‘algemene volksstaat’.78

Het is de moeite waard om hier te noemen dat er in de Sovjet-Unie ook wel degelijk kritiek bestond op deze richting. Een uitgebreide kritiek op de theorie van de algemene volksstaat werd geformuleerd door Molotov in een zeer uitgebreide brief gericht aan het Centraal Comité van de CPSU.79

Over het algemeen duiden de ontwikkelingen vanaf de jaren ‘50 op een tendens waarbij bestaande tegenstellingen, en de mogelijkheid van verscherping hiervan, binnen de maatschappij werden onderschat en de socialistische opbouw evenals de daarvoor benodigde klassenstrijd werden geremd. In de grondwet van 1977 wordt de staat van de USSR niet meer gedefinieerd als een staat van arbeiders en boeren, maar als “socialistische algemene volksstaat”, oftewel een ‘staat van het gehele volk’, die “uitging geeft aan de wil en belangen van de werkers, boeren, intelligentia en het hele volk naties en nationaliteiten in het land.”80 De ontwikkelingen van de voorgaande twee decennia worden in dat opzicht in deze grondwet bevestigd. De introductie tot de grondwet stelt: “De sociaal-politieke en ideologische eenheid van de Sovjetmaatschappij, waarin de arbeidersklasse de leidende kracht is, is bereikt. Nu de doelstellingen van de dictatuur van het proletariaat zijn verwezenlijkt, is de Sovjetstaat een staat van het hele volk geworden.”81 Hiermee wordt de taak van de dictatuur van het proletariaat als drijfveer en noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling van het socialisme dus als voldaan beschouwd op basis van het idee dat er sociaal-politieke en ideologische eenheid zou zijn en de werkende klasse de leidende kracht vormt in de samenleving. Er wordt nog wel gesproken over het ontwikkelen van het communisme uit het socialisme, en de grondwet van 1977 benoemt ook wel het doel dat de staat moet bijdragen aan “het wegwerken van klassenverschillen en van de essentiële verschillen tussen stad en platteland en tussen geestelijke en lichamelijke arbeid”, maar dit wordt nu dus als taak van de creatieve krachten in de gehele samenleving gezien.82 Tegen het licht van deze benadering worden de sovjets hernoemd tot ‘sovjets van volksafgevaardigden’.83

Andere ideologische verschuivingen en problematische concepten, die vooral vanaf de jaren ‘50 de kop opsteken, vinden eveneens hun weerklank in de grondwet van 1977. Zo wordt bijvoorbeeld het idee van ‘vreedzame co-existentie’, dat met het 20ste Congres wordt ingeluid, in de grondwet opgenomen, waar we hier omwille van de omvang van dit stuk niet dieper op in kunnen gaan.84

De grondwet van 1977 stelt dat het politieke systeem van de sovjetmaatschappij zich moet ontwikkelen richting “uitbreiding van de socialistische democratie, namelijk een steeds bredere participatie van burgers in het beheer van de zaken van de samenleving en de staat, (…) versterking van het systeem van controle door het volk…”85 Tegelijkertijd wordt de termijn waarvoor afgevaardigden verkozen worden voor de hogere organen verlengd. Voor de Opperste Sovjet naar 5 jaar en de lokale naar 2,5 jaar.86 Hiermee werd de directe controle en verantwoordingsplicht verzwakt. Het gaat ook niet zo zeer om deze maatregel op zich, maar om het feit dat de neiging werd versterkt om politieke vertegenwoordiging verder los te koppelen van de werkvloer. Iets wat verder werd versterkt ten tijde van de perestrojka, met de amendementen op de grondwet die op 1 december 1988 werden aangenomen. Deze brachten een reeks staatkundige wijzigingen, onder andere in de rol van de Opperste Sovjet van de USSR, waarbij een deel van de afgevaardigden ook periodiek werd ontheft en belangrijke stappen werden gezet in het omvormen van dit orgaan van een werkend lichaam in een parlementair lichaam.87

Het is belangrijk om te benadrukken dat we hier enkel een tendens benoemen. Er is in 1977 niet per se sprake van een absolute breuk op alle vlakken. Zo wordt het belang van vakbonden en andere massa-organisaties en werkcollectieven wel expliciet benoemd.88 Ook behoudt de grondwet van 1977, met de bepaling dat afgevaardigden hun normale werk blijven uitvoeren naast het politieke vertegenwoordigingswerk, een belangrijk element van de proletarische democratie.89 De grondwet beschrijft uitgebreid de rechten en plichten om te zorgen voor sociale zekerheid, gratis onderwijs, cultuur, wetenschap, rust en vermaak, kinderopvang, huisvesting, bescherming van de natuur, en allerlei andere publieke diensten en rechten.90

Noemenswaardig is dat de grondwet van 1977 de eerste grondwet is die expliciet vaststelt dat de staat functioneert op basis van het democratisch centralisme. Meer specifiek wordt het volgende artikel opgenomen: “De Sovjetstaat is georganiseerd en functioneert volgens het principe van democratisch centralisme, namelijk de verkiesbaarheid van alle staatsorganen, van het laagste tot het hoogste, hun verantwoordingsplicht jegens het volk en de verplichting van lagere organen om de beslissingen van hogere organen na te leven. Democratisch centralisme combineert centraal leiderschap met lokaal initiatief en creatieve activiteit en met de verantwoordelijkheid van elk staatsorgaan en elke functionaris voor het werk dat hun is toevertrouwd.”91

4. Samenvatting

Met dit stuk hebben we beoogd, aan de hand van de grondwetten die de USSR heeft gekend, enkele ontwikkelingen in de staatkundige bovenbouw van de USSR te belichten, met name met betrekking tot het functioneren van de sovjets. Uiteraard is dit geen compleet verhaal. Er is veel ruimte voor verder onderzoek. Dat deze studie zich uitsluitend op de grondwetten heeft gericht, en andere relevante wetgeving buiten beschouwing heeft gelaten, is al een belangrijke beperking, maar tegelijkertijd een noodzakelijke afbakening gezien onze beperkte capaciteiten.

Ondanks deze en andere beperkingen, vinden we het toch belangrijk om op basis van de informatie en inzichten die in dit artikel naar voren zijn gekomen, en in het verlengde van eerder gepubliceerde stukken over de socialistische opbouw, tot een samenvatting te komen, waarin enkele lessen of voorlopige conclusies over de socialistische bovenbouw naar voren kunnen komen. Deze moeten vooral worden gezien als startpunten voor discussie en voor verder onderzoek.

4.1 De positie van de socialistische bovenbouw in de geschiedenis

Historisch werd met de Commune van Parijs in 1871 voor het eerst de dictatuur van het proletariaat gevestigd. Zij het voor een korte periode van 72 dagen. Vervolgens ontstond de dictatuur van het proletariaat opnieuw, als resultaat van de overwinning van Grote Socialistische Oktoberrevolutie van 1917, in Sovjet-Rusland. Dit werd de eerste historische ervaring met de consolidering van de dictatuur van het proletariaat. De arbeidersstaat en haar organen ontstonden uit de arbeidersbeweging zelf, die middels de revolutionaire strijd de burgerlijke macht omverwierp en ‘stuksloeg’, en de opbouw van een nieuwe maatschappij ter hand nam.

Vanuit dit oogpunt kan de revolutionaire grondwet van Sovjet-Rusland in 1918 worden gezien als de eerste constitutionele uitwerking en toepassing van de principes voor de proletarische democratie. Deze principes waren reeds ontwikkeld door Marx, Engels en Lenin in het kader van het wetenschappelijk socialisme, op basis van de kritische studie van de kapitalistische productiewijze en bovenbouw, evenals de ervaringen van de Commune van Parijs. De ervaringen tijdens de socialistische opbouw in de 20ste eeuw bieden aanknopingspunten voor verrijking en verdere uitwerking van de theorie en strategie.

De bovenbouw dient daarbij te worden bestudeerd in samenhang met en in het verlengde van de ontwikkeling van de economische basis. De samenhangende ontwikkeling van basis en bovenbouw in de periode van de socialistische opbouw tonen dat het socialisme een hoogwaardigere vorm van organisatie van de economie en maatschappij is, in contrast met het verrotte en parasitaire kapitalistische systeem dat de werkende klasse niets meer te bieden heeft.

De historische ervaring van de grondwetten van de USSR toont dat de proletarische democratie een andere democratie is dan de democratieën die in de kapitalistische en voor-kapitalistische maatschappijvormen bestonden. Een democratie die een ander doel heeft en andere klassenbelangen dient. Een democratie waarin de economie en de politieke macht in handen zijn van de overgrote meerderheid van de bevolking, in plaats van een kleine minderheid. In die zin een hoogwaardigere vorm van democratie. Zowel de successen als de reële problemen en tekortkomingen tonen dit aan. Elke teruggang in het functioneren van de dictatuur van het proletariaat ging gepaard met teruggang in de betrokkenheid van de massa’s en in de economische ontwikkeling.92

De bijdrage van het socialisme aan de historische ontwikkeling van de maatschappij kwam onder andere tot uitdrukking in de vele sociale en politieke rechten die in de grondwetten van de Sovjet-Unie werden verankerd. Veel rechten zelfs voor het eerst in de geschiedenis. Het is de socialistische organisatie van de maatschappelijke arbeid en de opbouw van communistische verhoudingen in de economie die het mogelijk maakte om concreet invulling te geven aan de rechten van de bevolking op een veel hoger niveau dan het kapitalisme en voor-kapitalistische maatschappijvormen. Een belangrijk aspect voor nader onderzoek is de opvatting van maatschappelijke rechten en de relatie tussen rechten en plichten zoals die in het sovjetrecht werd geconceptualiseerd, op een manier die in scherp contrast staat met de wijze waarop rechten worden opgevat in het burgerlijk recht. Maar ook de praktische invulling van deze rechten is onderwerp voor verder studie.

4.2 Het klassenkarakter van de staat in de socialistische opbouw

Het maatschappelijke karakter van het eigendom in het socialisme vereist en bepaalt het maatschappelijke karakter en de klasseinhoud van de staat als dictatuur van het proletariaat. De economische basis en bovenbouw vormen een dialectische eenheid, waarin de economie uiteindelijk bepalend is. Het maatschappelijk eigendom van de productiemiddelen, de centrale planning, de arbeiderscontrole en andere communistische productieverhoudingen die worden opgebouwd na de omverwerping van de burgerlijke macht, maken het mogelijk dat de bevolking collectief, bewust en gepland vorm kan geven aan de ontwikkeling van de economie en maatschappij op basis van haar behoeften.

De historische ervaring bevestigt de marxistische theorie over de staat. Met name dat de arbeidersstaat, vanaf de vestiging ervan met de socialistische revolutie, in de gehele periode tot aan zijn afsterven in de communistische maatschappij, het karakter behoudt van een arbeidersstaat, van een dictatuur van het proletariaat. De ervaring toont dat de klassenstrijd zich doorzet in de periode van de socialistische opbouw, ook nadat de uitbuitingsverhoudingen zijn uitgebannen uit de economie. De klassenstrijd blijft noodzakelijk omdat er maatschappelijke krachten blijven bestaan die zich vanuit hun eigen belangen kunnen keren tegen de uitbreiding van de communistische verhoudingen. Dit komt door het voortbestaan van onderscheiden klassen en maatschappelijke lagen, groepseigendom, maatschappelijke tegenstellingen die het socialisme erft (zoals tussen lichamelijke en geestelijke arbeid, tussen uitvoerend en bestuurlijk werk en tussen stad en platteland), en het kapitalisme internationaal.

Vanuit dat oogpunt kan de theorie die de CPSU in het 22ste Congres aannam en die in de grondwet van 1977 werd opgenomen, over een ‘algemene volksstaat’, worden gezien als een verkeerde, opportunistische opvatting die de socialistische opbouw ondermijnde. De veronderstelling dat de dictatuur van het proletariaat niet langer noodzakelijk zou zijn wanneer er geen uitbuitende klassen meer bestaan, en niet pas wanneer alle klassen zijn afgeschaft, ontkende of onderschatte de noodzaak van de klassenstrijd onder het socialisme. Ook onderschatte het de creatieve en scholende functie die de dictatuur van het proletariaat heeft. De theorie van de algemene volksstaat stond in verband met de opportunistische posities over socialisme met markt, die in de CPSU de overhand hadden gekregen na het 20ste Congres.

Dat de staat onder het socialisme het karakter heeft van de dictatuur van het proletariaat, betekent ook dat het een uitdrukking is van de onverdeelde macht van de arbeidersklasse. De staatsorganen functioneren op basis van het democratisch centralisme. Dat betekent dat alle machtsorganen zijn verkozen door het volk, verantwoording afleggen aan het volk, worden gecontroleerd door het volk en ten alle tijde herroepbaar zijn door het volk. De principes van het democratisch centralisme zorgen voor openheid, transparantie, controleerbaarheid en creatieve betrokkenheid van de bevolking aan de uitoefening van de politieke macht.

Geen enkele staat kent een werkelijke ‘scheiding der machten’ die de democratie kan waarborgen door machten te scheiden die elkaar zouden controleren. Elke staat geeft uitdrukking aan de heerschappij van een klasse. De socialistische staat kent wel een praktische arbeidsdeling, met een verdeling van wetgevende, uitvoerende, controlerende-rechtsprekende en andere functies. Die functies worden vervuld door verschillende organen, ook ondersteund door gespecialiseerd personeel. Het waarborgen van de proletarische democratie ligt echter niet zozeer in machtsorganen die elkaar controleren. Het is de controle van het volk – niet alleen op de wetgevende maar op alle machtsorganen – die waarborgt dat er sprake is van democratische besluitvorming, dat ieders grondrechten worden gerespecteerd, dat de rechtspraak onvooringenomen en in dienst van het volk oordeelt etc.

4.3 De rol van de subjectieve factor

De dictatuur van het proletariaat heeft zowel een repressieve als creatieve-scholende functie. Beide zijn onmisbaar in de klassenstrijd gedurende de hele periode van de socialistische opbouw. De subjectieve factor speelt een belangrijke rol in de vestiging en consolidering van de socialistische macht, en de uitbreiding en verdieping van de communistische verhoudingen gedurende de socialistische opbouw.

In dat kader speelt de juridische bovenbouw ook een rol in de klassenstrijd gedurende de socialistische opbouw. Het socialistisch recht is niet een burgerlijk overblijfsel of slechts een passieve weergave van bepaalde verhoudingen, maar speelt een actieve, revolutionaire rol in het verdiepen van de communistische verhoudingen gedurende de periode van de socialistische opbouw.

De dictatuur van het proletariaat kan alleen als zodanig functioneren wanneer zij steunt op de actieve deelname van de arbeidersklasse in de uitoefening van de macht. De dictatuur van het proletariaat kan zijn plicht in de klassenstrijd alleen voldoen als de massa’s breed worden betrokken bij het nemen, uitvoeren en controleren van de besluiten; als ze zich de doelen en richting van de centrale planning, die ze zelf vormgeven, strijdbaar eigen maken.

De historische ervaring bevestigt de marxistisch-leninistische leer over de arbeidersmacht, die benadrukt dat de kern van de arbeidersmacht moet liggen aan de basis, in de productie-eenheid, dienst, onderwijsinstelling of buurt. Dit vormt een voorwaarde voor het waarborgen van de nauwe relatie tot de centrale planning en het uitoefenen van de arbeidersklasse om nauw betrokken te zijn bij het politieke leven, het nemen, uitvoeren en controleren van besluiten. Op hoger niveau worden organen verkozen op basis van zowel sociaal-economisch als geografisch afgebakende districten.

Vanuit dat oogpunt is het van groot belang dat organen van de arbeidersstaat inhoudelijk functioneren. Dat geldt voor de lokale organen aan de basis tot aan de centrale staatsorganen. Het gaat niet alleen om periodieke, vrije verkiezing van vertegenwoordigers. Het gaat vooral ook om inhoudelijke algemene vergaderingen van werkers aan de basis, waar de mogelijkheid van kritiek op besluiten en de uitvoering daarvan wordt gefaciliteerd, waar hogere organen verantwoording afleggen, worden gecontroleerd en vertegenwoordigers kunnen worden herroepen als ze hun positie niet langer naar behoeven voldoen. Bureaucratische houding of willekeur van functionarissen moet worden bestreden.

De dictatuur van het proletariaat vereist dus dat de subjectieve factor, de werkers, niet passieve toeschouwers zijn maar hoofdrolspelers in de politieke activiteit voor de maatschappelijke bevrijding. Hierin ligt immers het essentieel verscheel tussen de burgerlijke parlementaire democratie, die op allerlei manieren de massa’s juist verwijdert van daadwerkelijke deelname aan het bestuur, met de proletarische democratie.

De socialistische opbouw steunt op het initiatief, de wil, de verantwoordelijkheid, het enthousiasme en de discipline van de werkers. Daarin ligt kracht van de dictatuur van het proletariaat. Daarom is het van groot belang dat de mogelijkheid van de arbeiders om deel te nemen aan het politieke proces actief wordt gefaciliteerd en bevordert, met vermindering van arbeidstijd, onderwijs, culturele ontwikkeling, politieke scholing en inhoudelijk functionerende machtsorganen.

In eerder gepubliceerde stukken, zagen we dat de historische ervaring toont hoe tekortkomingen in de arbeiderscontrole leiden tot ondoeltreffendheden en ondoelmatigheden in de economie.93 Dit kan zich uiten in verspilling van productiekrachten, bureaucratische werkwijzen en andere economische problemen. Zulke tekortkomingen vervreemden de belangrijkste productiekracht, namelijk de arbeiders, van de productie en de centrale planning. Dit ondermijnt de socialistische opbouw, want de arbeiderscontrole is een communistische productieverhouding die onlosmakelijk verbonden is met het maatschappelijk eigendom en de centrale planning. Nader onderzoek is vereist naar de exacte relatie en wisselwerking tussen de sovjets en de centrale planning in het kader van de arbeiderscontrole en wat dit in de praktijk betekende.

Op basis van deze inzichten, kunnen we stellen dat de aanpassingen in de grondwet van 1936, waarmee de op productie-eenheid gebaseerde kiesvergaderingen werden vervangen door geografische kiesdistricten, de arbeiderscontrole verzwakten. Het belemmerde de betrokkenheid van de massa’s in het politieke proces, evenals van de relatie en wisselwerking tussen de basis en de hogere machtsorganen. Immers vergrote het objectief de afstand en bemoeilijkte het de controle op en eventuele herroeping van vertegenwoordigers.

Er zijn verschillende factoren die mogelijk een rol speelden in de teruggang die we zien in bepaalde aspecten van de grondwet die in 1936 werd vastgesteld. Er lijken tekortkomingen te zijn geweest in de theoretische uitwerking van de theorie over de socialistische staat en bovenbouw. Maar ook de druk om hele volk te betrekken in aanloop naar de Tweede Wereldoorlog zou waarschijnlijk een rol spelen, evenals wellicht een overmoedige inschatting dat alle klassentegenstellingen in de nabije toekomst konden worden uitgewist. Hoe dan ook is nader onderzoek nodig naar de oorzaken van deze teruggang.

Tot slot toont de historische ervaring dat de communistische partij een belangrijke, leidende rol speelt in de socialistische opbouw. Het heeft een verantwoordelijkheid in het verder ontwikkelen van de theorie en strategie met betrekking tot de socialistische bovenbouw, ook op basis van de concrete uitdagingen die in elke periode naar voren komen.

5. Nawoord

Met deze inzichten in het achterhoofd, is het van belang nader onderzoek te doen om een completer beeld te vormen van de staatkundige ontwikkeling in de Sovjet Unie. Nader onderzoek is zeker ook vereist omtrent het complexe vraagstuk van de wisselwerking tussen de economische basis en de bovenbouw in de omstandigheden van de socialistische opbouw. De staatkundige bepalingen van de grondwet vormen daarbij slechts een beperkt aspect van de bovenbouw, zelfs een beperkt aspect van de politieke bovenbouw.

De studie van de historische ervaring met de ontwikkelingen in de bovenbouw gedurende de socialistische opbouw in de Sovjet-Unie biedt waardevolle lessen. Naast de tekortkomingen die genoemd zijn, waren er ook allerlei andere die in dit stuk niet naar voren zijn gekomen. We hebben geen enkele intentie om de geschiedenis te verbloemen, noch te demoniseren, maar om ervan te leren. Ondanks allerlei tekortkomingen en problemen die zeker bestonden, bieden de ervaringen van de Sovjet-Unie echter ook een perspectief.

In een tijd dat de meeste kapitalistische landen niet eens het algemeen kiesrecht hadden erkend voor alle mannen en vrouwen, lieten de arbeiders en boeren in Sovjet-Rusland en later de Sovjet-Unie zien wat voor enorme sprong voorwaarts de werkende mensen kunnen bereiken, ook op het vlak van politieke rechten en democratie. Voor het eerst werden – onder uiterst moeilijke omstandigheden en allerlei tekortkomingen – stappen gezet om een democratie te vestigen die er niet is voor de kleine minderheid, zoals de burgerlijke democratie, maar die er is voor de overgrote meerderheid van de bevolking. Een democratie die in de vorige eeuw rechten en voorzieningen waarborgde, waar werkers vandaag de dag onder het kapitalisme niet eens van durven te dromen. Een democratie die politieke rechten voor de werkende klasse niet alleen formeel toekent, maar ook de materiële voorwaarden schept voor de realisatie ervan. Een democratie die gericht is op het actief betrekken van de massa’s in het politieke leven. In contrast met de burgerlijke democratie die juist passiviteit en onverschilligheid kweekt, en extreemrechts en fascisme in de hand werkt doordat zoveel mensen zich niet gehoord voelen.

Er is de afgelopen jaren een reactionaire, antidemocratische tendens merkbaar in de politiek. Niet alleen met de opkomst van extreemrechtse en fascistoïde krachten. Maar ook met het beleid van de afgelopen kabinetten en de EU, die democratische vrijheden en vakbondsrechten inperken en repressie opvoeren. Tegenover die tendens biedt het socialisme een democratisch perspectief. De NCPN beoogd dan ook, met haar kritische studie van de geschiedenis van de ervaringen van de socialistische opbouw, haar opvatting van het socialisme uit te werken en een perspectief te bieden.

Dat kan alleen met onderzoek dat de geschiedenis noch verbloemt, noch demoniseert, maar objectief bestudeert. Wel vanuit het klassenperspectief van de arbeidersklasse. Dat vereist een wetenschappelijke blik, waarvoor het dialectisch en historisch materialisme, evenals de marxistische politieke economie, onmisbare handvatten zijn.

Uiteraard zetten wij de studie naar het socialisme voort, met als doel een beter begrip te ontwikkelen van de historische ervaringen van de socialistische opbouw in de 20ste eeuw, de studie, scholing en discussie daarover te faciliteren, en lessen te trekken voor de strijd vandaag en morgen.


Bronnen

  1. ‘The Soviet Socialist Constitution’ in Russia Today (Londen: Russia To-Day Society, 1942), p. 25.
  2. Ibidem.
  3. Idem, p. 25-26.
  4. Voor een overzicht van de gepubliceerde stukken zie het dossier ‘Socialisme’ op leesmanifest.nl: https://leesmanifest.nl/dossiers/socialisme/.
  5. Aleka Papariga, ‘Over de rol van de communistische partij in de socialistische opbouw’ (2025), Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/over-de-rol-van-de-communistische-partij-in-de-socialistische-opbouw/
  6. Het meerproduct is het overschot dat wordt geproduceerd bovenop datgene wat een samenleving nodig heeft om te leven.
  7. De mogelijkheid ontstaat omdat er dan pas voldoende meerproduct wordt geproduceerd om een zodanige arbeidsdeling te realiseren waarin mensen vrijgesteld kunnen worden van arbeid in de productie om de taken van een staatsapparaat te kunnen vervullen. De noodzaak ontstaat omdat de verdeling van de maatschappij in klassen een apparaat vereist dat deze verdeling in stand houdt. Met andere woorden, de heersende klasse heeft een apparaat nodig om haar heerschappij over de uitgebuite klassen te bewerkstelligen.
  8. Friedrich Engels, De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat (Moskou: Uitgeverij Progres, 1985), p. 231.
  9. Gedurende het verloop van de geschiedenis beïnvloedt en bepaalt de ontwikkeling van de economische basis de ontwikkeling van de bovenbouw. De staat die ontsproot uit de ontbinding van de oermaatschappij en het ontstaan van de eerste klassenmaatschappij, met de opdeling van de maatschappij in slavenhouders en slaven, was een staat van de slavenhouders. De overgang van de op slavernij berustende productiewijze naar de feodale productiewijze ging gepaard met overeenkomstige aanpassingen in het staatsbestel. Die overgang vond in verschillende regio’s op uiteenlopende wijzen plaats, afhankelijk van allerlei historische factoren. Soms met de vervanging van de oude slavenhoudersstaat door een nieuwe feodale staat (zoals in West-Europa). Soms met de –vaak zeer moeizame– aanpassing van de staat naar de nieuwe productieverhoudingen (zoals in het Byzantijnse Rijk). Op overeenkomstige wijze vroeg de omverwerping van de feodale productieverhoudingen met de burgerlijke revoluties ook om het vervangen van de feodale door de burgerlijke staat ten dienste van de ontstane kapitalistische uitbuitingsverhoudingen.
  10. Vladimir Lenin, ‘Staat en Revolutie’ (1918), in: Keuze uit zijn werken, deel 2 (Moskou: Uitgeverij Progres, 1973), p. 484.
  11. Vladimir Lenin, ‘Economie en politiek in het tijdperk van de dictatuur van het proletariaat’ (1919), in: Keuze uit zijn werken, deel 3 (Moskou: Uitgeverij Progres, 1975), p. 282.
  12. Vladimir Lenin, ‘De actuele taken van de sovjet-macht’ (1918), in: Keuze uit zijn werken, deel 3 (Moskou: Uitgeverij Progres, 1975), p. 86.
  13. Aleka Papariga, ‘Over de rol van de communistische partij in de socialistische opbouw’ (2025), Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/over-de-rol-van-de-communistische-partij-in-de-socialistische-opbouw/
  14. Lenin, ‘De actuele taken van de sovjet-macht’ (1918), in: Keuze uit zijn werken, deel 3 (Moskou: Uitgeverij Progres, 1975), p. 87-88.
  15. Idem, p. 114.
  16. Verreweg de meeste moderne staten hebben een constitutioneel stelsel. Dat wil zeggen een staatsrichting waarin de staatsmacht is vastgelegd in een grondwet (constitutie). Het staat in contrast met staten die geen grondwet hebben, maar uitgaan van gewoonterecht, verschillende wetten die niet in één grondwet gecodificeerd zijn, de willekeur van een monarch etc.
  17. Een concreet voorbeeld is dat de overgrote meerderheid van de stakingen in de EU illegaal wordt verklaard. Niet omdat de rechters vooringenomen zijn, maar omdat zij hun uitspraken op basis van de burgerlijke wetgeving doen. Ook in het Nederland is het organiseren van een staking buiten de kaders van cao-onderhandelingen bijna altijd illegaal.
  18. Kyrillos Papastavros, ‘Enkele vraagstukken over de socialistische bovenbouw in de ervaring van de USSR’ (in het Grieks), KOMEP nr. 6 (2007), op: https://www.komep.gr/m-article/c0ec432d-f42f-11e9-95d7-3ed1504937da/.
  19. Vladimir Lenin, ‘De taken van het proletariaat in onze revolutie’ (1917), in: Keuze uit zijn werken, deel 2 (Moskou: Uitgeverij Progres, 1973).
  20. Vladimir Lenin, ‘Decree on Land’ (8 november 1917), in: Collected Works, deel 26, p. 257-261; Raad van Volkscommissarissen, ‘Declaration of the Rights of the People of Russia’ (15 november 1917), in: Robert Daniels, A documentary history of communism (Londen: Tairis, 1985); Centraal Uitvoerend Comité, ‘Decree on Abolition of Class Distinctions and Civil Ranks’ (23 november 1917), in: James Bunyan en Harold Fisher, The Bolshevik revolution, 1917-1918: Documents and materials (Stanford: University press, 1934), p. 279-280.
  21. Vladimir Lenin, ‘Declaration Of Rights Of The Working And Exploited People’ (3 januari 1918), in: Collected Works, deel 26 (Moskou: Progress Publishers, 1972), p. 423-425.
  22. Raad van Volkscommissarissen, ‘Decree on Abolition of Existing Legal Institutions’ (7 december 1917), in: James Bunyan and Harold Fisher, The Bolshevik revolution, 1917-1918: Documents and materials (Stanford: University Press, 1934) p. 291-292.
  23. Vladimir Lenin, ‘Report on the Right of Recall at a Meeting of the All-Russia Soviet Executive Committee’ (4 december 1917), in: Collected Works, deel 26 (Moskou: Progress Publishers, 1965), p. 338.
  24. Vladimir Lenin, ‘Stellingen en referaat over burgerlijke democratie en dictatuur van het proletariaat’ (4 maart 1919), in: Keuze uit zijn werken, deel 3 (Moskou: Uitgeverij Progres, 1975), 165-180.
  25. Idem, p. 172-173.
  26. Idem, p. 173.
  27. Kyrillos Papastavros, ‘Enkele vraagstukken over de socialistische bovenbouw in de ervaring van de USSR’ (in het Grieks), KOMEP nr. 6 (2007), op: https://www.komep.gr/m-article/c0ec432d-f42f-11e9-95d7-3ed1504937da/.
  28. Vladimir Lenin, ‘Staat en Revolutie’ (1918), in: Keuze uit zijn werken (Moskou: Uitgeverij Progres, 1973), p. 503.
  29. ‘The 1918 Constitution of the RSFSR’, in: A. Denisov en M. Kirichenko, Sovjet State Law (Moskou: Foreign Languages Press, 1960), p. 39-53, artikel 3.
  30. Idem, artikel 3-1 en 3-2.
  31. Idem, artikel 3-5.
  32. Idem, artikel 3-7.
    Raad van Volkscommissarissen, ‘Decree on Formation of the Worker-Peasant Red Army’ (28 januari 1918), in: James Bunyan en Harold Fisher, The Bolshevik revolution, 1917-1918: Documents and materials (Stanford: University press, 1934), p. 568-569.
  33. ‘The 1918 Constitution of the RSFSR’, in: A. Denisov en M. Kirichenko, Sovjet State Law (Moskou: Foreign Languages Press, 1960), p. 39-53, artikel 1.
  34. Idem, artikel 61.
  35. Idem, artikel 55; 63.
  36. Idem, artikel 12.
  37. Idem, artikel 57.
  38. Idem, artikel 66-78.
  39. Idem, artikel 25.
  40. Idem, artikel 65.
  41. Idem, artikel 64.
  42. Idem, artikel 9.
  43. Idem, artikel 15.
  44. Idem, amendementen.
  45. ‘Declaration of the First Union Constitution’ (1924) in Milton H. Andrew, Twelve Leading Constitutions (Compton, California: American University series, 1931), p. 327.
  46. Pashukanis, Recht en marxisme: een algemene theorie (Moskou, 1924, in Russisch).
  47. Stučka, De revolutionaire rol van het recht en de staat (Moskou, 1924, in Russisch).
  48. ‘The 1924 Constitution of the RSFSR’, in: A. Denisov en M. Kirichenko, Sovjet State Law (Moskou: Foreign Languages Press, 1960), p. 72-90, artikel 5, 8, 37 en 49.
  49. Idem, hoofdstuk 11.
  50. Idem, artikel 7.
  51. Constitution (Basic Law) of the Russian Socialist Federative Soviet Republic (Moskou: Власть Советов, 1925), artikel 1.
  52. Idem, artikel 13.
  53. Ogun Eretalay, ‘Sovjetgrondwetten: korte geschiedenis en achtergrond’, Gelenek nr. 155 (2021), op: https://gelenek.org/sovyet-anayasalari-kisa-tarihce-ve-arka-plan/.
  54. Wasilis Opsimou, ‘Collectivisatie in de USSR: maatschappelijk bondgenootschap en klassenstrijd in de socialistische opbouw’ (2017), Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/collectivisatie-in-de-ussr-maatschappelijk-bondgenootschap-en-klassenstrijd-in-de-socialistische-opbouw/.
  55. Ogun Eretalay, ‘Sovjetgrondwetten: korte geschiedenis en achtergrond’, Gelenek nr. 155 (2021), op: https://gelenek.org/sovyet-anayasalari-kisa-tarihce-ve-arka-plan/.
  56. Jozef Stalin, ‘On the Draft Constitution’ (1936), in: Problems of Leninism (Moskou: Foreign Language Publishers, 1934), p. 561-589.
  57. Ibidem.
  58. ‘The 1936 Constitution of the USSR’, in: A. Denisov en M. Kirichenko, Sovjet State Law (Moskou: Foreign Languages Press, 1960), p. 91-107, artikel 1.
  59. Idem, artikel 2.
  60. Jozef Stalin, ‘On the Draft Constitution’ (1936), in: Problems of Leninism (Moskou: Foreign Language Publishers, 1934), p. 561-589.
  61. ‘The 1936 Constitution of the USSR’, in: A. Denisov en M. Kirichenko, Sovjet State Law (Moskou: Foreign Languages Press, 1960), p. 91-107, hoofdstuk 11.
  62. Idem, artikel 135.
  63. Samantha Lomb, Stalin’s constitution: soviet participatory politics and the discussion of the 1936 constitution (Routledge, 2017).
  64. ‘The 1936 Constitution of the USSR’, in: A. Denisov en M. Kirichenko, Sovjet State Law (Moskou: Foreign Languages Press, 1960), p. 91-107, artikel 34.
  65. Idem, p. 9-13.
  66. Idem, p. 16-17, artikel 70.
  67. P. Lopata, Communisme als sociaal-economisch systeem (Moskou: Progress, 1988, in het Russisch).
  68. Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, ‘Het 20ste Congres van de CPSU’ (2025), Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/het-20ste-congres-van-de-cpsu-keerpunt-in-de-opbouw-van-de-socialistische-economie/.
  69. Ibidem.
  70. Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, ‘Over de indicatoren van de centrale planning in de socialistische opbouw’ (2025), Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/over-de-indicatoren-van-de-centrale-planning-in-de-socialistische-opbouw/.
  71. CPSU, Program of the Communist party of the Soviet Union (New York: International Publishers, 1963), 104-105.
  72. Zie ook: Nikita Chroesjtsjov, ‘Report on: The World Situation, The Construction of Communism in the USSR, The Role of the Communist Party’, in: Documents of the 22nd Congress of the USSR, deel 1 (New York: Crosscurrents Press Inc., 1961), p. 133.
  73. Voor meer over de leninistische theorie over de staat, zie: Vladimir Lenin, ‘Staat en revolutie’ (1917), in: Keuze uit zijn werken, deel 2 (Moskou: Uitgeverij Progres, 1973), p. 465-564. En: Vladimir Lenin, ‘Over de staat’ (1919), in: Keuze uit zijn werken, deel 3 (Moskou: Uitgeverij Progres, 1975), p. 251-268.
  74. Vladimir Lenin, ‘First All-Russia Congress on Adult Education’ (1919), in: Collected Works, deel 29, p. 333-376.
  75. Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, ‘Het 20ste Congres van de CPSU’ (2025), Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/het-20ste-congres-van-de-cpsu-keerpunt-in-de-opbouw-van-de-socialistische-economie/.
  76. Sovjetjuristen beperkten de klassenstrijd tot de volksdemocratieën waar kapitalistische elementen nog bestonden in de economie. Zie bijvoorbeeld: V. F. Kotok, ‘Constitutional Law Relationships in the Socialist Countries’, Soviet Law and Government 2, nr. 1 (1962).
  77. Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, ‘Iljenkov over de politieke economie van het socialisme’ (2024), Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/iljenkov-over-de-politieke-economie-van-het-socialisme/. Evald Ilyenkov, ‘Toespraak aan de economen’ (1965), Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/toespraak-aan-de-economen/.
  78. Die klassenloze benadering komt sterk naar voren in de geschriften van sovjetjuristen indertijd, die vanuit een klassenloze analyse spreken van een ‘echte democratie’. Zie bijvoorbeeld: V. N. Kudriavtsev, ‘The constitution of the state of the entire people’, Soviet Law and Government 3, nr. 17 (1978).
  79. Molotov, Letter to The Central Committee of CPSU (Morrisville: Lulu, 2022).
  80. Constitution (Fundamental Law) of the Soviet Socialist Republics (Moskou: Novosti Press Agency Publishing House, 1977), p. 15, artikel 1.
  81. Idem, p. 10.
  82. Idem, p. 21, artikel 19.
  83. Idem, p. 15, artikel 2.
  84. Idem, p. 23, artikel 28.
  85. Idem, p. 17, artikel 9.
  86. Idem, p. 51, artikel 90.
  87. Michail Gorbatsjov, ‘Report’, in: 19th All-Union Conference of the CPSU, Documents and Materials (Washington: Sovjet Life, 1988), p. 48.
  88. Constitution (Fundamental Law) of the Soviet Socialist Republics (Moskou: Novosti Press Agency Publishing House, 1977), p. 16-17, artikels 7, 8.
  89. Idem, p. 55, artikel 104.
  90. Idem, p. 21-23, hoofdstuk 3 en 29-37 , hoofdstuk 7.
  91. Idem, artikel 3.
  92. A. Samarski, ‘De opvattingen van O.K. Antonov over de economie van het socialisme’ (2011), Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/de-opvattingen-van-ok-antonov-over-de-economie-van-het-socialisme/ Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, ‘Over de indicatoren van de centrale planning in de socialistische opbouw’ (2025), Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/over-de-indicatoren-van-de-centrale-planning-in-de-socialistische-opbouw/.
  93. Ibidem.

Wil je een abonnement op Manifest?

Met jullie hulp garanderen we een communistische visie op de actualiteit in Nederland

Manifest is de krant van de NCPN die maandelijks verschijnt. Met Manifest blijf je op de hoogte van de actualiteit en van onze acties. Manifest belicht verschillende aspecten van de strijd in binnen- en buitenland, en publiceert analyses die inzicht bieden in de nationale en internationale ontwikkelingen vanuit een marxistisch-leninistisch perspectief. Neem nu een abonnement op Manifest of vraag een gratis proefabonnement aan.

Abonneer Nu!