Skip navigation
Oorlog met Iran

Lessen van de Iraanse Revolutie

Dit artikel verscheen in de editie van Manifest van dinsdag 31 maart 2026

Iraanse oliewerkers tijdens een staking in 1978. Daarachter een aantal militairen die hun wapens op hen mikken.
Iraanse oliewerkers tijdens een staking in 1978. Foto: NCPN

Op 28 februari 2026 begonnen de Verenigde Staten en Israël hun misdadige aanvallen tegen Iran. Het conflict is inmiddels geëscaleerd naar een grootschalige imperialistische oorlog die een steeds algemener karakter aan lijkt te nemen. In eerdere verklaringen veroordeelde de NCPN met klem de oorlog, en wijzen we op het recht van het Iraanse volk om haar eigen toekomst te bepalen, vrij van imperialistische inmenging.

Een principiële positie van proletarisch internationalisme stuit tegen illusies en misvattingen die de werkende bevolking probeert mee te sleuren in de geopolitieke conflicten en de tegenstellingen binnen de internationale bourgeoisie. Zo wordt gepoogd de strijd van het Iraanse volk voor de kar te spannen van ofwel het buitenlandse interventionisme, of van de machtsconsolidatie van de regering van de Iraanse bourgeoisie. Consequent wordt hierbij het onafhankelijke karakter en de geschiedenis van de Iraanse arbeiders- en volksbeweging verdraaid of ontkend, als voorwendsel om steun te verlenen aan de ene of de andere criminele burgerlijke staat.

Zo heeft het regime van de Islamitische Republiek Iran de rechtvaardige strijd van het Iraanse volk tegen de regering bestempeld en gecriminaliseerd als “het werk van imperialisten en zionisten”, terwijl diezelfde imperialisten en zionisten een georkestreerde media-campagne hebben opgezet om te propageren dat het volk op zou roepen voor de terugkeer van de monarchie en van Reza Pahlavi, zoon van de laatste sjah. Een beknopte analyse van de totstandkoming van de Iraanse Revolutie, haar klassenkarakter en de historische strijd van de Iraanse arbeidersklasse kan de recente ontwikkelingen duiden en aantonen waarom dit soort verdraaiingen geen hout snijden.

De periode van de laatste sjah

De terughoudendheid van Trump, die zelf niet overtuigd lijkt te zijn van Reza Pahlavi als de leider van de beoogde machtswisseling in Iran, weerspiegelt de realiteit dat Pahlavi haast geen materiële maatschappelijke basis heeft in Iran zelf. Niet gek, voor iemand die openlijk heeft gelobbyd voor de Amerikaanse oorlog tegen Iran, waar hij na de omverwerping van zijn vaders bloedige dictatuur al bijna 50 jaar geen voet op de grond heeft mogen zetten. De laatste sjah van Iran, Mohammad Reza Pahlavi, kwam aan de macht via een openlijke samenwerking met buitenlandse interventie, in het bijzonder de inlichtingendiensten van het Verenigd Koninkrijk (MI6) en de Verenigde Staten (CIA), die via een staatsgreep op 19 augustus 1953 de democratisch verkozen nationalistische Iraanse premier Mohammad Mosaddegh afzette en de dictatuur van Pahlavi inluidde.

De imperialistische interventie en installatie van de absolute monarchie slaagden erin de genationaliseerde olievoorraden van het land te privatiseren en terug in handen te brengen van westerse monopolies, en hadden het doel de nationale bevrijdingsbeweging, de arbeidersbeweging en de communistische Tudeh-partij van Iran te onderdrukken en Iran te rekruteren voor een offensief imperialistisch pact tegen de Sovjet-Unie. Ondanks de vele pogingen van het imperialisme om de monarchie te witwassen door deze te contrasteren met de theocratische excessen van het huidige Islamitische regime, was de sjah-dictatuur dan ook een periode van vernedering van het Iraanse volk dat gebukt ging onder diepe sociale ongelijkheid, onderdrukking en uitbuiting.

In deze moeilijke omstandigheden toonde de Iraanse arbeidersklasse door de late jaren 50 haar strijdbaarheid met massale stakingen voor beter loon en arbeidsomstandigheden, maar ook door politieke eisen tegen de monarchie naar voren te schuiven. Onder andere arbeiders in de olie-industrie, taxichauffeurs, baksteenarbeiders, mijnwerkers, textielarbeiders en leraren teisterden met hun acties de kapitalistenklasse en het regime, dat met bruut geweld de arbeidersbeweging de kop in probeerde te drukken. Zo is algemeen bekend dat de SAVAK, de gevreesde inlichtingendienst van de monarchie, mede opgezet door de CIA en de Mossad, massaal martelingen en executies uitvoerde tegen vakbonds- en oppositieleiders.

Terwijl het kapitalisme zich onder de sjah doorontwikkelde met industriële megaprojecten en verdere openstelling voor westerse monopolies, ontstonden in navolging van de internationale kapitalistische crisis van de jaren 70 ook in de Iraanse economie tekenen van overaccumulatie van kapitaal. Dit uitte zich in een economische recessie in 1977 die via inflatie afgewenteld werd op de werkende bevolking, met een drastische verslechtering van het levenspeil als gevolg. Met het uitroepen van een noodtoestand en bloedige militaire onderdrukking kon het regime de ontketende revolutionaire beweging echter niet in toom houden. Naast stakingen in de spoorwegen en de staalsector was het met name de historische politieke staking van 37.000 arbeiders in de Iraanse olieraffinaderijen, met rimpeleffecten op de internationale economie, die existentieel bleken voor het regime.

De cocktail van tegenstellingen aan de vooravond van de Iraanse Revolutie leidde niet enkel tot onbereidheid van de brede bevolking om verder te leven onder de sjah, maar ook door een crisis binnen de Iraanse bourgeois die onmogelijk op haar oude manier kon doorregeren. Deze objectieve revolutionaire situatie creëerde de context voor het succes van de anti-monarchistische volksopstand van het gros van de bevolking tegen de Sjah op 11 februari 1979, geleid door verschillende krachten, met name islamisten, liberalen en communisten. Via een referendum werd de Islamitische Republiek van Iran gesticht.

Het karakter van de Iraanse Revolutie

Gangbare benamingen voor de omwentelingen van 1979 als de “Iraanse Revolutie” of “Islamitische Revolutie” wekken vragen op over het karakter van de opstand en in bredere zin de huidige Islamitische Republiek Iran zelf. Vooraanstaand had deze in de beginfase populaire en progressieve elementen. Voor het eerst na 25 jaar van onderdrukking van oppositie door het regime van de sjah, konden politieke partijen en organisaties, waaronder de Tudeh-partij, zich vrij organiseren. Ook verhoogde de nieuwe interim-regering het minimumloon met een factor van 2,5 en werden, in lijn met de anti-imperialistische eisen van het Iraanse volk, alle Amerikaanse militaire bases ontmanteld en diplomatieke banden met de apartheidsregimes van Israël en Zuid-Afrika verbroken.

Een revolutie betekent echter een wisseling van macht van de heersende klasse. Deze vond niet plaats in Iran in 1979. Zo had de sjiitische geestelijkheid rondom ayatollah Khomeini, inspelend op de religieuze sentimenten onder de bevolking, al gedurende de opstand de macht naar zich toegetrokken ten koste van de progressieve krachten. Khomeini werd met name gesteund door het deel van de nationale bourgeoisie dat niet direct verbonden was met het afgezette Sjah-regime, en kleinburgerlijke sjiitische middenlagen zoals de traditionele groothandelaren en winkeliers. De tegenstellingen tussen de regering en de revolutionaire ambities van de arbeidersklasse werd pijnlijk duidelijk toen de oliearbeiders Khomeini’s bevel om op 15 februari 1979 weer aan het werk te gaan negeerden, waarop Khomeini hen als ‘contrarevolutionairen’ bestempelde. Ondanks dreigementen vanuit Khomeini versterkte het bewustzijn van de arbeidersbeweging en ontstond er een nieuwe golf van stakingen en arbeidersprotesten. In de allereerste maand na de opstand gingen minstens 50.000 arbeiders staken en organiseerden zij demonstraties, sit-ins of andere vormen van verzet.

In deze periode kort na de opstand streden de arbeiders voor veel meer dan enkel economische eisen. Als gevolg van de revolutionaire situatie en aanhoudende kapitalistische crisis in de productie, veroorzaakt door de stakingsbeweging, waren veel fabriekseigenaren en managers de fabrieken en het land ontvlucht. Dit zorgde voor een machtsvacuüm waarbinnen arbeiders poogden de volledige controle over de productie over te nemen en massaal fabriekscomités (of raden) opzetten, de zogenaamde shuras. Deze embryonale vorm van arbeidersmacht gaf een impuls aan de arbeidersbeweging die met offensieve eisen de legitimiteit van de regering en Khomeini als revolutionaire leider in twijfel trok. De regering begon op haar beurt een uitgebreid offensief om de macht van de shuras te ontmantelen en de kapitalistische fabrieksmanagement van boven te herstellen. Hierbij greep Khomeini naar sociaal-democratische en corporatistische tactieken van klassencollaboratie, waarbij de shuras onder ideologische voorwendselen van ‘islamitisch management’ bestolen werden van hun revolutionaire potentieel en de arbeidersbeweging voor de kar van de bourgeoisie werd gespannen.

De context van massale kapitaalvlucht en crisis van de reproductie van binnenlands kapitaal aan de ene kant, en de existentiële dreiging van de shuras voor de macht van de bourgeoisie aan de andere kant, waren een belangrijk onderdeel van het besluit van de interimregering tot de grootschalige nationalisering van de economie. De staatsinterventie die grote buitenlandse monopolies zoals de westerse oliegiganten onteigende, ging dus gepaard met een offensief op inkomens, arbeidsrechten en arbeiderscontrole en was een uiting van de machtsconsolidatie van de Iraanse bourgeoisie. Al in augustus van 1979 vond een eerste golf van grootschalige repressie plaats die belangrijke overwinningen van de februari-opstand ontmantelde. Deze tegenstellingen tussen kapitaal en arbeid zouden alleen maar toenemen met de aanvang van de Irak-Iranoorlog, en zorgden vanaf het begin van de jaren 80 voor de volledige illegalisering en onderdrukking van politieke oppositie, de arbeidersbeweging en de uitmoording van vele prominente communisten van de Tudeh-partij.

De recente ontwikkelingen

Sinds de Amerikaans-geleide invasie van Irak in 2003, die de grootste directe tegenstander van de Iraanse bourgeoisie uitschakelde, heeft Iran onder het voorwendsel van de ‘As van het Verzet’ haar economische, politieke en militaire invloed in het gehele Midden-Oosten verder uitgebreid. Zo heeft Iran zich ontwikkeld tot een belangrijke macht in de regio en heeft de Iraanse bourgeoisie haar positie in het internationale imperialistische systeem verstevigd. In haar concurrentiestrijd met de VS en Israël volgt Iran een opportunistische buitenlandstrategie van militaire en financiële steun aan verschillende Sjiitische en Palestijnse verzetsgroepen en milities. Steun die in verhouding staat met anti-imperialistisch bewustzijn en diepgewortelde solidariteit van het Iraanse volk met de Palestijnse zaak, maar die vanuit de klassenbelangen van de Iraanse bourgeoisie niets met rechtvaardigheid te maken heeft en niet consequent is.

In het najagen van deze klassenbelangen heeft de Islamitische Republiek zich de laatste jaren bovendien steeds meer betrokken bij het vormende Euraziatische imperialistische blok en de algemene rivaliteit tussen de VS en China om wie de overhand krijgt in het internationale imperialistische systeem. Zo heeft de Iraanse regering zich in 2019 aangesloten bij China’s Nieuw Zijderoute (BRI), en in 2023 bij de Shanghai-samenwerkingsorganisatie (SCO) en BRICS. De recente escalaties van sancties, aanvallen en de genocide op de Palestijnse bevolking die vanaf 2023 plaatsvindt vanuit de VS-NAVO-Israël, en hun hypocriete voorwendsel van Iran als ‘grootste sponsor van terrorisme’, weerspiegelen aan de andere kant de imperialistische belangen van het Euro-Atlantische blok en de realisatie van de India-Midden-Oosten-Europa Economische Corridor (IMEEC) in concurrentie met China’s plannen.

In het licht van deze inter-imperialistische tegenstellingen zijn het de verstikkende internationale sancties, en het kapitalistische afbraakbeleid waarmee de Iraanse regering deze op de bevolking afwentelt, die oorzaak zijn van de legitieme protesten van het Iraanse volk sinds december 2025. De bloedige militaire repressie van demonstranten en de misdadige manier waarop deze gebeurtenissen als voorwendsel zijn gebruikt voor de door de VS en Israël begonnen oorlog bewijzen dat de burgerlijke krachten het land en de wereld enkel tot verdere destructie kunnen leiden. Het Iraanse volk heeft het recht om haar eigen toekomst te bepalen, vrij van imperialistische inmengingen, geleid door haar eigen onafhankelijke arbeidersbeweging. Echte vrede en sociale rechtvaardigheid kan pas bereikt worden als de werkende klasse zelf het heft in eigen handen neemt, wanneer definitief met het kapitalisme en imperialisme gebroken wordt en het socialistische pad wordt ingeslagen.


Sjoerd is lid van de Commissie Internationaal van de NCPN.

Wil je een abonnement op Manifest?

Met jullie hulp garanderen we een communistische visie op de actualiteit in Nederland

Manifest is de krant van de NCPN die maandelijks verschijnt. Met Manifest blijf je op de hoogte van de actualiteit en van onze acties. Manifest belicht verschillende aspecten van de strijd in binnen- en buitenland, en publiceert analyses die inzicht bieden in de nationale en internationale ontwikkelingen vanuit een marxistisch-leninistisch perspectief. Neem nu een abonnement op Manifest of vraag een gratis proefabonnement aan.

Abonneer Nu!