De bestuurscrisis in FNV vindt haar oorsprong in het conflict in de Federatie FNV over het pensioenstelsel in 2010. De besturen van de afzonderlijke bonden konden zich niet vinden in de voorgestelde wijziging van het pensioenstelsel door het federatiebestuur onder voorzitter Agnes Jongerius, prominent PvdA-lid. Henk van de Kolk, voorzitter van FNV Bondgenoten, sprak van een ‘casino-pensioen’.
Hij bedoelde dat de pensioenuitkeringen, uit het in pensioenfondsen gespaarde ‘uitgestelde loon’, voornamelijk afhankelijk werden gemaakt van het rendement op financiële markten. Niet van onderhandelingen tussen vakbonden en werkgevers over premies vanuit de ambitie bij pensionering je leven te kunnen voortzetten. De bestuursstructuur van de Federatie bleek verantwoordelijk voor deze verschillen van inzicht tussen federatiebestuur en besturen van afzonderlijke bonden. Een fusie van de tot dan toe zelfstandige bonden zou een dergelijke situatie in het vervolg moeten voorkomen.
Resultaat fusie
De fusie werd in 2014 een feit met een ‘ongedeelde FNV’ en enkele bonden die niet meegingen in de fusie. Aan de wieg van de fusie stonden Han Noten en Jetta Kleinsma, beiden PvdA-prominenten. Zij presenteerden een hyper-parlementair-democratische organisatie: FNV-leden konden thuis van achter hun pc of tablet alle voor hen relevante besturen kiezen: sectorraad, sectorbestuur, (sector)afvaardiging in het ledenparlement en voorzitter van de FNV. Allemaal zonder inhoudelijke discussie, slechts op basis van een profiel van de kandidaten. Een ‘democratie’ die niets te maken heeft met een vakbond waar discussie onder de leden over bedreigingen van hun arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden de essentiële basis voor collectieve actie tot verbeteringen vormt.
Bovendien leverde de ‘structuur van Noten en Kleinsma’ een machteloze vereniging op omdat in de sectoren een bestuur en een raad werden gekozen met elk een eigen kiezersmandaat. Bovendien bestond er nog een fractie in het Ledenparlement die ook een eigen kiezersmandaat had. Deze gefragmenteerde structuur blokkeerde eensgezind optreden. Waarmee de centraal geleide werkorganisatie van FNV, de betaalde ‘professionals’, hun kans (begrijpelijk) schoon zagen de ‘touwtjes’ in handen te nemen, lijnen uit te zetten en uit te voeren.
Crisis
Dit organisatorisch gedrocht moest wel een keer vastlopen en dat gebeurde in 2024 vanwege een gedragscode voor het FNV-personeel waarvan het Ledenparlement vreesde dat die ook op de vereniging zou worden toegepast. Dit conflict bracht de verziekte verhoudingen in de bestuursstructuur van de vereniging en in haar aansturing van de werkorganisatie in de openbaarheid. Hetgeen uiteindelijk in juni 2025 leidde tot de gang naar de rechter.
Die stelde tenslotte twee prominente PvdA-ers Ton Heerts en Lodewijk Asscher aan om de crisis op te lossen. Maar zij bleken de opdracht van de rechtbank – bestuursverkiezingen organiseren en een procedure ontwikkelen tot wijziging van de organisatie – niet uit te voeren maar een eigen organisatiestructuur op te stellen zonder breed overleg met de vereniging. De vooral zwakke sectoren bleken deze voorstellen te omarmen omdat die verwachten dat de crisis dan zou worden bezworen. Het Ledenparlement kon zich daar niet in vinden, met als grootste breekpunt de wijze waarop het bestuur in de toekomst ‘verkozen’ zou worden. De rechter besloot daarop dat Ledenparlement en de twee opstellers tijd kregen het eens te worden en zo niet zou hij de knoop doorhakken.
Vakbondsdemocratie
Kortom, vijf prominente sociaaldemocraten met een centrale rol in deze crisis toonden totaal geen begrip te hebben voor ‘vakbondsdemocratie’ als basis voor succesvolle strijd in belangenbehartiging. Zij blijken de vakbond te beperken tot haar institutionele rol in sociaaleconomische verhoudingen: deelnemen aan Sociaal Economische Raad (SER), in pensioenfondsbesturen, in Stichting van de Arbeid (StAr), enz. Niet als vereniging van werknemers die beseffen dat een actieve, strijdbare vakbond nodig is om hun belangen veilig te stellen op de werkvloer en in de samenleving. Het lijkt exemplarisch voor het verval van klassenbewuste sociaaldemocratie en haar totale inlijving in de burgerij.
Beslispunten
Een sprekend voorbeeld van deze aftakeling is de wijziging van het pensioenstelsel die mede een bron van de huidige crisis vormde. Het federatiebestuur van FNV en professionals van het ‘pensioenteam’ hebben vanaf de pensioenwet van 2007 de – door werkgevers en verzekeraars gewenste en door achtereenvolgende kabinetten geregisseerde – wijziging van het pensioenstelsel gevolgd en waar mogelijk beïnvloed. Daarbij moeten twee belangrijke beslispunten worden aangestipt.
In 2004 fuseerden de Pensioen- en Verzekeringskamer en De Nederlandsche Bank (DNB), waardoor DNB toezichthouder werd op pensioenfondsen. Een unicum dat een instantie die verantwoordelijk is voor de economische stabiliteit van een land ook verantwoordelijk werd voor toezicht op het gespaarde, uitgestelde loon van werknemers om dat later als pensioen te ontvangen. Met de pensioenwet van 2007 werd de vaste rekenrente van 4 procent vervangen door een rente gebaseerd op obligaties en spaargeld, zonder rekening te houden met aandelenrendement. Na de financiële crisis daalde deze rente tot nul, waardoor pensioenen niet mochten meestijgen met inflatie, ondanks verdubbelde fondsenvermogens. De PvdA, vertegenwoordigd in kabinet Rutte II, zweeg hierover, wat leidde tot een koopkrachtverlies tot 30 procent van het aanvullend pensioen van gepensioneerden en de pensioenopbouw van werkenden. Tegelijkertijd verschoof het stelsel van een uitkeringsmodel naar een premiestelsel. Voorheen was de ambitie 70 procent van het eindloon of 80 procent van het middelloon, met premies berekend op basis van rendement. Werkgevers zagen dit als risico en kozen voor vaste premies in cao’s, waarbij de uiteindelijke uitkering onzeker werd. Het nieuwe systeem maakt pensioenen afhankelijk van beleggingsrendementen, wat critici een ‘casino-pensioen’ noemen. Deze verandering zou grote gevolgen hebben voor zekerheid en koopkracht van gepensioneerden en werkenden.
Geen inbreng leden
Dat was de inzet van het conflict in 2010. Het federatiebestuur was toen al gezwicht voor de druk van werkgevers, maar voorzitters van afzonderlijke bonden hielden de poot stijf. Dit gebrek aan eenstemmigheid schaadde de institutionele positie van FNV en moest worden voorkomen met een één-gemaakte FNV. Dit alles voltrok zich buiten de gewone leden om. Geïnteresseerde leden hadden wel de illusie dat de vakbond het ‘casino-pensioen’ zou verwerpen, maar in werkelijkheid werd onder dekmantel van de fusie pensioen als arbeidsvoorwaarde (voortzetting van je levenspeil bij pensionering) opgeheven. De gefuseerde FNV-top was gezwicht voor de druk van werkgevers en omarmden met het FNV-pensioenteam het premiestelsel. Waarbij pensioen een financieel product zou worden. Belangrijke keuzemomenten werden in informatiebijeenkomsten wel met geïnteresseerde kaderleden gedeeld maar niet ter besluitvorming voorgelegd. Op vragen vanuit de zaal waarom niet volstaan werd het ‘beste pensioenstelsel ter wereld’ te verbeteren maar volledig te wijzigen, kwam nooit een antwoord. Ook de Commissie Pensioenen van het Ledenparlement ontpopte zich als een klankbord voor het FNV-beleid en deed geen enkele poging de achterban te informeren over keuzemomenten om met hen tot oordeelsvorming te komen.
FNV in actie
Ondertussen groeide bij leden verontrusting over het verlies aan koopkracht van pensioenen en pensioenopbouw. Toen in 2017 het kabinet Rutte III werd gevormd zonder PvdA ontstond kennelijk ruimte bij de sociaal democratie om alsnog pensioeneisen te stellen. De FNV lanceerde een ‘offensief’ tegen de ‘race naar beneden’. De pensioeneisen waren: 1. ‘indexatie voor elke generatie’. (indexatie van de pensioenuitkering en van pensioenopbouw, kortom: een koopkrachtig pensioen) 2. 66 = 66 (geen verdere verhoging pensioenleeftijd van 66 jaar), 3. Eerder kunnen stoppen bij zwaar werk. 4. Elke werkende toegang tot pensioenfondsen (ook zzp-ers en flexwerkers). Op 18 maart 2019 werden in Nederland voor deze eisen regionale actiebijeenkomsten georganiseerd waaraan ca. 80.000 leden deelnamen. En op 27 en 28 mei werd voor deze eisen gestaakt onder andere bij de spoorwegen.
Actievoerende leden verraden
Op 5 juni werd door de FNV-top een pensioenakkoord met het kabinet bereikt die echter concreet een minder snelle stijging van de pensioenleeftijd regelde. Van alle andere eisen werd niets binnengehaald. Dit ‘resultaat’ werd per referendum, zonder discussie met de achterban in sectoren, aan FNV-leden voorgelegd, waarvan driekwart akkoord gingen. De uitwerking van het akkoord zien we in de Wet Toekomst Pensioenen van 2023, die gezamenlijk werd gepresenteerd door de voorzitter van FNV Elzinga, de voorzitter van VNO/MKB Thijssen en minister Koolmees. Elzinga merkte toen op dat ‘Iedereen erop vooruit gaat!’ Inmiddels weten we beter. Van enige herstel-indexatie over de periode 2010 tot 2020 is geen sprake. Bij de overgang naar het nieuwe stelsel is een eenmalige bonus voorzien om gemor te smoren. Daarna zijn vooral gepensioneerden overgeleverd aan de rente op obligaties of hun pensioen nog wordt aangepast aan prijsstijgingen.
Conclusie: geen getemde maar strijdbare vakbeweging is nodig!
De bestuurscrisis in FNV moet een les zijn voor de leden. Hun belangen mogen geen speelbal worden van politieke spelletjes. Het pensioendossier laat zien hoe ingrijpende keuzes, zoals de overgang van een uitkeringsstelsel naar een premiestelsel, buiten de leden om zijn gemaakt, met grote gevolgen voor koopkracht en zekerheid. Hun belangen zijn alleen veilig bij een strijdbare en democratisch georganiseerde vakbond. De voorstellen van Heerts en Asscher die door uitspraak van de rechter op 30 december wordt ondersteund geven geen inhoud aan democratische opbouw. Zij koersen op herstel van FNV als te vertrouwen gesprekspartner aan de burgerlijke onderhandelingstafels. Daarvoor mogen zij de statuten van FNV eenmalig wijzigen. Duidelijk is dat zij de invloed van de leden op het beleid willen inperken. En het beleid niet zal ‘vertrekken’ vanuit de effectieve belangen van leden op de werkvloer en samenleving, maar ingesnoerd worden door ‘beleidsruimte’ bij werkgevers.
Het is van groot belang dat georganiseerde leden zelf regie pakken over de koers van de vakbond. We kunnen niet wachten tot de inspraak ons gegund wordt door de vakbondstop. We moeten de strijdbare vakbeweging zelf vanaf onze werkplekken organiseren.
Commissie Bedrijven- en Vakbondswerk van het Partijbestuur van de NCPN
Wil je een abonnement op Manifest?
Met jullie hulp garanderen we een communistische visie op de actualiteit in Nederland
Manifest is de krant van de NCPN die maandelijks verschijnt. Met Manifest blijf je op de hoogte van de actualiteit en van onze acties. Manifest belicht verschillende aspecten van de strijd in binnen- en buitenland, en publiceert analyses die inzicht bieden in de nationale en internationale ontwikkelingen vanuit een marxistisch-leninistisch perspectief. Neem nu een abonnement op Manifest of vraag een gratis proefabonnement aan.
Abonneer Nu!