Skip navigation
Spaanse Burgeroorlog

90 jaar ¡No pasarán!

Lessen uit de antifascistische strijd in Spanje

Dit artikel verscheen in de editie van Manifest van dinsdag 6 oktober 2026

Foto: publiek domein

Zo’n negentig jaar geleden meldden tienduizenden vrijwilligers, waarvan het overgrote deel communisten, zich aan bij de zogeheten Internationale Brigade om in Spanje de antifascistische strijd te voeren tegen de legers van Franco. Ondanks dit hoogtepunt van proletarisch internationalisme eindigde de Spaanse Burgeroorlog in een overwinning voor de fascistische krachten in Europa. Welke lessen kunnen wij als communisten trekken over de antifascistische strijd vandaag de dag?

Een leger aan historici beweert dat de geschiedenis zich nooit exact herhaalt, en op het eerste gezicht mogen we die conclusie onderschrijven. Maar als de stofwolken van het verleden zijn opgeklaard, zijn het vaak dezelfde partijen die de geschiedenis in gang zetten. Want de motor van de geschiedenis is klassenstrijd: waarbij de onderdrukte klasse worstelt de heersende klasse omver te werpen, en de heersende klasse juist probeert – met alle gevolgen van dien – de status quo in stand te houden.

Burgerlijke democratie in crisis

Zo ook in het Europa van de jaren dertig. Tijdens het interbellum zien we in meerdere Europese landen vergelijkbare ontwikkelingen. Let wel, elk land heeft zijn eigen unieke omstandigheden en bijzonderheden, maar we mogen stellen dat na de Eerste Imperialistische Wereldoorlog de tegenstellingen tussen de burgerij en de arbeidersklasse – maar ook tussen de kapitalistische landen en binnen de heersende klas zelf – verscherpen. De burgerlijke parlementaire democratie, tot dan toe het ‘beste’ antwoord van de bezittende klasse op het in stand houden van het kapitalistische systeem, raakte in meerdere landen verzeild in een crisis.

In die omstandigheden koos de heersende klasse er in meerdere landen voor om de burgerlijke parlementaire democratie te vervangen door een fascistische dictatuur. Zo’n dictatuur werd beter in staat geacht om de belangen van de heersende klasse in de aankomende imperialistische oorlog te behartigen, de tegenstellingen binnen de heersende klasse te beslechten en de arbeidersbeweging te onderdrukken. Denk aan het Italië van Mussolini of het Nazi-Duitsland van Hitler. Beiden werden in het zadel geholpen door rijke industriëlen die gul doneerden aan de fascistische beweging. In ruil voor hun steun, wilden de fascisten maar al te graag de groeiende groep klassenbewuste en georganiseerde arbeiders hevig onderdrukken door middel van wetgeving en geweld.

En Spanje dan? Met het uitroepen van de Tweede Republiek in april 1931 veranderde ook de vorm van de kapitalistische heerschappij in het land. Na de Amerikaanse beurskrach in 1929, een economische crisis typerend voor de cyclus van het kapitalistische systeem, worden de gevolgen ook in Spanje gevoeld. De werkeloosheid steeg naar 40 procent en de prijs van levensmiddelen steeg met meer dan 85 procent. Een deel van de Spaanse burgerij probeerde met de stichting van de Republiek aansluiting te vinden bij de rest van Europese economie die in hoog tempo moderniseerde en zo het Spaanse kapitalisme als een bondgenoot neer te zetten voor hun buitenlandse klassengenoten.

Niet alleen de modernisering van de economie was daarbij van belang. De Spaanse burgerij keek wantrouwend naar de ontwikkeling van het proletariaat dat zich steeds nadrukkelijker wist te organiseren in vakbonden, solidariteitsnetwerken, culturele ruimtes en bovenal een eigen politieke organisatie: de Communistische Partij van Spanje (PCE). Het is dus ook niet verbazingwekkend dat de opstand van de mijnwerkers in Asturië bloedig werd neergeslagen door het Republikeinse leger onder leiding van ene Francisco Franco, toen zij in oktober 1934 protesteerden tegen het terugdraaien van progressieve landbouw- en onderwijshervormingen en zij zelf een arbeiderssovjet oprichtten.

Volksfronten

Om een overwinning van het oprukkende fascisme te voorkomen werd er in de Komintern (de zogeheten Derde of Communistische Internationale) druk gediscussieerd. Deze wereldwijde vereniging van communistische partijen, waarin de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (CPSU) een belangrijke rol speelde, zag zeer terecht in dat de imperialistische machten het in Europa hadden voorzien op de nog jonge arbeidersstaat in het oosten.

Tijdens het 7de Wereldcongres van de Komintern in 1935 werd onder druk van het opkomende fascisme en de oorlogsdreiging de strategie van de antifascistische volksfronten geformuleerd. Communistische partijen moesten zich inzetten voor het vormen van brede antifascistische volksfronten. Onder bepaalde eisen werd verwacht dat communistische partijen via de parlementaire weg een regering konden steunen of zelfs eraan deelnemen, met als doel de vorming van fascistische regeringen te voorkomen en verhinderen dat het imperialisme meer krachten kon verzamelen tegen de Sovjet-Unie. Hoewel eisen gesteld werden aan regeringssteun of -deelname, opende deze strategie in de praktijk de weg voor verregaande compromissen met sociaaldemocratische en andere burgerlijke partijen. Welke gevaren dat inhield voor de ontwikkeling van de arbeidersbeweging zou pijnlijk blijken uit het verloop van de Spaanse burgeroorlog.

In Spanje werd gehoor gegeven aan de antifascistische volksfrontenstrategie in aanloop naar de verkiezingen van 1936. De partijleiding van de PCE wist een coalitie te vormen met onder andere de sociaaldemocratische Spaanse Socialistische Arbeiderspartij (PSOE) en de Arbeiderspartij van de Marxistische Eenheid (POUM) die een trotskistische achtergrond had. Niet alleen arbeiderspartijen sloten zich aan; de strategie van de volksfronten liet ook ruimte binnen deze samenwerkingen voor de ‘progressieve elementen’ van liberaal-republikeinse partijen. Ook separatistische bewegingen uit Catalonië en Galicië, net als de vakbonden CNT en UGT sloten zich aan.

Het Volksfront wist miljoenen arbeiders, boeren en anderen te verenigen in de strijd tegen fascisme. Het wist ook de verkiezingen nipt te winnen. Er werd een coalitieregering gevormd door burgerlijk-republikeinse partijen, die door de PCE werd gesteund. Later nam de PCE ook zelf deel aan de regering van het Volksfront.

Het Volksfront was echter een fragiel bondgenootschap van uiteenlopende en ook tegenstrijdige klassenbelangen. Deze bondgenootschappen werden namelijk niet gesloten op basis van objectieve klassenbelangen en de noodzakelijke strijd van de arbeidersklasse tegen het fascisme als het meest repressieve machtsmiddel dat de burgerij kan gebruiken om het kapitalisme in stand te houden. Dat maakte de Volksfronten kwetsbaar. Ook in 1936 bestonden namelijk tegenstellingen binnen de bourgeoisie, waardoor sommige partijen juist vanuit hun relatie tot delen van het kapitaal de opmars van het fascisme op dat moment in de tijd niet steunden. Ondanks een samenwerking op papier, is ook dit gedeelte van de burgerij niet gebaat bij een goed georganiseerde, revolutionaire arbeidersklasse die werkelijk in staat is om het kapitalisme, dat de essentie van het fascisme vormt, omver te werpen. Voor de sociaaldemocratische partijen geldt dit net zo goed: zij strijden uiteindelijk niet voor het socialisme, maar voor een vorm van klassenverzoening. Dit zou later op cruciale momenten van de strijd ook tot uiting komen. Soms in een weifelende houding, soms in openlijk verraad.

Het Volksfront mondde ondanks de belangrijke bijdrage aan het antifascisme vooral uit in de steun aan een coalitieregering. In de praktijk ging dit ten koste van het organiseren van de Spaanse arbeidersklasse in de strijd tegen het systeem dat het fascisme voortbrengt: het kapitalisme. In zowel de samenwerking met de ‘progressieve’ elementen binnen de burgerij als de sociaaldemocraten werd het machtsvraagstuk losgekoppeld van de klassenstrijd zelf: de revolutionaire strijd van de arbeidersklasse om het kapitalisme te overwinnen en als klasse de macht over te nemen van de bourgeoisie.

SpaanseBurgeroorlog_ThälmannBataljon

Duitssprekende vrijwilligers werden vaak ingedeeld bij het Thälmann Bataljon, vernoemd naar de gearresteerde leider van Communistische Partij van Duitsland. Foto: publiek domein

Staatsgreep

Tegenstanders van de regering verwezen al snel naar het ‘gevaar van het bolsjewisme’, om de burgerlijke middenstand in het geweer te krijgen. Oppositieleider José Calvo Sotelo (zijn moord werd later als voorwendsel voor de staatsgreep gebruikt) verkondigde dat de regering de ‘spirituele erfgenaam van de Oktoberrevolutie’ was. De Katholieke Kerk deed eveneens een dubieuze duit in de zak door te verkondigen dat de religieuze en maatschappelijke orde moest worden verdedigd tegen de vermeende revolutionaire dreiging.

Hoewel het Volksfront bestond uit arbeiderspartijen en democratisch ingestelde liberalen, was hier niet direct sprake van een revolutie die de macht van de bourgeoisie omverwierp ten gunste van de arbeidersklasse. Het was niet zozeer het electorale succes van het Volksfront dat kapitalisten angst inboezemde; de kracht van de georganiseerde arbeidersklasse tezamen deed dat des te meer. Geen wonder dus dat heersende klasse het fascisme nog meer begon te beschouwen als het enige politiek alternatief dat hun belangen kon behartigen.

Na de verkiezingsoverwinning van het Volksfront in februari 1936 raakte het militaire complot tegen de arbeidersbeweging in een stroomversnelling. Een gedeelte van het koloniale leger van Spanje – op dat moment gestationeerd in Marokko en Noord-Afrika – speelde een belangrijke rol bij het mobiliseren van strijdkrachten tegen de Spaanse arbeidersklasse. Ook de financiële steun vanuit de Spaanse burgerij was cruciaal voor de fascistische beweging om een staatsgreep te kunnen plegen. Zo financierden zij militaire operaties, waaronder de aankoop van het vliegtuig van het type “Dragon Rapide” dat werd gebruikt om Franco van de Canarische Eilanden naar Marokko te vervoeren om vanuit daar de Spaanse coupplegers aan te voeren.

Om nog maar te zwijgen van Mussolini’s ‘onvoorwaardelijke’ militaire steun aan Franco’s troepen en bondskanselier Adolf Hitler die handenwringend tientallen militaire vliegtuigen naar Spanje stuurde. Met de hulp van de Britse en Amerikaanse burgerlijke regeringen werden ook schepen en brandstof geregeld. De Spaanse arbeidersklasse vocht dus niet alleen tegen de nationale fascistische krachten onder leiding van Franco, maar moest ook nog opboksen tegen de internationale steun die de Spaanse burgerij ontving van haar eigen klassengenoten.

Jachtwinkels en magazijnen

De staatsgreep liet de Spaanse arbeiders niet onberoerd. Vanaf de vorming van de regering rond februari 1936 vonden regelmatig straatgevechten en confrontaties plaats tussen gewapende arbeiders en fascisten. Op 19 juli bezetten de arbeiders delen van Barcelona. Toen de lokale overheid weigerde hen te bewapenen, bestormden ze jachtwinkels en magazijnen van bouwmaterialen om wapens en dynamiet aan te schaffen. In Madrid werden barricades opgezet en werd een arbeidersmilitie opgezet, terwijl 5000 mijnwerkers uit Asturië met explosieven richting de stad trokken om de antifascistische strijd te versterken. Ook arbeiders in andere steden legden het werk neer en bezetten fabrieken.

Toch wist de PCE deze acties niet in een revolutionaire richting te begeleiden; juist doordat de focus bleef op het Volksfront met de burgerlijke partijen. Zeker vanaf 1937, toen de PCE een van de sterkere partijen werd en het arbeidersverzet groeide, werd de noodzaak van een andere strategie, die het machtsvraagstuk centraal stelde, steeds dringender. De partij had immers een groot aandeel in het volksleger dat in 1937 alle militante arbeiders- en vakbondsleden vertegenwoordigde. Maar omdat de antifascistische strijd niet werd gekoppeld aan de verovering van de macht door de arbeidersklasse, werden de revolutionaire omstandigheden die ontstonden onvoldoende benut.

Proletarisch internationalisme

Terug naar het oorlogsgewoel dan. De republikeinse legers – zo genoemd omdat zij in essentie het bestaan van de Tweede Republiek van Spanje verdedigden – verschansten zich in meerdere steden, maar met name in Madrid aangezien de regering niet in fascistische handen moest vallen. De legers van Franco trokken richting Madrid gesteund door militair materiaal, tanks, vliegtuigen en troepen zo ‘genereus’ gedoneerd door kapitalistische regeringen. De Spaanse arbeiders hadden zeker eerder het onderspit gedolven zonder de militaire hulp van de Sovjet-Unie - die net op gang was gekomen - maar ook een leger, dat voor het eerst zijn intrede deed.

De Internationale Brigades werden gevormd door een besluit van de Komintern in 1936, nadat de Communistische Partij van Duitsland haar leden in ballingschap opriep om naar Spanje te trekken en hun kameraden te helpen waar mogelijk. De Komintern besloot dit initiatief systematisch te organiseren, waarna vanuit maar liefst 53 verschillende landen tienduizenden aanmeldingen kwamen – voornamelijk van georganiseerde communisten – om lijf en lede op het spel te zetten in de antifascistische strijd. Zo’n 650 Nederlanders vonden hun weg naar Spanje, de zogenaamde Spanjestrijders.

Via Parijs werden de vrijwilligers over de Pyreneeën gesmokkeld om in Spanje brigades te vormen die de strijd konden aanbinden met de fascistische troepen. Vechtend in het belang van de Spaanse bevolking, waren de strijders van de Internationale Brigades zich ervan bewust dat ze tegelijkertijd vochten voor een rechtvaardigere wereld voor elk werkend mens en voor hun eigen bevrijding. Nog altijd gelden de tienduizenden mannen én vrouwen die zich aansloten als een van de grootste symbolen van internationale solidariteit en proletarisch internationalisme.

Ook de uitspraak ¡No pasarán! (Ze komen er niet langs!) stamt uit de periode waarin de fascistische legers pogingen doen de georganiseerde arbeiders op de knieën te krijgen. In een hevig belegerd Madrid hield Pasionaria, bijnaam van de communiste en latere voorzitter van de PCE Dolores Ibárruri Gómez, haar beroemde ¡No pasarán!-toespraak om de bewapende arbeidersmilities te inspireren om het verzet tegen de fascistische bezetters niet te staken.

Het verraad en de nederlaag

Na drie lange jaren strijd weten de fascistische krachten de Republiek alsnog op de knieën te krijgen, mede door het militaire overwicht dat zij hebben gecreëerd door de steun te verwerven van verschillende kapitalistische landen. Een gruwelijk gevolg van die steun vinden we in de Baskische stad Guernica. Dankzij Duitse en Italiaanse bommenwerpers– weliswaar beschilderd met de insignes van de Spaanse nationalisten maar bestuurd door Duitse en Italiaanse piloten – reduceerden de plaats tot as. Zelfs de burgerlijke media sprak schande van de ellende die het door hun eigenaren gesponsorde oorlogsmaterieel aanrichtte. Kunstenaar Pablo Picasso beeldde het bombardement af op een beroemd schilderij, nog altijd te zien in het Museo Reina Sofía in Madrid.

Maar de nederlaag had ook te maken met de tekortkomingen van het Volksfront zelf. De burgerlijke en opportunistische krachten binnen het Volksfront namen een weifelende houding in of pleegden zelfs openlijk verraad. Op cruciale momenten werd geen of te laat gehoor gegeven aan de waarschuwingen of roep om hulp van de communisten, zoals tijdens de verdediging van Málaga of later in Catalonië. De vorming van een verenigd antifascistisch en revolutionair leger werd gedwarsboomd door anarchistische krachten enerzijds en bepaalde burgerlijke krachten (zoals de Baskische burgerij) anderzijds. Burgerlijke krachten collaboreerden in de door de fascistische krachten bezette gebieden en faciliteerden hun oorlogsapparaat.

Het hoogtepunt van het verraad binnen het Volksfront kwam op 5 maart 1939, toen de republikeinse generaal Casado, die heimelijk al onderhandelde met de fascistische krachten over capitulatie, een coup in Madrid pleegde. Het hoofdkantoor van de PCE werd aangevallen en honderden communisten werden opgepakt en door hun zogenaamde ‘bondgenoot’ van het Volksfront uitgeleverd aan de fascisten.

In april 1939 claimden de nationalisten onder leiding van Franco definitief de overwinning in de Spaanse Burgeroorlog. De Volksfront coalitie was in de jaren daarvoor langzaam uit elkaar gevallen, mede door verraad van burgerlijke krachten en onenigheid van de communisten, troskisten en anarchisten over de te kiezen strategie op bepaalde momenten in de strijd. Met name de PCE leed hevige verliezen. Honderden werden gearresteerd of geëxecuteerd. Andere leden vluchten uit Spanje. Een enorm klap voor de georganiseerde Spaanse arbeidersbeweging. Generaal Franco zou uiteindelijk tot 1975 de touwtjes in handen houden in Spanje.

Lessen voor vandaag

De Spaanse Burgeroorlog wordt vaak als de ‘generale repetitie’ voor de Tweede Wereldoorlog gezien en niet onterecht. Niet alleen, zoals burgerlijke historici graag beweren, omdat de Duitse en Italiaanse fascistische krachten zich konden meten met het door de Sovjet-Unie gesteunde volksleger, maar vooral omdat het conflict een bewijs vormt voor de innige verbinding tussen het fascisme en het kapitalistische systeem – waarbij eerstgenoemde het meest extreme en barbaarse middel is dat de heersende klasse kan gebruiken om het kapitalisme waarin het zo goed gedijd in stand te houden.

Helaas wees de geschiedenis in Spanje maar ook in veel andere landen uit dat de volksfronten noch de opkomst van het fascisme konden voorkomen, noch de oorlog konden stoppen. De strategie rondom de volksfronten moet kritisch tegen het licht worden gehouden. In de naoorlogse periode werd dit onvoldoende gedaan. Zeker na de hevige verliezen die de communistische beweging kreeg te verduren na de Tweede Wereldoorlog en de nieuwe uitdagingen die na de oorlog ontstonden, bleken weinig communistische partijen in staat goede analyses te maken van de vooroorlogse strategie die in 1935 werd geïnitieerd door de Komintern en de concrete uitwerking daarvan in verschillende landen. Deze strategie week namelijk af van die van de bolsjewieken tijdens de Oktoberrevolutie van 1917.

De kern van de problematiek omtrent de volksfronten is dat de antifascistische strijd werd gescheiden van het machtsvraagstuk. Daardoor was de PCE niet in staat om – toen de objectieve omstandigheden dat mogelijk maakten en ook vereisten – de arbeidersklasse te leiden om de macht over te nemen van de kapitalistenklasse en af te rekenen met het systeem dat fascisme voortbrengt. De communistische partij bleef zich oriënteren op de regeringscoalitie van ‘progressieve’ en sociaaldemocratische partijen, wiens doel uiteindelijk was om het systeem in stand te houden, in plaats van het omver te werpen en het socialisme op te bouwen. Ondanks de hoge organisatiegraad van de Spaanse arbeidersklasse én de daarmee gepaarde mobilisatie tijdens de burgeroorlog, wist de PCE dit niet te kanaliseren om de revolutionaire omstandigheden die zich op dat moment voordeden te benutten. Het blijft dus zaak om de acterende kracht van de arbeidersklasse zelf – dat wil zeggen het vermogen van de werkende mensen om als klasse voor zichzelf de macht te grijpen en niet als machtsmiddel te worden ingezet – te stimuleren en te erkennen.

Het is geen vreemde stelling dat in de strijd tegen fascisme het van belang is om een breed scala aan krachten te verzamelen en deze te organiseren en mobiliseren in de antifascistische strijd. Tegelijkertijd moet de communistische partij, juist in omstandigheden wanneer het systeem in crisis verkeert, koers houden op de omverwerping van het systeem en niet het ‘stabiliseren’ ervan. Want het kapitalistische systeem tolereert geen klassengerichte, georganiseerde arbeidersbeweging en zal niet terugdeinzen om toe te slaan zodra de kans zich voordoet. Het verraad van de communisten door de ‘bondgenoten’ van het Volksfront was dan ook geen Spaanse eigenaardigheid. Het is eerder de regel. Zo werd ook de Franse partij door haar ‘bondgenoten’ van het volksfront illegaal verklaard.

Deze lessen doen niets af aan de heldhaftige en massale strijd van de Spaanse bevolking tegen het fascisme. Zijn doen niets af aan het feit dat de Spaanse Burgeroorlog tot de dag van vandaag een inspiratiebron vormt voor mensen over de hele wereld die strijden tegen fascisme en voor sociale rechtvaardigheid. De Internationale Brigades vormden een ongekend voorbeeld van het proletarisch internationalisme. De Spaanse Burgeroorlog toont hoe eenheid, solidariteit en strijd voor het socialisme het antwoord vormen op fascisme en oorlog.

Wil je een abonnement op Manifest?

Met jullie hulp garanderen we een communistische visie op de actualiteit in Nederland

Manifest is de krant van de CPN die maandelijks verschijnt. Met Manifest blijf je op de hoogte van de actualiteit en van onze acties. Manifest belicht verschillende aspecten van de strijd in binnen- en buitenland, en publiceert analyses die inzicht bieden in de nationale en internationale ontwikkelingen vanuit een marxistisch-leninistisch perspectief. Neem nu een abonnement op Manifest of vraag een gratis proefabonnement aan.

Abonneer Nu!