Skip navigation
Theorie

Theoretische onderbouwing van de hervormingen in China sinds 1978

Een kritische uiteenzetting
Foto: Crozet M., ILO / CC BY-NC-ND 2.0

Het 11e Congres van de Communistische Partij van China (CPC) in 1977 en de 3e vergadering van het Centraal Comité in 1978 luiden een nieuw pad in voor Volksrepubliek China. Er vindt een omslag plaats in de strategie van de CPC. In de daaropvolgende decennia worden ingrijpende hervormingen doorgevoerd in de economie, die leiden tot herleving van marktwerking en kapitalistische verhoudingen. In dit artikel gaan we in op de theoretische onderbouwing van deze hervormingen door de CPC en hoe zij zich verhoudt tot de marxistische politieke economie.

Inhoud

  • Inleiding
  • Het startschot voor ‘hervormen en openstellen’
  • Economische problemen als aanleiding voor een nieuw pad
  • Theoretische onderbouwing van de hervormingen door de CPC in 1979
    1. Centrale planning als een probleem van overmatige controle
    2. ‘Socialistische markteconomie’
    3. De waardewet als wet van het socialisme
    4. Het doel van de productie in de socialistische productiewijze
    5. Zelfbestuur in plaats van centrale planning
    6. Inkomensverschillen voor economische prikkels
    7. Socialisme als staatseigendom
  • Van de marxistische naar de burgerlijke politieke economie
  • Bestaande ideologische problemen als ondergrond
  • Ideologische strijd omtrent de hervormingen
  • Politiek-ideologische rechtvaardiging van een nieuw pad
  • Vergelijking met de NEP
  • ‘Socialisme’ met Chinese karakteristieken
  • Nawoord

Inleiding

Nadat de lijn die door Deng Xiaoping werd vertegenwoordigd de overhand kreeg in de CPC en de hervormingen werden aangekondigd door het Centraal Comité na haar 3e vergadering, werden teksten gepubliceerd in persorganen van de partij van economen en partijkaders die deze hervormingen theoretisch onderbouwden. Met die onderbouwing werden de hervormingen ook ideologisch gerechtvaardigd. De inhoud van deze onderbouwing zullen we hier kritisch uiteenzetten.

De hervormingen die in 1978 werden ingezet kwamen niet uit de lucht vallen. Ze waren het resultaat van een ideologische en politieke strijd binnen de partij en verhouden zich tot verschillende gebeurtenissen, ontwikkelingen en ideologische discussies in de voorafgaande periode. In een eerder gepubliceerd artikel wordt deze voorgeschiedenis uitgebreid behandeld en we zullen daar in dit artikel niet verder op ingaan.1 Wel zullen we zeer beknopt de voornaamste punten van de hervormingen opsommen.

Vervolgens gaan we uitgebreider in op de economische problemen die de CPC rond 1978 identificeerde. Deze problemen – op de manier dat de CPC ze indertijd interpreteerde – waren immers de voornaamste aanleiding voor het nieuwe pad dat werd ingeslagen.

Vervolgens gaan we uitgebreid in de manier waarop de hervormingen theoretisch werden onderbouwd in 1979, in de maanden nadat het Centraal Comité de belangrijkste hervormingen aankondigde. De reden dat we uitgebreid stilstaan bij de ideologische ontwikkeling van de CPC in 1979, is niet alleen dat dit de eerste periode van de hervormingen is, maar ook omdat hier in wezen al direct de belangrijkste theoretische posities worden ingenomen die van belang zijn voor de onderbouwing van het pad dat de CPC insloeg.

Vervolgens zullen we kritisch kijken hoe deze ontwikkelingen in de theorie van de CPC zich verhouden tot de marxistisch-leninistische theorie, in het bijzonder de politieke economie. We gaan ook nader in op bepaalde politieke vraagstukken die gerelateerd zijn aan de theoretische onderbouwing van de economische hervormingen. Daarbij staan we kort stil bij eerdere ideologische discussies en de ideologische strijd die eind jaren ’70 in de partij plaatsvond. Tot slot gaan we beknopt in op de belangrijkste ontwikkelingen van de CPC op theoretisch en ideologisch vlak in de periode na 1979, met name de uitwerking van het concept van ‘socialisme met Chinese karakteristieken’.

In een apart artikel (dat binnenkort wordt gepubliceerd) gaan we nader op de hervormingen in de economie en de gevolgen ervan voor de klassenverhoudingen in China. In dit stuk blijft dit grotendeels buiten beschouwing, het richt zich specifiek op de ontwikkeling van de theorie door de CPC.

Het bronmateriaal dat is gebruikt in de studie waar dit artikel het resultaat van is, betreft met name partijdocumenten maar ook artikelen van economen, overheidsfunctionarissen en partijkaders die door de CPC werden gepubliceerd in haar persorganen als toelichting op, of onderbouwing van de hervormingen. De CPC vertaalde indertijd belangrijke partijdocumenten en achtergrondstukken naar het Engels, en we proberen ons zoveel mogelijk te beperken tot verwijzingen naar bronmateriaal dat in het Engels beschikbaar is.

Door deze kwesties nader te bestuderen, poogt dit stuk, opgesteld in opdracht van het Partijbestuur van de NCPN door de Commissie Ideologie van het Partijbestuur, bij te dragen aan de doelstellingen van het 7e Partijcongres van de NCPN om de socialistische opbouw in het 20ste eeuw te bestuderen.

Het startschot voor ‘hervormen en openstellen’

Na het 11e Congres van de CPC in 1977, waarin de strijd om de politieke lijn van de partij tot uitdrukking kwam, werden rond 1978, in het bijzonder op de 3e vergadering van het Centraal Comité, besluiten genomen die het startschot vormden voor het beleid dat later ‘hervormen en openstellen’ werd genoemd. De belangrijkste maatregelen die rond 1978 werden genomen, wat betreft de ontwikkeling van de economie, zijn als volgt.

  1. Op de 3e vergadering van het Centraal Comité in december 1978 wordt besloten de centrale planning drastisch af te zwakken. Het centralisme in de economie wordt als een ‘serieuze tekortkoming’ gezien en er zou een ‘forse decentralisatie’ moeten plaatsvinden.2 De autoriteit van de organen die verantwoordelijk zijn voor de centrale planning wordt overgedragen naar het management van de bedrijven, zowel in de agrarische als industriële sector. Het management van de bedrijven krijgt daarmee veel meer autonomie. Allerlei transacties tussen bedrijven die via de centrale planning verliepen werden weer aan de markt overgelaten en in dat kader stelt het Centraal Comité dat “bijzonder belang gehecht moet worden aan de waardewet”.

    Overigens werd de afzwakking van de centrale planning niet direct en niet volledig in alle sectoren doorgestuurd, omdat strategische sectoren (vooral in de productie van productiemiddelen) nog niet klaar werden geacht om via de markt te functioneren.
    Op dezelfde vergadering wordt “egalitarisme overwinnen” als doel gesteld, waarmee de CPC als doel stelde naast de verhoudingen in de productie ook de verhoudingen in de distributie aan te passen.3 Meer specifiek wilde men een “systeem van beoordeling, beloning en straf, en promotie en bevordering” uitvoeren. Deze maatregel betekende dat er meer ruimte ontstond voor inkomensverschillen in de maatschappij.4

  2. Er wordt een begin gemaakt aan het openstellen van de economie voor buitenlands kapitaal. Op 1 juli 1979 wordt hiervoor een wet aangenomen.5 De belangrijkste kwesties die deze wet moest regelen werden indertijd als volgt samengevat: “Ten eerste wilden zij (buitenlandse investeerders – red.) weten of hun kapitaal en winst wettelijk beschermd waren als ze zouden investeren, en of de winst die ze hadden gemaakt in vreemde valuta naar het buitenland kon worden overgemaakt.”6 Deze twee zaken werden gegarandeerd door deze wet, waardoor joint ventures konden ontstaan van Chinese en buitenlandse bedrijven. Nog datzelfde jaar werd de mogelijkheid geaccepteerd van bedrijven die volledig in handen zijn van buitenlands kapitaal.7

    Twee weken na het aannemen van de wet over joint ventures worden bovendien de eerste reeks ‘speciale economische zones’ goedgekeurd, waar buitenlands kapitaal via allerlei voordelen vrij spel kreeg om economische activiteit te ontwikkelen. In 1980 worden de speciale economische zones verder geformaliseerd en uitgebreid.8

  3. Op de 4e vergadering van het Centraal Comité in september 1979 worden ingrijpende hervormingen in de landbouw goedgekeurd. Er wordt besloten om de gecollectiviseerde landbouw van communes af te bouwen en over te gaan op het ‘verantwoordelijkheidssysteem’, waarmee de grond werd uitgeleend aan de individuele boerenhuishoudens, die individueel het land gingen beheren.9

Economische problemen als aanleiding voor een nieuw pad

De aanleiding voor de politiek van ‘hervormen en openstellen’ lag in de eerste plaats in grotendeels reële vraagstukken en problemen die zich voordeden in de economie. De belangrijkste economische problemen waar economen en partijkaders mee geconfronteerd werden kunnen we als volgt samenvatten:

  • Disanalogieën in de productie en in de economische ontwikkeling, wat wil zeggen dat de ontwikkeling van economische activiteit in verschillende sectoren van de economie niet goed op elkaar aansloot. De landbouw kon de ontwikkeling van de zware industrie niet bijbenen, terwijl ook de ontwikkeling tussen verschillende delen van de landbouw en van de industrie niet goed op elkaar was afgestemd.10
  • Deze disanalogieën resulteerden ook in een ‘overmatige uitbreiding van kapitaalconstructie’, wat wil zeggen dat er productiemiddelen werden geproduceerd voor sectoren waar onvoldoende arbeidskracht, materiaal of financiering beschikbaar was om die productiemiddelen te activeren.11
  • Men vond ook dat er sprake was van een disbalans tussen productieve accumulatie en ‘non-productieve accumulatie’, waarmee werd bedoeld dat de economie teveel was gericht op de productie van productiemiddelen en te weinig op consumptie. Dit werd verbonden aan achterstanden in het verbeteren van het levenspeil van de bevolking, zoals kleine huizen, overvol openbaar vervoer etc.12
  • In het verlengde van de disanalogieën in de economie, bestonden discrepanties tussen vraag en aanbod. Van bepaalde productiemiddelen of producten was er een tekort, van andere juist een overschot. “Aan de ene kant was er een tekort aan productiemiddelen en aan de andere kant een steeds grotere opeenstapeling van ongewenste kapitaalgoederen in magazijnen.”13
  • Deze discrepanties bestonden ook op kwalitatief vlak. Het lukte onvoldoende om via de centrale planning criteria te ontwikkelen voor de kwaliteit van producten. “Wanneer je ze opdraagt om de doelstellingen in hoeveelheid en kosten te halen, maakt het ze niet uit of de variaties, specificaties en ontwerpen van de goederen die zij produceren, voldoen aan de behoeften van de consumenten en de markt.”14
  • Bureaucratische en ondoelmatige werkwijzen, waardoor tijd en middelen onnodig verloren gingen en economische ontwikkeling werd belemmerd.15
  • Technologische innovaties bleven achter en dat gold nog meer voor de toepassing ervan in de productie, met als resultaat dat het ontwikkelingsniveau van de productiekrachten en de arbeidsproductiviteit achterbleef.16 China was indertijd, dankzij de enorme groei in de productie in de voorafgaande jaren en decennia, een van de landen met de hoogste productie in goederen zoals kolen, graan en katoen. “Maar in termen van productie per hoofd van de bevolking is onze productie eigenlijk erg laag.”17

Theoretische onderbouwing van de hervormingen door de CPC in 1979

Om de omslag in de strategie van de CPC en de hervormingen vanaf 1978 te begrijpen, is de belangrijkste vraag wat de CPC als oorzaak zag van deze problemen en in welke richting men naar oplossingen zocht. We nemen de analyses onder de loep van economen en partijkaders die indertijd naar voren werden geschoven in de officiële publicaties van de CPC. We gaan daarbij ook in op bepaalde problematieken in de analyses.

1. Centrale planning als een probleem van overmatige controle

In de eerste plaats werd ‘controle’ indertijd gezien als een belangrijke oorzaak van de disanalogieën en discrepanties in de productie. Met controle werd overigens bedoeld de ‘controle’ op de productie van bovenaf door de centrale planning (het gaat dus niet over ‘arbeiderscontrole’).

Het eerste probleem dat men zag in de centrale planning is dat deze niet in staat zou zijn om in te spelen op de complexe, steeds veranderende behoeften. Daardoor zouden de tekorten ontstaan in het ene product of de ene sector, en overschotten in de andere. “Maar onder socialistische omstandigheden zal een centraal planningsorgaan, wanneer het zich losmaakt van de markt, niet in staat zijn om de steeds veranderende behoeften aan miljoenen soorten producten nauwkeurig te weerspiegelen.”18 Men veronderstelde dat versterking van marktwerking noodzakelijk was om de disanalogieën in de economie op te lossen. Men vond dat voor een complexe en dynamische economie, waarin rekening wordt gehouden met de steeds veranderende behoeften, een combinatie van planning en markt noodzakelijk was.

Het tweede probleem dat men indertijd aankaartte was dat de centrale planning onvoldoende in staat zou zijn om rekenschap te geven van de lokale en individuele behoeften en belangen. “In het algemeen houdt de staat bij het vaststellen van zijn plannen vooral rekening met algemene belangen, terwijl de warenproducenten en de consumenten op de markt bij het maken van hun keuzes vaak vooral rekening houden met lokale en individuele belangen.”19

Econoom Xue Muqiao, die in deze periode naar voren werd geschoven door de CPC, geeft een kenmerkend voorbeeld van dit probleem in de landbouw: van bovenop wordt het doel bepaald om bepaalde producten te produceren, en dit wordt vervolgens mechanisch naar beneden doorgedrukt, ook in regio’s waar die producten een lage opbrengst hebben door bijvoorbeeld het lokale klimaat.20

Maar ook in de industrie deed het probleem zich voor, volgens de analyses die indertijd werden gepubliceerd, omdat de centrale planning ervoor zou zorgen dat er geen band was tussen producent en consument: “Bovendien worden de meeste producten van de ondernemingen uitsluitend door de staat gekocht en op de markt gebracht, en worden de meeste productiemiddelen die de ondernemingen nodig hebben, volgens een uniform plan toegewezen. Aangezien er geen directe banden bestaan tussen producenten en consumenten, zijn de eerstgenoemden niet op de hoogte van de behoeften van de laatstgenoemden en kunnen de laatstgenoemden geen invloed uitoefenen op de eerstgenoemden.”21

Ook deze problemen zouden, volgens de opvatting die indertijd de overhand had gekregen in de CPC, kunnen worden opgelost via het versterken van marktwerking en het combineren van planning en markt. “Een socialistisch land moet bij het omgaan met de belangen van de staat, het collectief en het individu het beginsel van algehele afweging en een goede regeling volgen en mag niet alleen rekening houden met één van deze belangen en de twee andere negeren. Daarom vereist het omgaan met de belangenverhoudingen tussen deze drie zowel regulering door het marktmechanisme als sturing door een uniform plan.”22

De economen en partijkaders die deze analyses maakten, kaartten reële problemen in de economie aan. Onze inschatting is echter dat het onjuist was dat deze problemen werden gezien als tekortkomingen van de centrale planning zelf, want de problemen die hier worden aangekaart hebben eigenlijk te maken met de verhouding tussen de centrale planning en de terugkoppeling ‘van onderop’, vanuit de werkvloer en vanuit de maatschappij, oftewel de arbeiderscontrole.

De arbeiderscontrole –een term die we overigens nauwelijks terugvinden in de publicaties van die tijd– is net als de centrale planning een belangrijke economische verhouding en eigenschap van de communistische productiewijze. Dit geldt ook al in de eerste fase, de socialistische opbouw. De bevolking dient te worden betrokken bij de vorming, uitvoering en controle van het plan. Alleen zo kan zij zich de richting en doelen van het plan actief eigen maken, deze concretiseren voor de eigen sector, bedrijf en afdeling, en de nodige aanpassingen terugkoppelen. De centrale planning moet geen van boven bepaald absoluut plan zijn dat zonder nadenken wordt uitgevoerd. In tegendeel, er is juist een constante dialectische wisselwerking vereist, met terugkoppeling van onderop, met constante dynamische aanpassingen aan de steeds veranderende werkelijkheid.23

2. ‘Socialistische markteconomie’

Nagenoeg alle publicaties van de CPC uit deze periode wijzen de politiek van Lin Biao en de ‘bende van vier’ aan als de belangrijkste reden voor de problemen in de economie. Zij zouden tijdens de Culturele Revolutie de overmatige controle hebben ingesteld en de markt hebben uitgeschakeld, waardoor de disbalans en disanalogieën in de economie konden ontstaan.

Dit werd echter verbonden aan een algemener theoretisch vraagstuk over de verhouding tussen markt en planning in het socialisme. Er wordt kritiek geuit op de “lang bestaande opvatting in de socialistische politieke economie dat, aangezien een socialistische economie een planeconomie is en een kapitalistische economie een markteconomie, de socialistische economie onverenigbaar is met de markt, waarbij een socialistische planeconomie wordt geïnterpreteerd als een eenvoudige en absolute ontkenning van de markt.”24 Daar tegenover ontwikkelde de CPC de theorie “dat planning en de markt in de socialistische economie elkaar niet uitsluiten en evenmin een formele combinatie zijn die uit externe oorzaken is voortgekomen, maar een soort interne, organische band die wordt bepaald door de aard van de socialistische economie.”25

Het belangrijke gegeven in deze analyse is niet dat er wordt gesproken van het bestaan van de markt in de periode van de socialistische opbouw. Het is immers correct dat gedurende de socialistische opbouw de warenproductie en allerlei andere overblijfselen van de kapitalistische economie in verschillende mate blijven voortbestaan zolang de voorwaarden voor de afschaffing ervan niet rijp zijn. Het belangrijke gegeven is dat de markt niet wordt begrepen als een overblijfsel van de kapitalistische productiewijze, maar als een eigenschap van de socialistische verhoudingen zelf, die tot ‘de aard van de socialistische economie’ behoort. Vanuit dat oogpunt kunnen we begrijpen waarom planning niet langer wordt gezien als ‘absolute ontkenning’ van de markt, oftewel waarom er geen tegenstelling meer wordt gezien tussen de centrale planning en de markt.

Sterker nog, de CPC omarmde de theorie dat socialisme een vorm van warenproductie is. Niet alleen de producten van de coöperaties werden dus als waren gezien, maar ook consumptiegoederen en zelfs productiemiddelen werden reeds in 1979 als waren opgevat.26 De al in de jaren ’50 en ’60 door de CPC geformuleerde kritiek op Stalin’s uitwerkingen over de politieke economie, waarin juist werd benadrukt dat de onder de socialistische verhoudingen geproduceerde productiemiddelen geen waren zijn, vinden we hierin terug.27

De CPC sprak in 1979 zelfs al van het invoeren van een ‘socialistische markteconomie’. Deng Xiaoping, indertijd vicevoorzitter en lid van het Staand Comité van het Politiek Bureau van het Centraal Comité van de CPC, stelde: “Het is een socialistische markteconomie. Hoewel een socialistische markteconomie qua methode lijkt op een kapitalistische, zijn er ook verschillen tussen… Maar uiteindelijk gebeurt dit allemaal onder het socialisme in een socialistische samenleving. We kunnen niet zeggen dat markteconomie alleen onder het kapitalisme bestaat. De markteconomie bestond in zijn embryonale stadia al in de feodale samenleving. We kunnen het zeker ontwikkelen onder het socialisme.”28

De theorie dat socialisme een vorm van warenproductie of een markteconomie zou zijn is problematisch en staat ook haaks op de marxistische theorie. De warenproductie bestond weliswaar in voor-kapitalistische maatschappijvormen, maar was daarin niet dominant. Slechts een relatief klein deel van de productie was bestemd voor de markt en was dus een waar. Het overgrote gedeelte van de productie was daarentegen bestemd voor directe consumptie door de directe producent (slaaf, later horige, boer etc.) of de eigenaar (slavenhouder, later feodale heer), en was dus geen waar. Pas onder het kapitalisme wordt de warenproductie een fundamentele economische verhouding, die bepalend is voor de kapitalistische productiewijze. Pas dan wordt nagenoeg alles als waar geproduceerd.

In contrast met het kapitalisme dat op warenproductie gestoeld is, is de socialistische productie gestoeld op de direct maatschappelijke productie. Met de socialistische revolutie en de vermaatschappelijking van de productiemiddelen, ontstaan de socialistische verhoudingen. Daarbij worden de arbeid, productiemiddelen en producten toegedeeld via de centrale planning, en niet via de markt, op basis van de maatschappelijke behoeften, die het doel van de socialistische productie zijn, en niet op basis van de winst. De markt wordt dus opgeheven ten gunste van de direct maatschappelijke productie. Dit gebeurt niet van de een op de andere dag. Het is een proces dat zich in de loop van de socialistische opbouw voltrekt, waarbij de markt en andere overblijfselen van de kapitalistische economie kunnen blijven voortbestaan in verschillende sectoren van de economie waar de voorwaarden voor productie onder socialistische verhoudingen nog niet aanwezig zijn.29

3. De waardewet als wet van het socialisme

De CPC ontwikkelde in deze periode de theorie dat de waardewet, die de waarde van waren bepaalt, een wet zou zijn van de socialistische productiewijze. Dit is ook een logische gevolgtrekking van de opvatting waarin de socialistische economie als een vorm van warenproductie werd gezien en de producten van de socialistische economie als waren.

Dit brengt ons bij de volgende kritiek van de CPC op de geplande economie: “Omdat bij het vaststellen van de prijzen voorbij werd gegaan aan de objectieve eisen van de waardewet, staan de geplande prijzen voor veel producten al lang niet meer in verhouding tot hun waarde.”30 Vanuit dit oogpunt werd de vaststelling van geproduceerde hoeveelheden en prijzen via de centrale planning gezien als een belangrijke oorzaak van het probleem van de disbalans in de economie. “Deze methode om waren te leveren tegen vaste quota en gereguleerde prijzen kan de productie van waren die schaars zijn niet economisch stimuleren en kan daarom de tegenstelling tussen vraag en aanbod niet fundamenteel oplossen.”31

De waardewet werd indertijd door de CPC niet erkend als een wet die invloed heeft door de kapitalistische overblijfselen in de economie, maar als een objectieve wet van de socialistische economie zelf, die noodzakelijk was voor een evenwichtige ontwikkeling van de economie: “In een geplande economie kan een gecoördineerde proportionele verhouding binnen de nationale economie worden gehandhaafd als de waardewet wordt toegepast om de productie te reguleren, en als de productie zowel door planning als door de markt wordt gereguleerd. Dit zal ook helpen om in grote lijnen een evenwicht te vinden tussen de hoeveelheid geld die in omloop wordt gebracht en de hoeveelheid geld die nodig is voor de warencirculatie, tussen de koopkracht en het aanbod van consumptiegoederen.”32

De erkenning van de waardewet als economische wet van het socialisme heeft grote gevolgen. Het betekende dat de centrale planning de economische ontwikkeling moest beoordelen op basis van de waarde die de productie opleverde. Zo werden waarde en de verschillende uitingsvormen daarvan, zoals prijs, kosten-baten en winst, verheven tot de voornaamste economische indicatoren en criteria. Eerder publiceerden we stukken die ingaan op de problemen die het oplevert als zulke indicatoren worden gehanteerd in de centrale planning en de socialistische economie.33 Het betekende echter vooral een drastische inperking van de rol van de centrale planning in de economische ontwikkeling. Deze opvatting over de waardewet hangt nauw samen met het vraagstuk van het doel van de productie onder het socialisme.

4. Het doel van de productie in de socialistische productiewijze

De CPC beoordeelde dat alle eerdergenoemde problemen in de economie, zoals disanalogieën en bureaucratische werkwijzen, te maken hadden met een verkeerde opvatting over de doel van de socialistische productie. Daarbij werd gerefereerd naar Stalin’s kritiek op Jaroshenko over het doel van de socialistische productie. Stalin bekritiseerde de cirkelredenering van Jaroshenko, die in wezen stelde dat productie het doel was van de socialistische productie. Stalin definieerde het doel van de productie in het socialisme als de mens en zijn behoeften, meer specifiek “het waarborgen van de maximale bevrediging van de voortdurend stijgende materiële en culturele behoeften van de hele maatschappij.”34

De CPC beriep zich indertijd op deze inzichten en stelde dat Lin Biao en de bende van vier zouden zijn uitgegaan van het idee van ‘productie voor productie’. Daarbij werd kritiek geuit op de wijze waarin de relatie tussen productie en consumptie in de voorgaande jaren werd begrepen, het loskoppelen van de ontwikkeling van productiekrachten en de ontwikkeling van consumptie, en het blind najagen van hoge productiedoelen.35 Dit kan –in ieder geval gedeeltelijk– wel gezien worden als terechte kritiekpunten op eerder beleid, dat leidde tot “meer haast, maar minder snelheid,” zoals indertijd werd gezegd.

Deze problemen werden echter niet gecorrigeerd in de juiste richting. De focus verleggen van ‘productie voor productie’ naar ‘productie voor maatschappelijke behoeften’, zou versterking en verbetering van de centrale planning en de arbeiderscontrole vereisen, zodat het plan beter de maatschappelijke behoeften reflecteert. In plaats daarvan, werd de vraag als bepalende factor genomen. Het verleggen van de focus van ‘productie voor productie’ naar ‘productie voor maatschappelijke behoeften’, werd zo in wezen een voorwendsel voor ‘productie voor de markt’.

Deze oriëntatie op de markteconomie en de erkenning van de rol van de waardewet betekende dat er een veel kleinere rol was weggelegd voor de centrale planning. Dit brengt ons bij het volgende punt.

5. Zelfbestuur in plaats van centrale planning

De overmatige controle via de centrale planning werd als voornaamste reden gezien voor de bureaucratie en inefficiënte werkwijzen. De oplossing zag men in het afschalen van de centrale planning en het versterken van het zelfbestuur van bedrijven. “Daarom is het noodzakelijk om de administratieve organen drastisch in te krimpen, de administratieve procedures te vereenvoudigen en het recht van een onderneming om haar eigen zaken te regelen, uit te breiden. Ondernemingen moeten alle kansen krijgen om zoveel mogelijk zelf te doen. (…) Kortom, we moeten ons zoveel mogelijk onthouden van inmenging in de economische activiteiten van ondernemingen door middel van administratieve bevelen, maar moeten trachten hun economische activiteiten te reguleren met economische middelen.”36

Bedrijven moesten niet via directe administratieve handelingen worden geleid, maar worden gestuurd via fiscaal beleid, prijsbeleid, aanlevering van grondstoffen en brandstof, investeringsbeleid en leningen.37

Ongetwijfeld kan de socialistische staat gebruikmaken van zulke beleidsinstrumenten om de economie te sturen in sectoren die nog niet kunnen worden geïntegreerd in de centrale planning. Problematisch is dat deze beleidsinstrumenten als uitingen van centrale planning werden gezien. Het zijn uitingen van economische planning, maar dat is iets anders dan centrale planning als een communistische productieverhouding. Economische planning bestaat ook in het kapitalisme: de overheid maakt plannen en voert economisch beleid, en ook individuele kapitalistische bedrijven werken op basis van economische planning.

De socialistische centrale planning is echter iets anders. Het is een maatschappelijke verhouding, die de vereniging van de arbeidskracht met de productiemiddelen organiseert op basis van de direct maatschappelijke arbeid. Dat wil zeggen de arbeid die direct vanaf het begin onderdeel is van de maatschappelijke arbeid voor de maatschappelijke behoeften. De direct maatschappelijke arbeid staat in contrast met de warenproductie waarin een tegenstelling bestaat tussen de particuliere arbeid en de maatschappelijke arbeid, waarbij het maatschappelijk karakter van de arbeid pas achteraf –“via een omweg” zoals Marx schreef– deel uitmaakt van de maatschappelijke arbeid. Centrale planning vereist dus het opheffen van de tegenstelling tussen maatschappelijke en de particuliere arbeid die ten grondslag ligt aan de warenproductie. Centrale planning is productie zonder tussenkomst van de markt.38

De CPC ontwikkelde een abstracte opvatting van ‘centrale planning’, waarin het in wezen geen andere betekenis had dan ‘planning’ in abstracto, in de zin van staatsinterventie in de economie. Zo verloor het begrip zijn concrete klasseninhoud en verdwijnt de antagonistische relatie tussen centrale planning en warenproductie (markt).

Zoals uitgelegd in een artikel van invloedrijk econoom en kaderlid van de CPC Xue Muqiao, dat indertijd door de partij werd aangeprezen als toelichting op de economische maatregelen, moest het karakter van de staatsplannen veranderen. “Alle staatsplannen voor landbouwproducten” en “de meeste staatsplannen die zijn opgesteld voor staatsbedrijven” moeten voortaan “slechts ter referentie dienen (…) waarover de ondernemingen zelf beslissen. (…) Hoe kunnen de productieplannen voor verschillende producten worden gerealiseerd als eenheden in de collectieve economie het recht krijgen om hun eigen zaken te regelen? We zullen voornamelijk moeten vertrouwen op de waardewet.”39

We zien hier een abstract begrip van planning, dat in wezen slechts inhoudt dat de staat macro-economisch beleid voert om te interveniëren in de (markt-) economie. Het gaat in wezen niet langer om centrale planning als socialistische productieverhouding.

6. Inkomensverschillen voor economische prikkels

Een andere oorzaak van ondoelmatige werkwijzen lag, volgens de analyses van die tijd, in het gebrek aan motivatie en economische prikkels: “Omdat materiële belangen geen verband hielden met de wijze waarop een onderneming werd geleid, werd kostenberekening een formaliteit en kon deze niet worden gebruikt om de productie te verhogen door in te spelen op de collectieve materiële belangen van de werkers en het personeel. (...) de ondernemingen en de werkers en het personeel ontbrak het nog steeds aan een blijvende motivatie om de productiekosten te verlagen, de kwaliteit van de producten te verbeteren en het assortiment uit te breiden om aan de behoeften van de consument te voldoen. Verspilling op verschillende gebieden bleef een hardnekkig probleem.”40

Om dit probleem te verhelpen vond men dat het van belang was inkomensverschillen te bevorderen, wat interessant genoeg werd beargumenteerd door te verwijzen naar het principe van ‘ieder naar zijn werk’.41 Dit principe duidt op een verschil in de distributieverhoudingen tussen de fase van de socialistische opbouw en het ontwikkelde communisme. In het verloop van de socialistische opbouw worden aanvankelijk veel producten en diensten verdeeld op basis van de verrichte arbeid. Met andere woorden, ieder kan op basis van diens deelname aan de maatschappelijke arbeid aanspraak maken op een respectievelijk aandeel van het maatschappelijk product (er is veel geschreven over de vraag in hoeverre naast arbeidstijd andere criteria daarin een rol moeten spelen, maar dat is voor nu verder niet van belang). Naarmate de productiekrachten zich ontwikkelen en de communistische verhoudingen zich consolideren, worden meer en meer producten en diensten niet meer aangeboden ‘naar arbeid’ maar ‘naar behoefte’. Dat wil zeggen dat ze beschikbaar zijn voor wie ze nodig heeft. Aanvankelijk kan dat vooral sectoren betreffen zoals onderwijs en zorg, maar later ook steeds meer anderen.

De CPC ontwikkelde in deze tijd een andere interpretatie van ‘ieder naar zijn werk’. In wezen werd voorgesteld dat de waarde van het resultaat van de arbeid bepalend moet zijn voor het inkomen. Dit staat in nauw verband met de bovengenoemde aspecten, want het veronderstelt dat het resultaat van de arbeid onder het socialisme een waar is en dus waarde heeft.

Vanuit dat oogpunt veronderstelde men dat mensen verschillende ‘materiële belangen’ hebben – waarmee werd bedoeld dat mensen waarvan de arbeid verschillende hoeveelheid waarde oplevert aanspraak zouden maken op verschillende inkomens. “In de socialistische periode is arbeid niet de belangrijkste behoefte in het leven geworden, zoals dat in de communistische periode het geval is, maar slechts een middel om in het levensonderhoud te voorzien. Aangezien het werkvermogen en de omvang van de bijdragen van mensen verschillen, blijven er verschillen bestaan in hun materiële belangen, die niet alleen tot uiting komen in de verhoudingen tussen mensen onderling, maar ook tussen verschillende ondernemingen binnen de categorie van eigendom van het hele volk.”42 Met ‘eigendom van het hele volk’ werd overigens gedoeld op het socialistisch, maatschappelijk eigendom, waarmee dus werd benadrukt dat deze inkomensverschillen niet betrekking hebben op kapitalistische overblijfselen of de gecollectiviseerde economie, maar juist de socialistische economie zelf.

Met deze opvatting over de distributieverhoudingen onder het socialisme werd in wezen de weg geopend voor het vergroten van inkomensverschillen. Via hogere inkomens en bonussen wordt de mogelijkheid geschept voor bepaalde maatschappelijke lagen –in het bijzonder degenen die bestuurlijk werk verrichten in plaats van uitvoerend– om zich een gedeelte van het maatschappelijk product toe te eigenen.

7. Socialisme als staatseigendom

Het afzwakken van de centrale planning ten gunste van marktwerking en warenverhoudingen, werd door de CPC niet gezien als een stap terug of een compromis, maar als een stap richting het socialisme. Dit werd gebaseerd op een opvatting die in wezen socialisme vereenzelvigde met staatseigendom.

Zhao Ziyang, indertijd lid van het Politiek Bureau van het Centraal Comité van de CPC, die later premier en algemeen secretaris zou zijn, stelde indertijd het volgende: “Natuurlijk moeten we de socialistische weg blijven volgen. Maar wat is socialisme? Er heerste verwarring onder de bevolking en veel dingen die niet socialistisch zijn, werden beschouwd als heilige en onschendbare principes. (...) Het onderscheidende kenmerk van socialisme is het publieke eigendom van de productiemiddelen, en het principe van socialisme is ‘ieder naar zijn arbeid. Zolang deze twee principes worden gehandhaafd, is er een duidelijke scheidslijn tussen enerzijds socialisme en anderzijds kapitalisme en alle andere sociale systemen die gebaseerd zijn op privé-eigendom van de productiemiddelen en de uitbuiting van de mens door de mens. Met deze twee principes als uitgangspunt moeten we elk systeem, elke structuur, elk beleid en elke methode aannemen die het meest effectief zijn om de ontwikkeling van de productiekrachten te bevorderen en de superioriteit van het socialistische systeem tot uiting te brengen.”43

Er zijn dus twee criteria: de productiemiddelen moeten ‘publiek eigendom’ zijn en mensen moeten worden betaald ‘naar hun arbeid’. In abstracto zijn dit ongetwijfeld inderdaad belangrijke kenmerken van het socialisme. Dit wordt echter in de context geplaatst van de kritiek op de centrale planning die drastisch moest worden beperkt enerzijds, en de opvatting dat de resultaten van de arbeid bepalend zijn om ruimte te bieden aan inkomensverschillen. De boodschap is dus dat we de eigendomsverhoudingen los moeten zien van centrale planning van de productie en distributie. Met andere woorden, het socialisme kan volgens deze definitie elementen bevatten zoals de markt, inkomensverschillen en zelfs loonarbeid en winst – niet als kapitalistische overblijfselen, maar als elementen van de socialistische economie.

Om te spreken van socialistische verhoudingen, is het niet voldoende dat een bedrijf staatseigendom is. Een staatsbedrijf dat productiekrachten via de markt aanschaft, de producten via de markt verkoopt en functioneert op basis van loonarbeid, is een kapitalistisch bedrijf. Om te spreken van socialistisch, maatschappelijk eigendom, moet het bedrijf daadwerkelijk in handen zijn van de maatschappij, geïntegreerd in de centrale planning en de arbeiderscontrole, waarin de arbeid een direct maatschappelijke karakter heeft.44 De opvatting dat “elk systeem, elke structuur, elk beleid en elke methode” kan worden aangenomen zolang er maar sprake is van ‘publiek eigendom’, is vanuit dat opzicht problematisch. In wezen wordt socialisme zo vereenzelvigd met staatseigendom.

Van de marxistische naar de burgerlijke politieke economie

We hebben gezien hoe de CPC de politieke economie ontwikkelde in reactie op bepaalde problemen in de economie, zoals die door de CPC indertijd werden begrepen. Deze ontwikkeling vond plaats te midden van een ideologische strijd binnen de CPC, waarbij de bovengenoemde theoretische posities vooral moeten worden gezien als een uitkomst van die strijd waarin een bepaalde richting de overhand kreeg. Als we deze theoretische posities waarmee de hervormingen werden onderbouwd in hun samenhang bekijken, is het kenmerkend dat de CPC de marxistische politieke economie op veel vlakken verlaat en terugkeert naar oudere posities van de burgerlijke politieke economie.

De klassieke politieke economen zagen de warenproductie en andere aspecten van de kapitalistische productiewijze als eeuwige verschijnselen. Marx en Engels bekritiseerden dit. Ze onthulden de relatie tussen de waar en het kapitalisme. Ze onthulden hoe de verdere ontwikkeling van de simpele warenproductie, die al in de voor-kapitalistische socio-economische formaties45 bestond, noodzakelijkerwijs leidde tot het ontstaan van de kapitalistische warenproductie46 en de kapitalistische productiewijze.47 Een ontwikkeling die logisch en historisch noodzakelijk is en voortkomt uit de ontwikkeling van de interne tegenstellingen van de waar en de warenproductie zelf. In de onderbouwing van de hervormingen koppelen de theoretici van het ‘hervormen en openstellen’ de warenproductie en het kapitalisme los van elkaar, waarmee ze in wezen dezelfde denkfout maken die Marx en Engels in de 19e eeuw reeds bekritiseerden.

In het verlengde daarvan ligt de theorie van ‘socialistische markteconomie’, met de theorie dat het socialisme een vorm van warenproductie is, dat de onder socialisme geproduceerde producten waren zijn en waarde hebben, en dat de waardewet dus een wet van de socialistische economie zou zijn. Deze theorie wijkt fundamenteel af van de posities van Marx en Engels. Immers benadrukten zij –en toonden logisch aan– dat in het socialisme sprake is van direct maatschappelijke arbeid.48 Dat houdt de negatie of opheffing van de warenproductie in. Immers lost het socialistische maatschappelijk eigendom (met de centrale planning en arbeiderscontrole) de tegenstelling tussen de particuliere arbeid en de maatschappelijke arbeid op, die ten grondslag ligt aan de warenproductie en aan het bestaan van waarde. In wezen worden categorieën die eigen zijn aan de kapitalistische productiewijze (waren, waarde) onhistorisch opgevat en op metafysische wijze toegepast op een productiewijze die deze categorieën niet kent. “Het is de fout van alle economen die de verhoudingen van de burgerlijke productie als iets eeuwigs voorstellen,” zoals Marx schreef in zijn kritiek op de burgerlijke politieke economie.49

Voor de volledigheid benadrukken we hier dat we zeker niet ontkennen dat in de periode van de socialistische opbouw warenproductie enige tijd blijft voortbestaan, en in de mate dat er waren zijn heeft ook de waardewet een rol in de economie. Maar we hebben het dan strikt over overblijfselen van de kapitalistische productiewijze die vreemd zijn aan het socialisme. Daar is dus sprake van een tegenstelling tussen oude en nieuwe verhoudingen in de economie, die met strijd moet worden overwonnen. Het probleem ligt dus niet in de erkenning van het bestaan van deze verschijnselen in de periode van de socialistische opbouw, maar in de conceptualisering van deze categorieën als eigenschappen van het socialisme zelf door de CPC, waardoor ze niet langer begrepen worden als kapitalistische overblijfselen die bestreden moeten worden, maar als neutrale eigenschappen van het socialisme die zelfs bevorderd zouden moeten worden. De ontwikkeling van warenproductie brengt echter noodzakelijkerwijs de ontwikkeling van kapitalisme. Immers is kapitalisme uiteindelijk “warenproductie op de hoogste trap van haar ontwikkeling”.50

Kenmerkend daarbij is dat de CPC belangrijke concepten uit de marxistische politieke economie herdefinieert. Ook hier zien we dat de CPC terugvalt in definities van de burgerlijke politieke economie. Dat zien we bij fundamentele concepten, zoals het maatschappelijk eigendom van de productiemiddelen, de centrale planning en ‘ieder naar zijn arbeid’.

Zo hebben we hierboven gezien hoe het concept maatschappelijk eigendom werd geherdefinieerd doordat het werd gelijkgesteld aan staatseigendom. Vermaatschappelijking van het eigendom van de productiemiddelen wil in de marxistische theorie niet alleen zeggen dat productiemiddelen formeel-juridisch eigendom zijn van de maatschappij of de staat. In de marxistische politieke economie is maatschappelijk eigendom een communistische productieverhouding. Het is een maatschappelijke verhouding die ontstaat op basis van de opheffing van het private eigendom en de opheffing van de daarop gebaseerde tegenstelling tussen de maatschappelijke arbeid en de private toe-eigening van de resultaten ervan. Vermaatschappelijking van de productiemiddelen betekent ook dat de productie een direct maatschappelijk karakter krijgt. Er is dus geen maatschappelijk eigendom zonder centrale planning, zonder arbeiderscontrole en algemener buiten het kader van de communistische productieverhoudingen.

Door vermaatschappelijking te vereenzelvigen met staatseigendom, als een puur formele eigendomsverhouding ontdaan van de productieverhoudingen, verliest het begrip zijn inhoud. Het is een formalistische51 opvatting die typerend is voor de burgerlijke politieke economie, waarin maatschappelijk eigendom niets anders betekent dan dat een bedrijf formeel-juridisch staatseigendom is, los van de sociaal-economische verhoudingen die in dat bedrijf en in de maatschappij bestaan.

Op vergelijkbare wijze zien we hoe de centrale planning niet alleen werd bekritiseerd als een systeem van overmatige ‘controle’, maar ook werd geherdefinieerd als sturing door de staat via fiscaal, monetair en ander economisch beleid. In wezen werd ‘planning’ (‘centrale’ wordt in deze periode steeds vaker weggelaten) begrepen zoals het in de burgerlijke politieke economie wordt begrepen. Namelijk als staatsinterventie in de economie. Dit zien we ook in werken van Deng Xiaoping, waarin hij economische planning door de burgerlijke staat in kapitalistische landen gelijkstelt aan de centrale planning in de socialistische Sovjet-Unie: “Waarom blijven sommige mensen volhouden dat de markt kapitalistisch is en alleen planning socialistisch? (…) Het is niet juist om te zeggen dat planning alleen socialistisch is, want ook in Japan is er een planningsafdeling en ook in de Verenigde Staten wordt er gepland. Ooit hebben we het Sovjetmodel van economische ontwikkeling gekopieerd en hadden we een planeconomie. Later zeiden we dat planning in een socialistische economie voorop stond. Dat moeten we niet langer zeggen.”52

Dit wijkt af van de marxistische conceptualisering van centrale planning (merk op dat Deng Xiaoping ‘centrale’ weglaat) als een maatschappelijke verhouding. Een verhouding die op een radicaal andere manier dan het kapitalisme, namelijk zonder tussenkomst van de markt, de vereniging van de arbeidskracht met de productiemiddelen organiseert.53

Ook het concept ‘ieder naar zijn arbeid’ wordt op een verdraaide, burgerlijke wijze geïnterpreteerd, en ingezet als hefboom om een systeem van inkomensverschillen en bonussen te introduceren in de socialistische economie.

De beweging van de marxistische politieke economie naar het standpunt van de burgerlijke politieke economie, is echter misschien nog wel het meest duidelijk zichtbaar in de inhoud van de kritiek op de centrale planning. Op dat vlak vertonen de analyses van de CPC vanaf 1978 exact dezelfde argumentatie als we kunnen vinden in de burgerlijke kritiek van het communisme. Bureaucratische werkwijzen, een ondynamische economie die niet overeenkomt met de behoeften, plannen die van bovenaf worden doorgedrukt zonder terugkoppeling van onderop, eenzijdige focus op kwantiteit ten koste van de kwaliteit van producten, allerlei disanalogieën die ontstaan in de productie, onvermogen om naast de behoeften aan productiemiddelen ook in de behoeften aan consumptiegoederen te voorzien: het zijn allemaal problemen die door de CPC, in lijn met de burgerlijke kritiek van het communisme, ten onrechte worden toegeschreven aan de centrale planning zelf, in plaats van subjectieve tekortkomingen die juist overwonnen kunnen worden in de strijd voor de versterking van de socialistische verhoudingen in de economie.

Bestaande ideologische problemen als ondergrond

Deze ontwikkelingen in de theorie van de CPC kwamen niet uit de lucht vallen. Enerzijds is er sprake van een breekpunt in 1978, waarbij we de theoretische uitwerkingen van de CPC kunnen zien als het product van een ideologische strijd binnen de partij in de jaren ’70. Tegelijkertijd bouwen de theoretische uitwerkingen van die tijd ook voort op reeds bestaande problemen en zwaktes in de opvattingen en strategie van de CPC.

Zo staat de ‘socialistische markteconomie’ en het loskoppelen van markt en kapitalisme in het verlengde van de theorie over ‘socialistische warenproductie’, die de CPC al decennia eerder had aanvaard.54 “In een kapitalistische context is het kapitalistische warenproductie. In een socialistische context is het socialistische warenproductie”, stelde Mao al in 1961.55

Een onderliggend theoretisch-ideologisch probleem dat al veel langer speelde is wellicht de theorie van niet-antagonistische tegenstellingen, die Mao in 1937 verwoordde.56 Die opvatting weerspiegelde posities die al eerder waren uitgewerkt in discussies onder sovjetfilosofen eind jaren ’20 en begin jaren ’30.57 In de Sovjet-Unie was die opvatting de ondergrond voor de ontwikkeling van rechts-opportunistische posities en economische theorieën waarin de tegenstellingen tussen enerzijds de centrale planning en de communistische productieverhoudingen en anderzijds de markt en andere overblijfselen van het kapitalisme als niet-antagonistisch werden gezien. Benaderingen waarin werd verondersteld dat de warenverhoudingen niet via klassenstrijd moesten worden overwonnen maar konden blijven voortbestaan of zelfs dat uitbreiding van marktmechanismen het socialisme dichterbij zou kunnen brengen.58 In de Communistische Partij van de Sovjet-Unie kregen deze benaderingen pas de overhand met het 20ste Congres in 1956.59

In de CPC zien we dat dat deze theorie over niet-antagonistische tegenstellingen in de jaren ’70 wordt aangegrepen in de theoretische onderbouwing van de hervormingen die werden doorgevoerd, onder andere ter onderbouwing van de theorie van de ‘socialistische markt economie’. Maar op politiek niveau is dit ook verbonden aan de houding van de CPC tegenover de ‘nationale bourgeoisie’, die door de CPC als bondgenoot werd gezien, niet alleen in de nationale bevrijdingsstrijd maar ook in de socialistische opbouw.60

De opvatting over ‘productie voor maatschappelijke behoeften’, die we hierboven hebben toegelicht, bouwt in wezen voort op de onderschatting van het belang van de productie van productiemiddelen (Sector I) die ook al decennia speelde in de discussies in de CPC, waarin regelmatig de neiging bestond de landbouw en lichte industrie (gericht op productie van consumptiegoederen) te prioriteren boven de productie van productiemiddelen.61

In een eerder gepubliceerd artikel dat uitgebreider in gaat op de ontwikkeling van de strategie van de CPC in de periode tot 1978, wordt gesproken van een onderschatting van de leidinggevende rol van de partij in de socialistische opbouw, en er wordt op gewezen dat het onvoldoende lukte om praktische invulling te geven aan de voorhoederol van de arbeidersklasse in de socialistische opbouw.62 Zulke zwaktes in de uitwerkingen van de CPC omtrent de subjectieve factor ondermijnen het vertrouwen in het vermogen van de arbeidersklasse om met de arbeidersmacht de problemen die zich in de socialistische opbouw voordoen te overwinnen. In die zin werkten ook deze tekortkomingen ‘oplossingen’ in de richting van markthervormingen in de hand.

Samenvattend kunnen we stellen dat de CPC probeerde reële problemen in de economie via de uitbreiding van marktelementen in de economie aan te pakken, en dat de oplossing in deze richting werd gezocht, had mede te maken met zulke theoretische zwaktes die reeds bestonden in de CPC. Het had te maken met het onvermogen om een duidelijke en overtuigende strategie te ontwikkelen die problemen oploste in de richting van het vormen van voorwaarden om de socialistische verhoudingen te verdiepen. Dit werd nog verder aangezwengeld door problemen als gevolg van links-radicalistische politiek in de voorgaande jaren.

Dat een aantal reeds bestaande zwaktes een vruchtbare bodem waren voor de ontwikkeling van marktgezinde opvattingen, doet er niets aan af dat 1978 ook een breukpunt was, waarin rechts-opportunistische krachten de overhand kregen en ingrijpende aanpassingen in de strategie ontwikkelden in de richting van versterking van waren- en geldverhoudingen en andere kapitalistische elementen.

Ideologische strijd omtrent de hervormingen

We benoemden al dat de hervormingen het resultaat waren van een ideologische strijd binnen de partij in de jaren 70. Schematisch kan daarin grofweg een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds een ‘rechtse stroming’, waarvan Deng Xiaoping de bekendste vertegenwoordiger is, en anderzijds een ‘linkse stroming’, vertegenwoordigd door Lin Biao en de ‘Bende van Vier’ die in 1976 werden gearresteerd.

De ‘linkse stroming’ oriënteerde zich op de voortzetting van de culturele revolutie. Wat de economie betreft, oriënteerde deze groep zich in het algemeen op verdere ontwikkeling van centrale planning en minder op het uitbreiden van waren- en geldverhoudingen. Dat neemt overigens niet weg dat hierboven geschetste problematieken bij de theoretische onderbouwing van de economische hervormingen tot op zekere hoogte ook speelden in de lijn die door de vertegenwoordigers van deze ‘linkse stroming’ werd vertegenwoordigd.63

Na de arrestatie van de ‘Bende van Vier’ in 1976 en de kritiek die de partij formuleerde op de deze stroming en de excessen van de Culturele Revolutie waarvoor zij verantwoordelijk werd gehouden, was de ideologische strijd nog altijd duidelijk merkbaar over welke kant het dan wel op moet.

Deze ideologische strijd kwam tot uiting in een filosofische discussie binnen de partij over het criterium van de waarheid, die op ideologisch vlak een belangrijke context is waarbinnen de theoretische onderbouwing van de maatregelen in de economie plaatsvond.

Aanleiding voor deze discussie was een redactioneel van de krant van de CPC op 7 februari 1977, waarin stond: “Laten we de grote vlag van voorzitter Mao hoog houden, zijn revolutionaire lijn nog bewuster volgen, al zijn beleid resoluut verdedigen en al zijn instructies strikt naleven, ons zo nauw mogelijk aansluiten bij het Centraal Comité van de Partij onder leiding van voorzitter Hua.”64 Deng Xiaoping schreef een reactie op dit redactioneel. Daarin bekritiseerde hij het standpunt dat al het beleid en alle instructies van Mao moesten worden verdedigd (‘two whatevers’ wordt deze benadering in het Engels genoemd) en benadrukte hij dat Mao niet onfeilbaar was. Vervolgens benadrukte hij ook dat “Marx, Engels, Lenin en Stalin allemaal fouten maakten”.65

Dat iedereen weleens fouten maakt is een open deur, maar in de gegeven historische en politieke context kan dit worden gezien als een poging om de koers van de partij onder Hua Guofeng, die indertijd partijvoorzitter en premier was, verder ter discussie te stellen. In mei dat jaar schreef Hu Fuming een artikel getiteld ‘Praktijk is het enige criterium voor het testen van de waarheid’, waarin wordt verwezen naar Lenin’s kennistheoretische inzichten. Dit werd in deze discussie aangegrepen door voorstanders van nog de verdergaande hervormingen in de economie.

We zullen verder niet ingaan op de inhoudelijke details van deze discussie, die soms een wat scholastisch66 karakter lijkt te hebben. In de kern was de discussie in de eerste plaats een uiting van politiek-ideologische tegenstellingen omtrent de koers van de partij in de socialistische opbouw en hoe ver de economische hervormingen moesten gaan. Uiteindelijk werd de kritiek van Deng Xiaoping bekrachtigd door het Centraal Comité, wat in de gegeven historische en politieke context vooral betekende dat de weg open was voor verdere herziening van partijbesluiten en principes.

Politiek-ideologische rechtvaardiging van een nieuw pad

Omdat dit artikel zich richt op de theoretische onderbouwing van de hervormingen in de economie, hebben we ons met name gericht op de politieke economie. Maar het nieuwe pad dat de CPC insloeg vanaf 1978 moest ook politiek-ideologisch worden gerechtvaardigd. Zeker aangezien de hervormingen door de partij niet gezien werden als een compromis of een tijdelijke stap terug, maar een verdere stap in het bouwen van het socialisme. Sterker nog, het werd juist als een belemmering gezien dat de marktwerking niet direct in alle sectoren kon worden doorgevoerd.67 We vinden die politieke en ideologische rechtvaardiging van de ingeslagen weg terug in partijdocumenten en -publicaties van die periode. We zullen hier, gezien de omvang van het stuk en de nadruk op de economische aspecten, slechts zeer beknopt enkele elementen uitlichten die nauw samenhangen met de theoretische onderbouwing vanuit de politieke economie.

We zagen eerder al dat de politiek van Lin Biao en de zogenaamde ‘bende van vier’, die een belangrijke rol speelden in de Culturele Revolutie en voorstanders waren van voortzetting van deze beweging, werd bekritiseerd door de voorstanders van de hervormingen. De Culturele Revolutie werd verantwoordelijk gehouden voor de “zwaarste tegenslag en de zwaarste verliezen”.68 Nu speelden er allerlei reële problemen in de culturele revolutie, die ook ruimte creëerden voor reformistische opvattingen. In een eerder gepubliceerd artikel gaan we daar wat dieper op in.69

Hoe dan ook werd de politiek en het historische verloop van de Culturele Revolutie verworpen door het nieuwe leiderschap. In het licht van deze discussies pleitte Deng Xiaoping in september 1977 voor het begin van een periode die Boluan Fanzheng werd genoemd, wat vrij vertaald kan worden als de periode van ‘de zaken rechtzetten’, vaak uitgelegd als ‘chaos elimineren en terugkeren naar normaal’, waarbij ‘chaos’ vooral verwijst naar de culturele revolutie.

In juni 1981 neemt de zesde vergadering van het Centraal Comité de resolutie aan ‘over bepaalde kwesties in de geschiedenis van onze partij sinds de oprichting van de Volksrepubliek China’. Het is de eerste keer dat openlijk in een formeel partijdocument kritiek wordt geuit op de culturele revolutie op zich –en niet de excessen ervan of de wijze waarop Lin Biao en de ‘bende van vier’ te werk gingen– en ook op de rol van Mao Zedong.

In de resolutie wordt o.a. de volgende positie ingenomen: “de klassenstrijd vormt niet langer de belangrijkste tegenstelling.” In plaats daarvan is de tegenstelling “tussen de vraag van de bevolking naar snelle economische en culturele ontwikkeling en de huidige toestand van onze economie en cultuur, die niet voldeed aan de behoeften van de bevolking” bepalend. Daarom wordt als voornaamste doel gesteld: “alle inspanningen te concentreren op de ontwikkeling van de productiekrachten, de industrialisering van het land en het geleidelijk voldoen aan de voortdurend groeiende materiële en culturele behoeften van de bevolking.”70

De resolutie erkent weliswaar dat er nog klassenstrijd plaatsvindt in de periode van de socialistische opbouw, maar er wordt gesteld dat dit niet moet worden overdreven. Mao wordt uitgebreid bekritiseerd omdat hij: “de klassenstrijd, die in de socialistische samenleving slechts binnen bepaalde grenzen bestaat, verbreed en geabsolutiseerd heeft.” De resolutie ontkent dat de bourgeoisie nog bestaat onder het socialisme en dat dat een bron van revisionisme is die zich ook in de partij kan uitdrukken. Het voortbestaan van de klassenstrijd zou volgens de resolutie voornamelijk betrekking hebben invloeden vanuit het buitenland en “bepaalde binnenlandse factoren” die niet worden geconcretiseerd.71

Op ideologisch vlak wordt dus afgerekend met de theorie van de klassenstrijd als ‘voornaamste schakel’ tijdens socialistische opbouw en in het bijzonder de Culturele Revolutie, die de CPC in de jaren ervoor had uitgedragen. De kritiek op reële problemen van de culturele revolutie werden zo aangegrepen voor de bevordering van een benadering waarin de klassenstrijd in de periode van de socialistische opbouw ernstig werd onderschat.

De hoofdtaak moest dus de ontwikkeling van de productiekrachten zijn en modernisering van de economie. Een leus die de CPC interessant genoeg tegelijkertijd naar voren schoof met de eerder beschreven kritiek op ‘productie voor productie’.72

De hervormingen vanaf 1978 en in de jaren ’80 werden dan ook doorgevoerd onder de leus van ‘socialistische modernisatie’.73 Daarbij werd gesproken van vier moderniseringen, namelijk van de landbouw, industrie, wetenschap en technologie, en defensie. Deze ‘vier moderniseringen’ vinden we overigens al in 1963, werden opnieuw benadrukt door Zhou Enlai in 1975 op het 4e Nationale Volkscongres, en werden vanaf 1978 door Deng Xiaoping aangegrepen voor het doorvoeren van de economische hervormingen, inmiddels met een hele andere inhoud. Doel van de vier moderniseringen zou een gematigd welvarende samenleving zijn. Met andere woorden, het inkomen en de welvaart moest met de hervormingen omhoog.

In dat kader werd in 1978 dus het startschot gegeven voor het ‘hervormen en openstellen’. In maart 1979 besloot een conferentie van CPC tot de ‘vier grondbeginselen’, die later werden vastgelegd in de grondwet van 1982.74 Die vier grondbeginselen waren: de socialistische weg, de democratische volksdictatuur, het leiderschap van de CPC en het marxisme-leninisme met het Mao Zedong gedachtegoed.75 Wat onder elk van die begrippen werd verstaan is natuurlijk de vraag.

In 1982 werd het begrip ‘socialisme met Chinese karakteristieken’ geïntroduceerd.76 Dat is de formele term die de CPC tot op de dag van vandaag hanteert, en het bevat ook alle hierboven beschreven principes voor de economie zoals die eind jaren ’70 werden uitgewerkt.

Vergelijking met de NEP

Regelmatig verschijnen artikelen waarin de maatregelen van het ‘hervormen en openstellen’ worden vergeleken met de Nieuwe Economische Politiek (NEP) die de bolsjewieken in 1921 doorvoerden. De NEP stond versterking van waren- en geldverhoudingen in de stad en op het platteland toe, in een periode waarin de door oorlog en burgeroorlog ontwrichtte industrie niet in staat was de landbouw te voorzien van de nodige productiemiddelen om de landbouw op basis van socialistische verhoudingen te organiseren. In een tijd waarin de landbouw grotendeels via patriarchale verhoudingen verliep, kon marktwerking een rol spelen in het verhogen van de productie om de steden te voeden en het herstel en de opbouw van de socialistische industrialisatie te faciliteren. Het betrof een tijdelijke fase in een specifieke historische context, die de industrie in staat stelde om de kleine en middelgrote boerenstand te faciliteren met de infrastructuur, zoals tractoren, oogstmachines en mest, die de overgang naar grootschalige, collectieve landbewerking mogelijk maakte. In 1928 werd de NEP dan ook beëindigd.

Als we kijken naar de situatie van China in 1978, dan is duidelijk dat de vergelijking niet op gaat. China had, ondanks allerlei tekortkomingen en problemen, wel degelijk een industrie opgebouwd die in staat was de landbouw te faciliteren. De landbouw was gecollectiviseerd en tot op zekere hoogte ook gemechaniseerd. Er was geen sprake van overwegend patriarchale verhoudingen in de landbouw.

Overigens vinden we deze vergelijking niet in de formele documenten van de CPC zelf. Sterker nog, nergens in de documenten vinden we de stelling, of zelfs maar een hint dat het zou gaan om tijdelijke maatregelen zoals de NEP. In tegendeel, er wordt nadrukkelijk beargumenteert dat deze maatregelen eigen zijn aan het socialisme, dat het hervormen en openstellen ‘nooit zal stoppen’. Ook de jaren erna blijft de CPC benadrukken dat de hervormingen blijvend zijn. Deng Xiaoping schreef: “Daarnaast moeten we economische planning blijven combineren met regulering door marktkrachten. Dit mag nooit veranderen. (…) De combinatie van planning en marktregulering zal worden voortgezet. Het belangrijkste is dat we China nooit weer mogen veranderen in een land dat zijn deuren gesloten houdt.”77

De introductie van de NEP is vanuit Lenin en de bolsjewistische partij ook nooit gepaard gegaan met de theoretische onderbouwing zoals we die bij de CPC vinden. Hooguit kunnen posities van Boecharin en de rechtse oppositie worden herkend.78

‘Socialisme’ met Chinese karakteristieken

Het in 1982 geïntroduceerde begrip ‘socialisme met Chinese karakteristieken’ werd in de decennia erna uitgewerkt als de term die tot op de dag van vandaag de ideologie van de CPC samenvat. Dat concept bevat de theorie van een socialistische markteconomie en alle andere aspecten uit de economische en politieke theorie die hierboven zijn genoemd.

Voor de volledigheid en het historisch overzicht, zullen we hier zeer beknopt stilstaan bij de belangrijkste mijlpalen op ideologisch-theoretisch vlak in de ontwikkeling van het concept van ‘socialisme met Chinese karakteristieken’. We gaan daarbij niet in op de details van de begrippen die in de loop van de jaren zijn opgenomen in dit concept, omdat het vooral toevoegingen en verdere uitwerkingen betreft, zonder wezenlijke veranderingen in de oriëntatie. Ook zullen we, omwille van de omvang van dit stuk, hier niet verder ingaan op de historische context waarin deze toevoegingen zijn gedaan, noch op de praktische uitwerking daarvan in de economische hervormingen die werden doorgevoerd in de landbouw, industrie, handel en financiële sector, aangezien we daarover binnenkort uitgebreider zullen publiceren.

Op ideologisch vlak is van belang dat het 12e Congres van de CPC de koers bekrachtigde van hervormen en openstellen die met de besluiten van de 3e vergadering van het 11e Centraal Comité was uitgewerkt. Op dat Congres werden ook nieuwe statuten aangenomen met een uitgebreider partijprogramma, waarin o.a. was opgenomen: “de meeste tegenstellingen in de Chinese samenleving hebben niet het karakter van klassenstrijd, en klassenstrijd is niet langer de belangrijkste tegenstelling,” ondanks dat de klassenstrijd nog blijft voortbestaan, en dat de fundamentele tegenstelling ligt “tussen de groeiende materiële en culturele behoeften van de bevolking en het achtergebleven niveau van onze sociale productie.”79 Zo werden de conclusies die de 6e vergadering van het 11e CC in 1981 had getrokken uit de geschiedenis opgenomen in de partijstatuten.

Op het 14e Congres van de CPC in 1992 werd de ‘Deng Xiaoping-theorie’ formeel gecodificeerd en erkent door de partij.80 Het ‘socialisme met Chinese karakteristieken’ wordt opgenomen in de partijstatuten.81 Datzelfde Congres stelt de vestiging van een socialistische markteconomie als “het doel van de hervorming van het economische systeem van het land”.82 Op het 14e Partijcongres wordt voor het eerst het private eigendom openlijk omarmt op een Partijcongres als een element dat moet blijven bestaan en zelfs moet worden bevorderd in het socialisme, als een ‘aanvulling’ op het maatschappelijk eigendom.83

Op de 3e zitting van het 14e Centraal Comité in 1993 worden de economische hervormingen verder uitgewerkt. Op theoretisch vlak is kenmerkend dat in de documenten van het Centraal Comité de ‘fundamentele rol’ van de markt in de economie wordt erkent. De term centrale planning wordt niet langer gehanteerd en is vervangen door de term ‘macro-controle’ of ‘marco-economische controle’ (d.w.z. macro-economisch beleid, zoals monetair en fiscaal beleid). De rol van deze macro-economische controle wordt beschreven als het beperken van wat in de burgerlijke economische wetenschap ‘marktfalen’ wordt genoemd: “Tegelijkertijd moeten we echter ook inzien dat de markt negatieve kanten heeft, zoals spontaniteit, blindheid en hysterese. Dergelijke zwakke punten en tekortkomingen moeten worden gecompenseerd en overwonnen door macro-economische sturing en regulering van marktactiviteiten door de staat. In de wereld van vandaag is geen enkele markteconomie vrij van overheidsregulering. Dit land is een socialistisch land en zou beter in staat moeten zijn om macro-economische controle goed uit te oefenen, en dat is ook zo.”84

Het 15e Partijcongres in 1997 bekrachtigt het beleid van ‘het grote vasthouden en het kleine (en middelgrote) loslaten’.85 Dat betekende dat het staatseigendom zich moest beperken tot grote strategische bedrijven en andere bedrijven moesten worden geprivatiseerd.

Jiang Zemin introduceerde in februari 2000 de ‘theorie van drie vertegenwoordigingen’, die reeds in de partij was uitgewerkt als onderdeel van een ‘marxisme voor hedendaags China’ en het socialisme met Chinese karakteristieken. Volgens deze theorie vertegenwoordigt de CPC de ontwikkelingstrend van China’s productiekrachten, de oriëntatie van China’s culturele ontwikkeling en de fundamentele belangen van de overweldigende meerderheid van de Chinese bevolking.86 Dat laatste betekende dat de CPC niet alleen de belangen van het proletariaat en arme boeren diende, maar ook van de ondernemers en private eigenaren. Op basis hiervan was zelfs partijlidmaatschap voor deze sociale lagen niet langer uitgesloten.87

In 2001 werd in de toespraak over de 80 jaar sinds de oprichting van de CPC, de ‘grote vernieuwing van de Chinese natie’ als doel gesteld. Een doel dat vervolgens ook werd aangenomen door het 16e Partijcongres in november 2002. Het betreft een nationalistisch concept dat teruggrijpt op terminologie van Sun Yat-sen, die een belangrijke rol had gespeeld in de burgerlijk-nationale revolutie. Het is een concept dat voortbouwt op het idee dat de klassenstrijd geen fundamentele rol meer speelt en op die basis het ‘nationale belang’ vooropstelt.

In 2004 wordt op de 4e vergadering van het 16e CC het doel van een ‘Socialistische Harmonieuze Maatschappij’ geïntroduceerd. Het woord klasse en andere marxistische terminologie ontbreekt volledig bij de beschrijving van deze term of maatschappij.88 In 2007 wordt de ‘wetenschappelijke ontwikkelingsvisie’, met de harmonieuze maatschappij als einddoel, opgenomen in de partijstatuten. De wetenschappelijke ontwikkelingsvisie was in de jaren ervoor door de partij onder de Hu Jintao uitgewerkt.89

Vanaf 2012 wordt het doel van de ‘grote vernieuwing van de Chinese natie’ gekoppeld aan de ‘Chinese droom’.90 Dat kan worden gezien als een verdere uitwerking van nationalistische concepten in de ideologie van de CPC.

Op de derde vergadering van het 18e Centraal Comité wordt de rol van de markt niet langer als ‘aanvullend’ maar als ‘bepalend’ bestempeld, wat in alle congressen sindsdien wordt benadrukt. Op het 19e Congres in 2017 wordt ‘Xi Jinping gedachtegoed’ opgenomen in de partijstatuten.

Al deze begrippen zijn geïntroduceerd in een concrete context, vaak als reactie op bepaalde ontwikkelingen in binnen- en buitenland. De CPC ziet ze als toevoegingen en verdere uitwerkingen van ‘socialisme met Chinese karakteristieken’. Dat is ook niet onterecht, want ze veranderen niets wezenlijks aan de ideologie van de partij of aan de uitwerking van de politieke economie. Alle kernaspecten die in de eerdere hoofdstukken zijn benoemd, blijven in stand.

Nawoord

In dit stuk hebben we beoogd de theoretische onderbouwing van de CPC voor de hervormingen die vanaf 1978 werden geïntroduceerd kritisch onder de loep te nemen.

Duidelijk is dat een reeks grotendeels reële economische kwesties de voornaamste aanleiding zijn voor de hervormingen. Het is niet de bedoeling van dit artikel om uit te wijden over de oorzaken van deze economische kwesties, waarin ongetwijfeld uitdagingen speelden die volgden uit de historische omstandigheden waarbinnen de socialistische opbouw in China plaatsvond, maar ook subjectieve tekortkomingen in het gevoerde beleid of externe factoren. Hoe dan ook werden economische problemen door de CPC ten onrechte toegeschreven aan de communistische productieverhoudingen zelf. Zo verschenen die verhoudingen, zoals maatschappelijk eigendom van de productiemiddelen, centrale planning en arbeiderscontrole, als ‘belemmeringen’ die economische ontwikkeling in de weg stonden.

Oplossingen werden dan ook gezocht in de toepassing van marktwerking. In de werking van de waardewet en het hanteren van prijs, kosten-baten en winst als indicatoren en criteria van de productie. In het versterken van inkomensverschillen. In het versterken van het privaat eigendom in de economie.

Samenvattend kunnen we stellen dat de CPC, geconfronteerd met reële economische problemen en uitdagingen, er niet in slaagde antwoorden op deze vraagstukken te formuleren in de richting van de socialistische opbouw.

In de theoretische onderbouwing en ideologische rechtvaardiging van de hervormingen, kunnen we zien hoe de CPC de standpunten van de marxistische politieke economie verwisseld voor de standpunten en analyses van de burgerlijke politieke economie, waarbij veel verwarring kan ontstaan doordat marxistische terminologie wordt gehanteerd die echter vanuit de burgerlijke politieke economie is geconceptualiseerd. Ook op politiek vlak zien we in de onderbouwing van de hervormingen een verzwakking van het klassencriterium en op den duur zelfs een versterking van burgerlijke, nationalistische politieke theorie.

Er bestonden een reeks zwaktes in de analyses die de CPC ontwikkelde in de jaren en decennia voorafgaand aan 1978, waaronder opvattingen over socialistische warenproductie, de rol van de ‘nationale bourgeoisie’ in de socialistische opbouw, de onderschatting van de rol van de arbeidersklasse en andere, die als het ware een vruchtbare ondergrond hadden gecreëerd voor de wending vanaf 1978. Dat neemt echter niet weg dat 1978 wel degelijk ook een breekpunt is, waarin een andere politieke lijn met een duidelijkere rechts-opportunistische oriëntatie de overhand krijgt.

Opvallend is de diepte van dat breekpunt in 1978. Kijkend naar de theoretische onderbouwing voor de hervormingen in de documenten en artikelen die rond 1979 worden gepubliceerd in de persorganen van de partij, vinden we in wezen al alle voornaamste elementen van het ‘socialisme met Chinese karakteristieken’.

We vinden daar reeds alle ingrediënten van de verdraaiing van de wetenschappelijke, marxistisch-leninistische theorie van de wetmatigheden van de socialistische opbouw, die nodig waren voor de ideologische rechtvaardiging van het herstel van kapitalistische verhoudingen in China in de decennia die volgden. Dat is uiteindelijk de politieke en ideologische kern van de rechts-opportunistische theorie van ‘socialisme met Chinese karakteristieken’.

Deze studie heeft zich specifiek gericht op de theoretische onderbouwing en ideologische rechtvaardiging van de hervormingen, en kan zo een licht werpen op de hervormingen die sinds 1978 zijn doorgevoerd en vooral waarom de CPC in deze richting hervormingen doorvoerde.

De hervormingen hadden gevolgen voor de klassenverhoudingen in China, die op hun beurt ook weer kunnen bijdragen aan het verklaren hoe de hervormingen en de strategie van de CPC zich verder hebben ontwikkeld. Binnenkort zullen we meer publiceren over de hervormingen die zijn doorgevoerd in de economie en hun uitwerking op de klassenverhoudingen in China.


  1. Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, “De strategie van de Communistische Partij van China: van revolutie naar het omslagpunt in 1978”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/de-strategie-van-de-communistische-partij-van-china/.
  2. Centraal Comité van de CPC, “Communique of the 3rd plenary session of the 11th Central Committee of the CPC”. Peking Review, 29 december 1978, 6-16.
  3. Idem.
  4. Idem.
  5. National People’s Congress, “The law of the People’s Republic of China on joint ventures using Chinese and Foreign Investment”. Beijing Review, 20 juli 1979, 24-26.
    Peng Zhen, “Strengthen legal system and democracy.” Beijing Review, 6 juli 1979, 34-35. Peng Zhen was verantwoordelijk voor de Commissie van Juridische Zaken van het staand comité van het 5e Nationaal Volkscongres.
    Peng Zhen, “Explanation on seven laws.” Beijing Review, 13 juli 1979, 14.
  6. Rong Yiren, “On joint ventures”. Beijing Review, 1 juli 1979, 26-27. Rong Yiren was lid van het Nationaal Volkscongres en vicevoorziter van de Chinese Federatie van Industrie en Handel.
  7. Gu Mu, “On Economic relations with foreign countries.” Beijing Review, 12 oktober 1979, 4. Gu Mu was vicepremier.
  8. “Resolution on approving the regulations on Special Economic Zones in Guandong Province”, Staand Comité van het 15e Nationaal Volkscongres (1980), op: http://www.asianlii.org/cn/legis/cen/laws/rotscotnpcoatrosezigp1381/
    “Regulations on Special Economic Zones in Guangdong province”, Staand Comité van het 15e Nationaal Volkscongres (1980), op: http://www.asianlii.org/cn/legis/cen/laws/rosezigp554/
  9. Centraal Comité van de CPC, “Communique of the 4th plenary session of the 11th Central Committee of the CPC”. Peking Review, 5 oktober 1979, 32-34.
  10. Li Chengrui en Zhang Zhuoyan, “Only proportionate development can ensure high speed.” Beijing Review, 11 mei 1979, 17-18.
    Shi Zhengwen, “Readjusting the national economy: why and how?. Beijing Review, 29 juni 1979, 13-14.
  11. Idem.
  12. Renmin Ribao, “On the aim of socialist production”. Beijing Review, 21 december 1979, 10-12.
    Zie ook: Li Chengrui en Zhang Zhuoyan, “Only proportionate development can ensure high speed.” Beijing Review, 11 mei 1979, 17-18.
    Shi Zhengwen, “Readjusting the national economy: why and how?. Beijing Review, 29 juni 1979, 13-14.
  13. Xue Muqiao, “A study in the planned management of the socialist economy.” Beijing Review, 26 oktober 1979, 18-19.
  14. Xue Muqiao, “A study in the planned management of the socialist economy.” Beijing Review, 26 oktober 1979, 17.
    Zie ook: Renmin Ribao, “On the aim of socialist production”. Beijing Review, 21 december 1979, 12.
  15. Liu Guoguang en Zhao Renwei, “Socialist economic planning and the market”. Beijing Review, 3 augustus 1979, 9.
    Xue Muqiao, “A study in the planned management of the socialist economy.” Beijing Review, 26 oktober 1979, 17.
  16. Xue Muqiao, “A study in the planned management of the socialist economy.” Beijing Review, 26 oktober 1979, 19-20.
  17. Sun Shangqing, “Modernization: the Chinese way”. Beijing Review, 9 november 1979, 22.
  18. Liu Guoguang en Zhao Renwei, “Socialist economic planning and the market”. Beijing Review, 3 augustus 1979, 8.
  19. Liu Guoguang en Zhao Renwei, “Socialist economic planning and the market”. Beijing Review, 3 augustus 1979, 12.
  20. Xue Muqiao, “A study in the planned management of the socialist economy.” Beijing Review, 26 oktober 1979, 15.
  21. Liu Guoguang en Zhao Renwei, “Socialist economic planning and the market”. Beijing Review, 3 augustus 1979, 8.
  22. Liu Guoguang en Zhao Renwei, “Socialist economic planning and the market”. Beijing Review, 3 augustus 1979, 12.
  23. Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, “Over de indicatoren van de centrale planning in de socialistische opbouw”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/over-de-indicatoren-van-de-centrale-planning-in-de-socialistische-opbouw/
  24. Liu Guoguang en Zhao Renwei, “Socialist economic planning and the market”. Beijing Review, 3 augustus 1979, 8.
  25. Liu Guoguang en Zhao Renwei, “Socialist economic planning and the market”. Beijing Review, 3 augustus 1979, 12.
  26. Xue Muqiao, “A study in the planned management of the socialist economy.” Beijing Review, 26 oktober 1979, 18-19.
  27. Zie Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, “De strategie van de Communistische Partij van China: van revolutie naar het omslagpunt in 1978”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/de-strategie-van-de-communistische-partij-van-china/.
  28. Deng Xiaoping, “We Can Develop A Market Economy Under Socialism” (1979), in: Selected Works, deel 2 (Beijing: Foreign Languages Press, 1995).
  29. Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, “Warenproductie en socialisme”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/warenproductie-en-socialisme/
  30. Liu Guoguang en Zhao Renwei, “Socialist economic planning and the market”. Beijing Review, 3 augustus 1979, 8-9.
  31. Liu Guoguang en Zhao Renwei, “Socialist economic planning and the market”. Beijing Review, 3 augustus 1979, 9.
  32. Sun Shangqing, “Modernization: the Chinese way”. Beijing Review, 9 november 1979, 21.
  33. A. Samarski, “De opvattingen van O.K. Antonov over de economie van het socialisme”, Manifest, op : https://leesmanifest.nl/artikelen/de-opvattingen-van-ok-antonov-over-de-economie-van-het-socialisme/
    Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, “Over de indicatoren van de centrale planning in de socialistische opbouw”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/over-de-indicatoren-van-de-centrale-planning-in-de-socialistische-opbouw/
    Jan Ilsink, “Antonov en de ‘lerende organisatie’”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/antonov-en-de-lerende-organisatie/
  34. Jozef Stalin, “Economic problems of socialism in the USSR”, Selected Works deel 16 (Ottawa: The November 18th Publishing House, 2023), p. 710, 736.
  35. Renmin Ribao, “On the aim of socialist production”. Beijing Review, 21 december 1979, 12-13.
  36. Xue Muqiao, “A study in the planned management of the socialist economy.” Beijing Review, 26 oktober 1979, 17-18.
  37. Xue Muqiao, “A study in the planned management of the socialist economy.” Beijing Review, 26 oktober 1979, 18.
  38. Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, “Warenproductie en socialisme”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/warenproductie-en-socialisme/
  39. Sue Muqiao, “A study in the planned management of the socialist economy.” Beijing Review, 26 oktober 1979, 14-20.
  40. Liu Guoguang en Zhao Renwei, “Socialist economic planning and the market”. Beijing Review, 3 augustus 1979, 9.
  41. Sun Shangqing, “Modernization: the Chinese way”. Beijing Review, 9 november 1979, 21.
  42. Liu Guoguang en Zhao Renwei, “Socialist economic planning and the market”. Beijing Review, 3 augustus 1979, 12.
  43. Zhao Ziyang, “On improving economic work”. Beijing Review, 23 november 1979, 3.
  44. Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, “Warenproductie en socialisme”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/warenproductie-en-socialisme
    Zie ook Engels, Anti-Dühring, deel 3: ‘Socialisme’, hoofdstuk IV: ‘De verdeling’ (Amsterdam: Pegasus, 1938).
  45. Socio-economische formatie (ook wel maatschappijvorm) is een maatschappij in een bepaald ontwikkelingsstadium, met als basis een bepaalde productiewijze, maar ook met de bijbehorende bovenbouw.
  46. De warenproductie is een vorm van maatschappelijke productie waarbij de producten zijn bestemd voor de ruil. De simpele warenproductie is gebaseerd op het individueel privaat eigendom van de productiemiddelen en de individuele particuliere arbeid van de warenproducent en diens gezin. De simpele warenproductie verschijnt met de maatschappelijke arbeidsdeling in de periode van de ontbinding van de oermaatschappij. Op een bepaalde trap van de historische ontwikkeling verschijnt de kapitalistische warenproductie, die niet langer is gebaseerd op het kapitalistisch eigendom van de productiemiddelen en de uitbuiting van loonarbeiders.
  47. Karl Marx, Het kapitaal, deel 1 (Amsterdam: Boom, 2010).
  48. Karl Marx, Kritiek op het program van Gotha (Amerdam: Pegasus, 1935), in de eerste paragraaf van de aantekeningen bij het programma van de Duitse Arbeiderspartij. Engels, Anti-Dühring (Amsterdam: Pegasus, 1938), p 300-301.
  49. Karl Marx, De armoede van de filosofie (Moskou: Progres, 1974[1847]), p. 149. Zie ook uitgebreider de kritiek van Marx op Ricardo en de burgerlijke politieke economie in: Karl Marx en Friedrich Engels, Collected Works, deel 31, bijvoorbeeld op p. 418.
  50. Lenin, “Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme”, in: Keuze uit zijn werken, deel 2 (Moskou: Progres, 1973), p. 308.
  51. Formalisme is het verheven van de vorm boven de inhoud. Er wordt vooral gekeken naar de papieren werkelijkheid in plaats van hoe iets echt elkaar zit in de materiële werkelijkheid.
  52. Deng Xiaoping, “Planning and the Market Are Both Means of Developing the Productive Forces” (1987), in: Selected Works, deel 3 (Beijing: Foreign Languages Press, 1994).
  53. Zie ook: Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, “Over de indicatoren van de centrale planning in de socialistische opbouw”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/over-de-indicatoren-van-de-centrale-planning-in-de-socialistische-opbouw/.
  54. Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, “De strategie van de Communistische Partij van China: van revolutie naar het omslagpunt in 1978”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/de-strategie-van-de-communistische-partij-van-china/.
  55. Mao Zedong, “Critique of Stalin’s Economic Problems Of Socialism in the USSR” (1961), in: Selected Works, deel 8, 2e editie (Parijs: Foreign Languages Press, 2020).
  56. Mao Zedong, Over de tegenstelling (Brussel: La Taupe, 1970).
  57. Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, “Iljenkov over de politieke economie van het socialisme”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/iljenkov-over-de-politieke-economie-van-het-socialisme/
  58. Idem.
  59. Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, “Het 20ste Congres van de CPSU: keerpunt in de opbouw van de socialistische economie”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/het-20ste-congres-van-de-cpsu-keerpunt-in-de-opbouw-van-de-socialistische-economie/
  60. Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, “De strategie van de Communistische Partij van China: van revolutie naar het omslagpunt in 1978”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/de-strategie-van-de-communistische-partij-van-china/.
  61. Idem.
  62. Idem.
  63. Idem.
  64. Redactie, “Study documents well and grasp key link”, Beijing review, 18 februari 1977, p. 7.
  65. Deng Xiaoping, “The ‘two-whatevers’ policy does not accord with Marxism” (1977), in: Selected Works, deel 2 (Beijing: Foreign Languages Press, 1995), p. 51-52.
    Zie later ook: Shi Zhongquan en Yang Zenghe, “Zhou Enlai on Mao Zedong Thought”, Beijing Review, 2 maart 1981, p. 8-11.
    Redactie Huongqi, “How to define Mao Zedong Thought: changes over forty years”, Beijing Review, 2 maart 1981, p. 12-15.
  66. Scholastiek was een religieuze filosofie en methode die vooral in de Middeleeuwen grote invloed had. Op basis van de veronderstelling dat bepaalde boeken de belangrijkste bron van kennis waren (met name de Bijbel, werken van kerkvaders en Aristoteles), was de scholastische methode sterk gericht op interpretatie van die werken.
  67. Sue Muqiao, “A study in the planned management of the socialist economy.” Beijing Review, 26 oktober 1979, p. 14-20.
  68. Centraal Comité van het Centraal Comité van de CPC, Resolution on CPC history (1949-1981) (Beijing: Foreign Languages Press).
  69. Bij hoe de Culturele Revolutie in de praktijk werd gebracht kunnen ook een aantal kanttekeningen geplaatst worden (deze zijn uitgebreider te lezen in het eerste artikel); met name de ontkenning van de leidinggevende rol van de Partij en de verzwakking van de centrale planning. Zie: Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, “De strategie van de Communistische Partij van China: van revolutie naar het omslagpunt in 1978”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/de-strategie-van-de-communistische-partij-van-china/.
  70. Centraal Comité van het Centraal Comité van de CPC, Resolution on CPC history (1949-1981) (Beijing: Foreign Languages Press).
  71. Idem.
  72. Idem.
  73. Maurice Meisner, Mao’s China and After, 441.
  74. 5e Nationale Volkscongres van de Volksrepubliek China, The constitution of the People’s Republic of China (Beijing: Foreign Languages Press, 1982).
  75. Deng Xiaoping, “Uphold the four cardinal principles” (1979), in: Selected Works, deel 2 (Beijing: Foreign Languages Press, 1995).
  76. Deng Xiaoping, “Opening Speech At the Twelfth National Congress of the Communist Party of China” (1982), in: Selected Works, deel 3 (Beijing: Foreign Languages Press, 1994), p. 14.
  77. Deng Xiaoping, “Address To Officers At the Rank of General and Above In Command of the Troops Enforcing Martial Law In Beijing” (1989), in: Selected Works, deel 3 (Beijing: Foreign Languages Press, 1994).
  78. Wasilis Opsimou, “Collectivisatie in de USSR”, Manifest, op: https://leesmanifest.nl/artikelen/collectivisatie-in-de-ussr-maatschappelijk-bondgenootschap-en-klassenstrijd-in-de-socialistische-opbouw/.
  79. 12e Nationale Congres van de CPC, “Constitution of the CPC”, Beijing Review, 20 september 1982, p. 9.
  80. Jiang Zemin, “Report at the 14th National Congress of the CPC”, Beijing Review, 26 oktober 1992.
  81. 14e Nationale Congres van de CPC, “Resolution on the ‘Articles of the CPC’ (Amendment)” (1992), op: http://cpc.people.com.cn/GB/64162/64168/64567/65446/4441715.html.
  82. 14e Nationale Congres van de CPC, “Resolution on the Report of the 13th Central Committee” (1992), op: http://cpc.people.com.cn/GB/64162/64168/64567/65446/4441716.html.
  83. Jiang Zemin, “Report at the 14th National Congress of the CPC”, Beijing Review, 26 oktober 1992.
  84. Jiang Zemin, “Speech at the Third Plenary Session of the 14th CC of the CPC” (1993), op: http://cpc.people.com.cn/GB/64162/64168/64567/65395/4441747.html.
  85. Jiang Zemin, “Report Delivered at the 15th National Congress of the CPC”, Beijing Review, 6 oktober 1997.
  86. Jiang Zemin, “How our party is to attain the ‘three represents’ under the new historical conditions”, On the three represents (Beijing: Foreign Languages Press, 2002).
  87. In het stuk dat binnenkort wordt gepubliceerd gaan we nader in op de sociale samenstelling van de Chinese maatschappij en de partij.
  88. Centraal Comité van de CPC, “Decision on strengthening the party's capacity to govern” (2004), op: http://cpc.people.com.cn/GB/64162/64168/64569/65412/6348330.html.
  89. 17e Congres van de CPC, “Constitution of the CPC” (2007), op: http://cpc.people.com.cn/GB/64162/64168/106155/106156/6439183.html.
  90. Xi Jinping, “Achieving rejuvenation is the dream of the Chinese people”, The Governance of China, deel 1, (Beijing: Foreign Languages Press, 2014) p. 37-39.

Wil je een abonnement op Manifest?

Met jullie hulp garanderen we een communistische visie op de actualiteit in Nederland

Manifest is de krant van de NCPN die maandelijks verschijnt. Met Manifest blijf je op de hoogte van de actualiteit en van onze acties. Manifest belicht verschillende aspecten van de strijd in binnen- en buitenland, en publiceert analyses die inzicht bieden in de nationale en internationale ontwikkelingen vanuit een marxistisch-leninistisch perspectief. Neem nu een abonnement op Manifest of vraag een gratis proefabonnement aan.

Abonneer Nu!