Skip navigation
Conferentie

De visie van de NCPN op het socialisme

Foto: NCPN

Dit artikel bevat de stellingen van het Partijbestuur over de visie van de NCPN op het socialisme. Meer specifiek gaan de stellingen over de lessen uit de historische ervaringen van de socialistische opbouw in de USSR, de theoretische grondslagen voor de ontwikkeling van de communistische maatschappij en de mogelijkheid en noodzakelijkheid van het socialisme in Nederland.

Deze stellingen stonden ter bespreking op de Partijconferentie die plaatsvond op zaterdag 20 juni 2026. Ter voorbereiding van de Partijconferentie zijn de stellingen besproken in de afdelingen van de partij en die van de Communistische Jongerenbeweging (CJB). Met de waardevolle discussies die zijn gevoerd in gedachten, heeft de Partijconferentie unaniem haar steun uitgesproken voor de verdere uitwerking van de visie van de partij op het socialisme op basis van deze stellingen.

Met deze stellingen van het Partijbestuur, de discussie daarover en de Conferentie zet de partij collectief een volgende stap in de uitwerking van de visie van de NCPN op het socialisme. Dat is een belangrijke taak die het 7e Partijcongres meegaf, met het oog op de uitwerking van het nieuwe partijprogramma.

Inhoud

  1. Lessen uit de historische ervaring van de socialistische opbouw in de USSR
    1.1 De verworvenheden van de bevolking in de socialistische opbouw
    1.2 De socialistische economie
    1.3 De socialistische staat
    1.4 De rol van de communistische partij in de socialistische opbouw
  2. Theoretische grondslagen voor de ontwikkeling van de communistische maatschappij
    2.1 Wetmatigheden van de communistische productiewijze
    2.2 Het socialisme als eerste fase van het communisme
    2.3 De subjectieve factor en de rol van de communistische partij in de socialistische opbouw
  3. Mogelijkheid en noodzakelijkheid van het socialisme in Nederland
    3.1 De criteria voor de aanwezigheid van de materiële voorwaarden voor het socialisme
    3.2 De mogelijkheid van het socialisme in Nederland
    3.3 De noodzaak van het socialisme in Nederland
    3.4 De actuele ontwikkeling van de subjectieve factor in Nederland

Inleiding

Met de Commune van Parijs van 1871 werd voor het eerst in de geschiedenis de arbeidersmacht gevestigd. Hoewel deze bruut werd neergeslagen, wist de arbeidersbeweging hier belangrijke lessen uit te trekken. De Parijse Commune leidde een nieuw tijdperk in, dat van de proletarische revoluties.

De Grote Socialistische Oktoberrevolutie van 1917 leidde tot de vestiging van het eerste socialistische land ter wereld, waar de uitbuiting van de mens door de mens werd afgeschaft. Dit gaf een impuls aan de arbeidersbeweging wereldwijd die in de 20ste eeuw belangrijke rechten verwierf, versterkte de nationale bevrijdingsstrijd die het koloniale stelsel brak en inspireerde meer volkeren om het pad van de socialistische opbouw te bewandelen. De contrarevoluties van 1989-1991 leidden tot herstel van het kapitalisme in een reeks landen.

De contrarevolutionaire omwentelingen en het herstel van het kapitalisme in de USSR en andere socialistische landen zijn een groot verlies geweest voor de internationale arbeidersbeweging. Ook voor de Nederlandse arbeidersklasse hebben de contrarevoluties grote gevolgen gehad. De verworvenheden en rechten van de werkende klasse werden verkregen door de klassenstrijd in Nederland zelf, maar ook onder de krachtsverhoudingen die de aanwezigheid van de socialistische landen creëerde. Het wegvallen van de socialistische landen luidde een periode in van sociale afbraak en achteruitgang, economische crises en oorlogen. De uitbuiting van de arbeidersklasse neemt daarbij steeds meer toe om een handjevol kapitalisten rijk te maken.

Hoewel het kapitalisme erin is geslaagd om tijdelijk een overwinning te behalen op de werkende klasse en het socialisme, betekent dit niet dat het historische tijdperk waarin we leven – de overgang van het kapitalisme naar socialisme – is veranderd. Het is slechts een tijdelijke stap terug en het creëert de voorwaarden voor nieuwe revoluties, omdat het kapitalisme historisch ten einde loopt. Het socialisme staat op de agenda als enige mogelijke en noodzakelijke stap vooruit.

Het kapitalisme heeft niet altijd bestaan en het zal ook niet altijd blijven bestaan. Het wankelt door de tegenstellingen die er inherent aan zijn. Enerzijds neemt de rijkdom die de maatschappij voortbrengt toe, anderzijds daalt juist het levenspeil van de werkende bevolking. De toenemende rijkdom die voortgebracht wordt door de arbeidersklasse concentreert zich door de kapitalistische uitbuiting in de handen van een kleine minderheid, de kapitalistenklasse. Er zijn aanvallen op inkomens en sociale verworvenheden. Onzekerheid, armoede, uitbuiting, discriminatie, aantasting van het milieu zijn aan de orde van de dag. Imperialistische oorlogen dreigen te escaleren en te veralgemeniseren. De enige uitweg voor de toekomst van de werkende klasse blijft het socialisme.

Deze stellingen zijn opgesteld door het Partijbestuur van de NCPN voor de Partijconferentie die als doel heeft de visie van de NCPN op het socialisme verder uit te werken, in aanloop naar de uitwerking van de strategie en de vorming van het nieuwe partijprogramma van de NCPN op het volgende Congres.

De stellingen zijn opgedeeld in drie delen. Het eerste gedeelte bevat stellingen over de lessen uit de historische ervaringen van de socialistische opbouw in de USSR. Het is voor de arbeidersklasse van belang om de ervaringen van de socialistische opbouw kritisch te bestuderen en hier, net zoals de arbeidersbeweging deed met de ervaring van de Commune van Parijs, lessen uit te trekken. Met deze lessen wordt het inzicht in de wetmatigheden van de socialistische opbouw verbeterd, waardoor in de toekomst fouten en zwaktes voorkomen kunnen worden of sneller te overwinnen zijn.

De focus ligt op de USSR, het eerste land waar de arbeidersklasse erin slaagde om haar eigen macht te vestigen en het socialisme op te bouwen. Om deze reden is het een logisch beginpunt voor studie.

De stellingen over de lessen uit de historische ervaringen van de socialistische opbouw in de USSR zijn een uitwerking van resolutie 7a van het 7e Congres van de NCPN: “De studie naar de geschiedenis van de socialistische opbouw in de vorige eeuw wordt voortgezet. De inschattingen van de partij met betrekking tot de ontwikkelingen in de economie van de USSR en de oorzaken van de contrarevolutie zullen verder worden uitgewerkt, bediscussieerd en aan een Conferentie worden voorgelegd.”

Het tweede gedeelte bevat stellingen over de theoretische grondslagen voor de ontwikkeling van de communistische maatschappij. Het gaat daarbij zeker niet om een ‘blauwdruk’ van de toekomstige maatschappij, maar om de uiteenzetting van de fundamentele eigenschappen en wetmatigheden die eigen zijn aan de socialistische opbouw. Deze inzichten zijn mede gebaseerd op de lessen uit de geschiedenis van de socialistische opbouw, die zo bijdragen aan de versterking van de visie van de NCPN op het socialisme.

Het derde gedeelte bevat stellingen over de mogelijkheid en noodzakelijkheid van het socialisme in Nederland. We gaan in op de belangrijkste aspecten van de Nederlandse kapitalistische economie en beoordelen de criteria die bepalen of de materiële voorwaarden die het socialisme mogelijk maken in Nederland aanwezig zijn. Ook bespreken we de noodzaak van het socialisme in Nederland. Het socialisme biedt de arbeidersklasse in Nederland een perspectief, een alternatief voor de constante achteruitgang en oorlogsdreiging van het kapitalisme.

We benaderen het vraagstuk van het socialisme vanuit het perspectief van de arbeidersklasse. We pretenderen geen ‘onpartijdige’ benadering te hebben. Maar wel een objectieve benadering, want juist de arbeidersbeweging heeft noch belang bij het demoniseren, noch bij het verbloemen van de socialistische opbouw. Het is juist belangrijk om zowel alle successen als de fouten en tekortkomingen te benoemen, om zo lessen te trekken voor de toekomst.

Het methodologische uitgangspunt in onze benadering is de materiële dialectiek en het historisch materialisme. Daarbij horen ook de inzichten van de politieke economie en de leer van de klassenstrijd. Er wordt prioriteit gegeven aan de studie van de economie, met name de productieverhoudingen. Op deze basis wordt de bovenbouw bestudeerd, die ook zijn eigen dynamiek kent en invloed uitoefent op de economische basis.

Deze stellingen van het PB van de NCPN zijn het resultaat van een langdurig proces van studie en discussie. De NCPN heeft zich al sinds haar oprichting beziggehouden met de ervaringen van de socialistische opbouw in de 20ste eeuw, met talloze publicaties en discussies. In 2019 is door de leidinggevende organen van de NCPN en CJB een aanzet gedaan om te komen tot een systematische studie van de socialistische opbouw in de Sovjet-Unie en China. Dit is destijds uitgebreid besproken in de landelijke organen en in de meeste afdelingen van de partij en de CJB. Op basis daarvan is de studie en discussie voortgezet. Op het 7e Partijcongres in 2022 werden resultaten daarvan samengevat in de congresbesluiten, die tegelijkertijd richting gaven aan verder onderzoek. Sindsdien heeft de partij grote inspanningen geleverd door het schrijven en vertalen van een reeks artikelen, die inzicht geven in verschillende aspecten van de socialistische opbouw. Veel van die artikelen zijn ook gepubliceerd op leesmanifest.nl en hebben geleid tot waardevolle discussies.

Deze stellingen vormen een samenvatting van de standpunten. De onderliggende argumentatie wordt vooral uiteengezet in de studies die de afgelopen tijd zijn gepubliceerd. In die artikelen zijn ook vele bronverwijzingen te vinden waarop de inzichten zijn gebaseerd die in deze stellingen naar voren komen. Deze bronverwijzingen komen in de stellingen niet terug, omdat dit een politieke stellingname betreft en geen onderzoek – voor het onderliggende onderzoek en de bronnen verwijzen we dus naar de op leesmanifest.nl gepubliceerde artikelen.

Hoewel de stellingen van dit stuk gebaseerd zijn op uitgebreid onderzoek en uitvoerige besprekingen, zijn ze niet het eindpunt, maar een basis voor verdere studie en discussie.

“Proletarische revoluties daarentegen, zoals die van de negentiende eeuw, kritiseren zichzelf gestadig, onderbreken voortdurend hun eigen loop, komen op het schijnbaar volbrachte terug om er weer opnieuw aan te beginnen, honen met meedogenloze grondigheid de halfheden, de zwakheden en de armzaligheid van hun eerste pogingen, schijnen hun tegenstander alleen neer te werpen, opdat hij nieuwe krachten uit de aarde zal kunnen opzuigen en zich nog reusachtiger tegenover hen zal kunnen verheffen, schrikken steeds opnieuw terug voor de onbepaalde geweldigheid van hun eigen doeleinden, totdat de situatie is geschapen die elk omkeren onmogelijk maakt en de omstandigheden zelf roepen:

Hic Rhodus, his salta!
Hier is Rhodos, spring hier!”

1. Lessen uit de historische ervaring van de socialistische opbouw in de USSR

1.1 De verworvenheden van de bevolking in de socialistische opbouw

De USSR was het eerste land waarin de socialistische revolutie zegevierde en het socialisme werd opgebouwd.

Met de vestiging en ontwikkeling van het kapitalisme, verdiepte de basistegenstelling van de kapitalistische productiewijze tussen de vermaatschappelijking van de productie en de private toe-eigening van de resultaten ervan. Deze ontwikkeling bracht halverwege de 19e eeuw de noodzaak van het communisme aan het licht. Het Manifest van de Communistische Partij, geschreven door Karl Marx en Friedrich Engels in 1848, was het eerste politieke programma gebaseerd op het wetenschappelijk socialisme, en zette de basisprincipes voor de eerste communistische partij uiteen.

Met de Commune van Parijs in 1871 werd voor het eerst de dictatuur van het proletariaat gevestigd, die 72 dagen standhield.

De overwinning van de Grote Socialistische Oktoberrevolutie van 1917 leidde tot de vestiging van de sovjetrepublieken die zich in 1922 verenigden in de USSR. De sovjetstaat was de eerste historische ervaring met de consolidering van de dictatuur van het proletariaat, een democratische staat die uitdrukking gaf aan de belangen van de grote meerderheid van de bevolking, en de opbouw van de socialistische economie, die de behoeften van de mensen als doel van de productie stelt in plaats van de winst van een kleine minderheid. De socialistische opbouw in de USSR resulteerde voor het eerst in de geschiedenis in de afschaffing van de kapitalistische uitbuiting.

De verworvenheden van de socialistische opbouw voor de arbeidersklasse tonen aan dat het socialisme een grote stap is in de sociale vooruitgang.

De historische ervaring van de opbouw van het socialisme in de USSR en andere socialistische landen toont dat het socialisme een hogere vorm van organisatie van de economie en maatschappij is. Dit ondanks de problemen waar de bevolking in verschillende periodes mee werd geconfronteerd en die goed of minder goed zijn aangepakt, en de tekortkomingen en fouten die uiteindelijk bijdroegen aan de contrarevoluties eind 20ste eeuw. Deze doen namelijk niets af aan de sociale verworvenheden in de Sovjet-Unie en de inspanningen die de arbeidersklasse leverde om haar historische taak tot uitvoering te brengen en een nieuwe maatschappij op te bouwen.

Onder het socialisme in de Sovjet-Unie was er voor het eerst in de geschiedenis gegarandeerd werk, net als gratis gezondheidszorg, onderwijs en andere publieke voorzieningen. Niet alleen op papier maar in de praktijk. Het socialisme bracht een ongekende stijging van het levenspeil en bevorderde de culturele en wetenschappelijke vooruitgang. Er werden grote stappen gezet op het gebied van emancipatie van vrouwen en minderheden.

Wereldwijd diende het socialisme als een voorbeeld en inspireerde het de strijd van mensen die zich verzetten tegen onderdrukking en uitbuiting. Het socialisme diende als toonbeeld van internationale solidariteit en proletarisch internationalisme. Het bevorderde de vriendschap der volkeren tegenover de imperialistische concurrentie en oorlogen. De USSR speelde een cruciale rol in de overwinning op het fascisme en in het dekolonisatieproces.

De sociale vooruitgang die het socialisme bracht, contrasteert sterk met het kapitalistische systeem dat wordt gekenmerkt door uitbuiting, ongelijkheid, crises en oorlog. Ondanks imperialistische tegenwerking, gewelddadige inmenging en sabotage tegen de opbouw van het socialisme, bewezen de verworvenheden en successen van de USSR en andere socialistische landen het potentieel van het socialisme om de welvaart en ontwikkeling van de bevolking duurzaam te bevorderen.

1.2 De socialistische economie

De verworvenheden van de USSR waren te danken aan het verdiepen van de communistische verhoudingen in de productie.

Deze verworvenheden waren het resultaat van de strijd voor de afschaffing van het kapitalisme en de opbouw van het socialisme. In de Sovjet-Unie werd voor het eerst de uitbuiting van de mens door de mens afgeschaft. Voor het eerst werd afgerekend met het kapitalistische systeem, waarin de winst het doel van de productie is en de economie is onderworpen aan de anarchie van de markt.

Met de vermaatschappelijking van de productiemiddelen, de ontwikkeling van de centrale planning, de vestiging van de arbeiderscontrole en algemener de opbouw van de communistische verhoudingen, veranderde het doel van de productie. Niet langer was de winst het doel, zoals in het kapitalisme, maar de mens en de vervulling van diens behoeften werden het doel van de productie. De opbouw van deze communistische verhoudingen in de economie stelde de bevolking in staat om collectief, bewust en gepland vorm te geven aan de ontwikkeling van de economie en maatschappij op basis van haar behoeften, en maakte daarmee de verworvenheden van het socialisme mogelijk.

Het socialisme is de eerste fase van het communisme en wordt gekenmerkt door de strijd tussen de oude en de nieuwe verhoudingen.

De communistische verhoudingen vestigen zich niet van de ene op de andere dag. Het socialisme is geen zelfstandige socio-economische formatie. Het is de eerste, onrijpe fase van het communisme. Onrijp, omdat het nog allerlei overblijfselen heeft van de oude, kapitalistische maatschappij, zoals waren- en geldverhoudingen, privaat eigendom in de vorm van individuele producenten (zoals ambachtslieden die producten van hun eigen arbeid verkopen) en het groepseigendom van coöperaties. Ook is er sprake van tegenstellingen uit de oude maatschappij die het socialisme erft, zoals de tegenstelling tussen uitvoerend en bestuurlijk werk of de tegenstelling tussen platteland en stad.

De opbouw van de socialistische economie verloopt dan ook via de strijd voor de afschaffing van het private eigendom, die de basistegenstelling van het kapitalisme oplost, en de opbouw en verdieping van communistische verhoudingen in de economie. De belangen van de arbeidersklasse en de meerderheid van de bevolking botsten hier met sociale groepen en lagen die belang hebben bij herstel van de kapitalistische verhoudingen, zoals de voormalige bourgeoisie en indertijd ook de voormalige adel, maar ook lagen zoals intelligentsia, beambten of delen van de arbeidersaristocratie die hun bevoorrechte posities hadden verloren. Er vindt dus een strijd plaats tussen de oude en de nieuwe verhoudingen.

De vestiging van de arbeidersmacht na de Oktoberrevolutie was dus pas het startschot voor de opbouw van het socialisme. Men had niet alleen te maken met de kapitalistische overblijfselen, maar werd ook geconfronteerd met de puinhopen van de Eerste Imperialistische Wereldoorlog, achtergestelde omstandigheden in de economie met gebrek aan infrastructuur en een sterk gedifferentieerde boerenlaag, en de burgeroorlog met interventies van buitenlandse legers. Ook de landbouw was flink achtergesteld. In pre-revolutionair Rusland was er, ondanks de formele afschaffing van het lijfeigenschap in 1861, in de praktijk nog altijd sprake van restanten van de feodale economie en werden de boeren uitgebuit door grootgrondbezitters. Deze omstandigheden hadden de ontwikkeling van de agrarische productie geremd. Met het ‘Decreet over het land’ schafte de Sovjetmacht in oktober 1917 het grootgrondbezit af. De nieuwe arbeidersstaat had te maken met een situatie waarin de productiviteit van de landbouw zeer laag was en verdeeld over kleinschalige individuele boerderijtjes.

Het was daarom in eerste instantie niet onmiddellijk mogelijk om over de gehele economie een offensief tegen alle kapitalistische elementen te beginnen. De strategie die werd uitgezet, was dat in eerste instantie een sterke socialistische industrie moest worden opgebouwd. De industrie maakte de levering van landbouwmachines mogelijk, net als irrigatiewerken en andere voorwaarden voor de overgang van de kleinschalige agrarische productie naar grootschalige productie, aanvankelijk in het kader van coöperaties en vervolgens door de agrarische sector te integreren in de socialistische economie.

Door de historische omstandigheden, de verwoesting van de oorlog en de lage graad van ontwikkeling van de sovjet-economie, moesten er tijdelijke stappen terug gedaan worden in de socialistische opbouw. Dit gebeurde met de Nieuwe Economische Politiek (NEP). Deze stelde een aantal bedrijven ter beschikking aan kapitalisten om te exploiteren (zonder het eigendom over te dragen), bevorderde de handel en organiseerde de ruil tussen de agrarische productie en de vermaatschappelijkte industrie op basis van belasting in natura zodat boeren het overige deel van hun agrarische productie op de markt konden verhandelen. Het voornaamste doel van de NEP was de economische prikkels vormen voor de boeren om de agrarische productie te vergroten, zodat de arbeiders in de steden gevoed konden worden en de industrie kon worden voorzien van grondstoffen.

De NEP betekende de introductie van kapitalistische economische elementen en betekende dus ook een behoorlijke concessie en het doen van een flink aantal stappen terug, hetgeen de partij ook erkende. Zulke concessies zijn geen onvermijdelijke wetmatigheid van de socialistische opbouw, maar waren een vereiste tactiek in deze specifieke historische omstandigheden.

Tegen het einde van de jaren ’20 kwam er een einde aan de NEP en begon het ‘offensief van het socialisme tegen de kapitalistische elementen’. Dit was mogelijk doordat in de jaren hiervoor de basis werd gelegd voor de socialistische industrialisatie en coöperatieven al waren opgericht door de boeren. Bovendien verkeerde de kapitalistische wereld in een gigantische crisis (de grote depressie van 1929-1933), wat ruimte gaf om het socialistisch offensief te lanceren. Concessies aan kapitalisten werden opgeheven en de industrialisering werd doorgezet. De collectivisering van de landbouw werd massaal aangepakt. Kolchozen werden versterkt en de sovchoz werd op beperkte schaal ontwikkeld. De elektrificatie en industrialisatie van de productie en de uitbreiding van transportmiddelen en de mechanisatie van een groot deel van de landbouwproductie werden gerealiseerd. De planeconomie werd versterkt en deze bereikte indrukwekkende snelheden in de ontwikkeling van socialistische industriële productie. De sovjetmacht ontwikkelde met succes de binnenlandse productiecapaciteit in alle takken van de industrie.

De klassenstrijd zet zich door in de periode van de socialistische opbouw.

In de strijd voor de uitbreiding en verdieping van de communistische verhoudingen in de economie gedurende de socialistische opbouw botsen de belangen van de arbeidersklasse en de meerderheid van de bevolking met de belangen van een minderheid van sociale lagen die belang hebben bij versterking van privaat eigendom, marktwerking en algemener van de kapitalistische verhoudingen, die internationaal steun vinden zolang het kapitalisme in andere landen nog overeind staat. De klassenstrijd zet zich dan ook door onder het socialisme.

Dit toont ook de historische ervaring van de socialistische opbouw. In elke periode vond klassenstrijd plaats, die zich ook kan verscherpen tijdens de socialistische opbouw, zoals tijdens het offensief gebeurde. Kapitalistische elementen willen niet vreedzaam ‘ingroeien’ in de socialistische economie, maar proberen zich te verzetten tegen de verdieping van de socialistische productieverhoudingen.

Bijzondere aandacht in de socialistische opbouw vraagt het bondgenootschap met de boerenklasse en middenlagen.

De boerenklasse en middenlagen in de steden zijn onmisbare bondgenoten van de arbeidersklasse in de socialistische opbouw. Dat bondgenootschap kreeg op verschillende manieren vorm.

Bijvoorbeeld in de tijd van de burgeroorlog nam het de vorm aan van het oorlogscommunisme, waarbij de sovjetmacht de boeren grond en bescherming tegen de koelakken bood, en de boeren voedsel leverden voor de arbeidersklasse in de steden. Na de burgeroorlog gaf de NEP de boer economische prikkels om de agrarische productie te vergroten, doordat zij een deel van hun agrarische productie op de markt konden verhandelen. Na de NEP werden landbouwmachines die de socialistische industrie had voortgebracht via de coöperaties en staatsboerderijen beschikbaar gesteld aan de boeren die zich daarbij vrijwillig aansloten.

Tijdens het offensief en de collectivisatie werden fouten en overdrijvingen gemaakt, zoals de schending van het vrijwillige karakter van de collectivisatie door lokale partijorganen, die het bondgenootschap tussen de arbeidersklasse en de kleine en middelgrote boeren ernstig aantastte.

Dit toont het belang van de ontwikkeling van een weloverwogen strategie van de partij voor het bondgenootschap met de boeren en ook andere middenlagen in de steden, zodat zij op een goede manier worden betrokken bij de socialistische opbouw waar zij immers zelf ook belang bij hebben. De partij moet waken voor avonturistische standpunten die dat bondgenootschap in gevaar brengen, zoals die in de Sovjet-Unie werden vertegenwoordigd door Trotski en Zinovjev in de jaren ’20.

De toepassing van kapitalistische ‘recepten’ in de socialistische economie als antwoord op de vele uitdagingen verzwakte de socialistische productieverhoudingen en ondermijnde het socialisme in de USSR.

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond een nieuwe situatie. Terwijl de wederopbouw in rap tempo plaatsvond, leidden de innovaties van die tijd tot verdere ontwikkeling van de maatschappelijke behoeften. In die context kwamen reële en concrete uitdagingen in de economie sterker aan het licht, zoals het lage tempo van de toepassing van nieuwe technieken in de productie, het voortbestaan van onproductieve werkwijzen, moeilijkheden in het verzamelen en verwerken van informatie voor de centrale planning etc.

Deze omstandigheden vroegen om verdere verdieping van de socialistische verhoudingen, met de ontwikkeling van socialistische indicatoren en criteria voor de centrale planning, het versterken van de arbeiderscontrole en de wisselwerking tussen het plan en de terugkoppeling ‘van onderop’, en het inperken van privaat eigendom.

In de loop van de jaren ’50 kregen echter marktgezinde opvattingen (tovarniki) meer invloed. De opvatting dat de markt een neutrale rol zou kunnen spelen in het socialisme en zelfs zou kunnen worden gebruikt om het socialisme te ontwikkelen kwam al op in de jaren ’20 en ’30, maar deze opvatting werd destijds succesvol bestreden in de partij. Dat deze opvattingen na de Tweede Wereldoorlog aan invloed wonnen, had ermee te maken dat de partij er onvoldoende in slaagde om de politieke economie van het socialisme verder te ontwikkelen en oplossingen voor de reële problemen uit te werken in een richting van verdieping van de socialistische verhoudingen in de productie, terwijl de materiële omstandigheden daar wel rijp voor waren. De interne ontwikkeling van de partij was hierin ook een belangrijke factor: veel kaderleden van de partij waren tijdens de Tweede Wereldoorlog gesneuveld, terwijl in dezelfde periode miljoenen nieuwe leden tot haar rangen toetraden en aan scholing relatief minder aandacht was besteed vanwege de prioriteiten in de oorlog.

Het 20ste Congres, dat in 1956 plaatsvond, vormt een belangrijk keerpunt in deze wending naar het introduceren van marktelementen in de socialistische economie, die werd voortgezet met beleid in de jaren ’60 en ’70, in het bijzonder met de Kosygin-hervormingen, en later in de jaren ’80.

De oplossingen voor de problemen en uitdagingen werden vaker gezocht in de herintroductie van marktelementen, het gebruik van waren- en geldrelaties, de verzwakking van de koppeling van bedrijven met de centrale planning, en de versterking van de rol van kapitalistische indicatoren en criteria zoals de winst in de economie.

De geleidelijke introductie van kapitalistische ‘recepten’ in de socialistische economie van de USSR verzwakte de communistische verhoudingen in de economie, zoals het maatschappelijke eigendom, de centrale planning, de arbeiderscontrole etc. Daarmee verzwakte het ook de ontwikkeling van de communistische houding tegenover arbeid die op deze verhoudingen is gebaseerd en die wordt ondermijnd door de versterking van handels- en geldrelaties in de economie, die juist individualisme, eigenbelang en concurrentie in de hand werken. Zo ondermijnden de markthervormingen en kapitalistische recepten het socialisme en de ontwikkelingsdynamiek van de socialistische economie.

De introductie van marktelementen creëerde de economische voorwaarden voor de contrarevolutie.

Via de herintroductie van marktelementen, de directe uitwisseling tussen bedrijven buiten de centrale planning om, de versterking van de rol van bonussen en materiële prikkels, en de uitbreiding van de zwarte markt die gedijde op deze marktelementen versterkte geleidelijk de differentiatie in inkomens en vermogens. Deze differentiatie vond plaats tussen maar vooral binnen bedrijven, waar het onder andere de vorm aannam van een verscherping van de tegenstelling tussen uitvoerende en bestuurlijke arbeid.

Onder een klein deel van de boeren en bestuurders van kolchozen, net als onder sommige bestuurders van bedrijven, ontstond een sociale laag die in wezen de mogelijkheid had zich een deel van het maatschappelijk product toe te eigenen. Dat individuele belang botste tegen het maatschappelijke belang. Zij hadden belang bij het legaliseren van het vermogen dat zij opbouwden, zodat het legaal als kapitaal kon worden geactiveerd in de productie. Dit creëerde de belangrijkste economische voorwaarde en drijfveer voor de contrarevolutie: een maatschappelijke laag die belang had bij het herstel van het kapitalisme. Dit werd verder in de hand gewerkt met het beleid in de jaren ’80, in het bijzonder de wetten die vanaf 1987 kapitalistische eigendomsverhoudingen legaliseerden in de economie en verschillende eigendomsvormen accepteerden.

De socialistische opbouw en de uitbreiding van de communistische verhoudingen vereisen strijd voor de opheffing van de markt en alle kapitalistische elementen in de economie.

De markt bestond in de USSR als overblijfsel van de kapitalistische productiewijze. De waardewet gold in de socialistische economie in de mate dat er nog van warenproductie sprake was. Zo was een deel van het product van de kolchozen bijvoorbeeld groepseigendom en bestemd voor de verkoop en dit zijn dus waren.

In de loop van de 20ste eeuw werden in de USSR en andere socialistische landen opportunistische theorieën ontwikkeld, die haaks staan op de marxistische politieke economie, die spreken van ‘socialisme met markt’, ‘marktsocialisme’, ‘socialistische warenproductie’, ‘socialistische markteconomie’ etc. In allerlei varianten komen die theorieën erop neer dat markt en planning als twee ‘neutrale’ middelen worden gezien, die beide zouden kunnen worden ingezet in zowel het kapitalisme als het socialisme. De markt wordt daarmee niet langer gezien als een overblijfsel van het kapitalisme dat in de socialistische opbouw moet worden bestreden, ingeperkt en uiteindelijk volledig afgeschaft – steeds in de mate dat aan de materiële voorwaarden daarvoor is voldaan – maar als een eigenschap van het socialisme zelf, dat niet alleen kan worden in stand gehouden maar zelfs kan worden uitgebreid. Dit hangt nauw samen met de misvatting dat een staatsbedrijf gelijk een socialistisch bedrijf zou zijn, of het nu via de centrale planning of via de markt werkt.

Het hele historische verloop van de socialistische opbouw in de USSR heeft echter de posities van Marx, Engels en Lenin bevestigd, die benadrukten dat markt en het socialisme niet verenigbaar zijn. Het socialistisch, maatschappelijk eigendom wil immers niet slechts zeggen dat een bedrijf formeel-juridisch staatseigendom is.

Socialistische productie wil zeggen direct maatschappelijke productie, waarbij de productiekrachten die een bedrijf activeert zijn toebedeeld vanuit de centrale planning, terwijl arbeidscontrole plaatsvindt op de uitwerking en uitvoering van dat plan, met als doel het bevredigen van de maatschappelijke behoeften. Socialisme is direct maatschappelijke productie juist omdat het maatschappelijk karakter van de arbeid en het maatschappelijke nut van de producten direct, en niet achteraf via de omweg van de markt, duidelijk zijn. De tegenstelling tussen de particuliere arbeid en de maatschappelijke arbeid, die ten grondslag ligt aan de warenproductie, doet zich niet voor en dus is er ook geen sprake van waarde of de waardewet. Dat zijn categorieën uit de politieke economie van het kapitalisme die niet langer van toepassing zijn.

De realiteit is veel complexer, omdat gedurende de socialistische opbouw nog allerlei overblijfselen van de kapitalistische productieverhoudingen bestaan, waaronder marktwerking met waren- en geldverhoudingen, vormen van privaat eigendom en groepseigendom, etc. Het is echter van belang om de antagonistische relatie tussen de overblijfselen van de oude, kapitalistische verhoudingen en de nieuwe socialistische verhoudingen te doorgronden. In de USSR en andere socialistische landen was de theorie dat hier sprake zou zijn van een niet-antagonistische relatie, of zelfs dat het socialisme een vorm van warenproductie is omdat de markt als een neutrale, eeuwige economische categorie werd gezien, het belangrijkste theoretische uitgangspunt in de politieke economie van de opportunistische en uiteindelijk contrarevolutionaire tendens.

1.3 De socialistische staat

De USSR was een arbeidsstaat, die uitdrukking gaf aan de belangen van de arbeidersklasse en de grote meerderheid van de bevolking.

De dictatuur van het proletariaat, die voor het eerst ontstond in de Commune van Parijs in 1871, consolideerde zich voor het eerst met de overwinning van de Grote Socialistische Oktoberrevolutie. De revolutionaire machtsorganen van de sovjetstaat waren ontstaan uit de arbeidersbeweging en de revolutie. Met de omverwerping van de burgerlijke macht nam de bevolking middels deze organen het heft in eigen hand en begon aan de opbouw van een nieuwe economie en maatschappij.

De economische basis en bovenbouw vormen een dialectische eenheid, waarin de economie uiteindelijk bepalend is. Het maatschappelijke karakter en de klasseninhoud van de staat als dictatuur van het proletariaat zijn een vereiste voor, en worden tegelijkertijd bepaald door, het maatschappelijke karakter van het eigendom in het socialisme.

De opbouw van de communistische productieverhoudingen na de omverwerping van de burgerlijke macht, maakt het mogelijk dat de bevolking via haar staatsorganen collectief, bewust en gepland de ontwikkeling van de economie en maatschappij kan vormgeven op basis van de maatschappelijke behoeften.

Het klassenkarakter van de sovjetstaat uitte zich onder andere in de rechten die het verankerde voor de arbeiders en de bevolking, maar ook specifieke rechten in het kader van de emancipatie van vrouwen en minderheden. Rechten die vaak voor het eerst in de geschiedenis en vaak ook op constitutioneel niveau werden verankerd. Maar belangrijker nog is dat deze rechten niet alleen op papier bestonden, maar dat ze ook in de praktijk werden gerealiseerd doordat de sovjetstaat de voorzieningen opbouwde zodat iedereen diens rechten daadwerkelijk kan uitoefenen.

Ook de historische ontwikkeling van de bovenbouw in de socialistische opbouw, toont daarmee het socialisme als een hogere vorm van organisatie van de economie en maatschappij. Maar ook de reële problemen en tekortkomingen laten dit zien, aangezien elke teruggang in het functioneren van de dictatuur van het proletariaat ook gepaard ging met teruggang in de betrokkenheid van de massa’s en in de economische ontwikkeling.

De dictatuur van het proletariaat moet berusten op de actieve participatie van de arbeidersklasse in de uitoefening van de macht

De socialistische opbouw berust op het initiatief, de wil, de verantwoordelijkheid, het enthousiasme en de discipline van de werkers. Daarin ligt kracht van de dictatuur van het proletariaat. De dictatuur van het proletariaat is de proletarische, socialistische democratie, en kan alleen als zodanig functioneren wanneer zij steunt op de actieve participatie van de arbeidersklasse in de uitoefening van de macht. De dictatuur van het proletariaat kan zijn plicht in de klassenstrijd alleen voldoen als de massa’s breed worden betrokken bij het nemen, uitvoeren en controleren van de besluiten; als ze zich de doelen en richting van de centrale planning, die ze zelf vormgeven, strijdbaar eigen maken.

Daarom is het van groot belang om de actieve deelname van de arbeidersklasse aan de uitoefening van de macht te faciliteren door onderwijs, culturele ontwikkeling, politieke scholing, de vermindering van arbeidstijd en met inhoudelijk functionerende machtsorganen.

Dat de machtsorganen inhoudelijk moeten functioneren – op alle niveaus van lokale organen tot aan de landelijke centrale organen – wil zeggen dat het niet alleen gaat om het formeel houden van periodieke, vrije verkiezing van vertegenwoordigers. Het gaat ook om inhoudelijke algemene vergaderingen van werkers aan de basis, waar de mogelijkheid van kritiek op besluiten en de uitvoering daarvan wordt gefaciliteerd, waar hogere organen verantwoording afleggen, waar ze worden gecontroleerd en waar vertegenwoordigers kunnen worden herroepen als ze niet langer naar behoeven hun positie vervullen, waar bureaucratische houding of willekeur van functionarissen kan worden bestreden.

Tekortkomingen in de arbeiderscontrole en de betrokkenheid van de arbeiders in de uitoefening van de macht leidden tot ondoeltreffendheden en ondoelmatigheden in de economie, die zich uitten in verspilling van productiekrachten, bureaucratische werkwijzen en andere economische problemen. Zulke tekortkomingen vervreemdden de belangrijkste productiekracht, namelijk de arbeid, van de productie en de centrale planning. Dit ondermijnde de socialistische opbouw, want de arbeiderscontrole is een communistische productieverhouding die onlosmakelijk verbonden is met het maatschappelijk eigendom en de centrale planning.

De dictatuur van het proletariaat vereist dus dat de subjectieve factor, de werkers, geen passieve toeschouwers zijn maar hoofdrolspelers in de politieke activiteit voor de maatschappelijke bevrijding. Hierin ligt immers het essentiële verschil tussen de burgerlijke parlementaire democratie, die op allerlei manieren de massa’s juist verwijdert van daadwerkelijke deelname aan het bestuur, met de proletarische democratie.

De kern van de arbeidersmacht ligt aan de basis.

Verkiezingen in de USSR vonden in de eerste jaren vooral plaats via de productie-eenheid. In gevallen waarin dat niet mogelijk was, zoals voor beambten, studenten, gepensioneerden, arbeidsongeschikten etc., werden ze gehouden in de dienst, op de onderwijsinstelling of in de buurt. Verkiezingen vonden dus hoofdzakelijk plaats op de werkplek waar het arbeiderscollectief georganiseerd was, waar de werkers vergaderden, besluiten namen en hun vertegenwoordigers kozen en controleerden. De productie-eenheid vormde zo de kieseenheid en de basis van de arbeidersstaat.

De aanpassingen in de grondwet van 1936, waarmee de op productie-eenheid gebaseerde kiesvergaderingen werden vervangen door geografische kiesdistricten, verzwakten de arbeiderscontrole. Naar aanleiding van de successen die waren geboekt in de socialistische opbouw en de afname van tegenstellingen die uit het kapitalisme waren geërfd, werd de conclusie getrokken dat ‘verdere democratisering’ mogelijk zou zijn. Vanuit deze redenering vond de verschuiving van de productie-eenheid als kieseenheid naar geografische kiesdistricten plaats. Dit verzwakte de betrokkenheid van de massa’s bij het politieke proces en de wisselwerking tussen de basis en de hogere machtsorganen, aangezien het objectief de afstand vergrootte en de controle op en eventuele herroeping van vertegenwoordigers bemoeilijkte.

Met de verzwakking van de socialistische productieverhoudingen na het 20e Congres van de CPSU in 1956 zien we een groei van sociale verschillen op basis van inkomen en positie enerzijds en de verscherping van de tegenstellingen tussen de belangen van individu en collectief anderzijds. Er is een trend waarneembaar waarbij de arbeiderscontrole nog verder afzwakt. Dit was bijvoorbeeld zichtbaar in de verminderde deelname van de arbeiders in de Sovjets – de organen van de arbeidersmacht.

Dit werkte niet alleen ondoeltreffendheden en ondoelmatigheden in de economie in de hand, maar belemmerde ook de betrokkenheid van de massa’s in het politieke proces, evenals van de relatie en wisselwerking tussen de basis en de hogere machtsorganen, aangezien het objectief de afstand vergroot en de controle op en eventuele herroeping van vertegenwoordigers bemoeilijkt.

De kern van de arbeidersmacht moet dan ook liggen aan de basis, in de productie-eenheid, dienst, onderwijsinstelling of buurt. Van daaruit worden hogere organen op sectorale of geografische basis verkozen en gecontroleerd.

De socialistische staat is de dictatuur van het proletariaat, en behoudt zijn klassenkarakter tot het afsterven van de staat

Wanneer het opportunisme de overhand krijgt in de partij zien we dat de partij economisch beleid gaat voeren gericht op verzwakking van socialistische elementen en versterking van kapitalistische elementen. Dit heeft vervolgens ook zijn verdere weerslag op de uitwerkingen van de partij betreffende de bovenbouw. In 1961 komt de CPSU op haar 22ste Congres tot de onjuiste beoordeling dat de dictatuur van het proletariaat aan haar einde is gekomen en dat er sprake is van een ‘algemene volksstaat, oftewel niet een arbeidersstaat maar een staat van de hele bevolking. De CPSU kwam tot deze beoordeling omdat zij vond dat er geen sprake meer was van een interne klassenvijand omdat de kapitalistische uitbuiting was afgeschaft.

De mogelijkheid van herstel van het kapitalisme ligt echter nog besloten in de ‘moedervlekken’, de restanten, van de oude maatschappij. Met name overblijfselen van waren- en geldverhoudingen en vormen van groepseigendom in de economie, maar ook de tegenstellingen die het socialisme van het kapitalisme erft, zoals tussen stad en platteland, tussen lichamelijke en mentale arbeid, tussen uitvoerende en bestuurlijke arbeid, maken de klassenstrijd noodzakelijk. Ook ideologisch-culturele overblijfselen spelen een rol. De theorie van de ‘algemene volksstaat’ miskende de mogelijkheid dat het kapitalisme weer zou kunnen overwinnen in de USSR, niet alleen door externe, maar ook door interne ontwikkelingen. De noodzaak om hier consequent tegen te blijven strijden, werd zo onderschat.

Bovendien kijkt de benadering van de ‘algemene volksstaat’ alleen naar de repressieve functie van de arbeidersstaat, en onderschat zij de creatieve en scholende functie die de dictatuur van het proletariaat heeft in de opbouw van de nieuwe, communistische verhoudingen in de economie en maatschappij. Het is het proletariaat dat als enige werkelijk revolutionaire klasse de kapitalistische overblijfselen in de maatschappij kan bestrijden, onder leiding van de communistische partij. De noodzaak van de socialistische staat om als dictatuur van het proletariaat op te treden zit hierin dan ook besloten. Het uitroepen van een ‘algemene volksstaat’ is dus inherent in conflict met de rol van de staat onder het socialisme en staat in contrast met het standpunt dat Lenin, Marx en Engels ontwikkelden dat inhield dat de dictatuur van het proletariaat vereist is tot de volledige afschaffing van klassen en het afsterven van de staat.

Socialisme en imperialisme kunnen niet vreedzaam naast elkaar leven, want er bestaat geen vreedzaam imperialisme

De USSR probeerde altijd om, waar mogelijk, vrede te waarborgen. Met de fascistische inval van de USSR verloren tientallen miljoenen mensen hun leven. Door de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog snakte de bevolking van de USSR naar vrede. De lijn van ‘vreedzame co-existentie’ gaf deels uitdrukking aan de wens om vrede in de Sovjet-Unie. Deze lijn werd ontwikkeld in de naoorlogse periode, tot op zekere hoogte op het 19e Congres in oktober 1952, maar voornamelijk op het 20e Congres van de CPSU in 1956.

Het imperialisme bleef ongewijzigd plannen maken om in de USSR en de nieuw ontstane socialistische landen de contrarevolutie te bewerkstelligen.

Socialistische landen verdedigen de vrede. Maar de politiek van ‘vreedzame co-existentie’ zoals deze door de CPSU werd uitgewerkt, creëerde het idee dat het imperialisme op lange termijn vredig kan accepteren dat krachten die de wereldwijde imperialistische overheersing hebben doorbroken naast hem bestaan. In het imperialisme zelf zit de uitbreidingsdrang naar onder andere nieuwe markten en goedkope arbeid besloten. Met de ‘vreedzame co-existentie’ verzwakte de CPSU in wezen dus ook het collectieve, marxistisch-leninistische begrip van de economische aard van het imperialisme. Deze lijn verzwakte zo de waakzaamheid van de Sovjet-Unie tegenover het imperialisme en betekende bovendien in wezen een herziening van revolutionaire lessen en een onderschatting van de imperialistische strategie tegen socialistische staten en arbeidersbewegingen.

Het theoretiseren van diplomatieke banden van de USSR met bepaalde landen leidde tot illusies over het klassenkarakter van deze landen

De USSR onderhield goede relaties met veel landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika die een succesvolle nationale bevrijdingsstrijd tegen het kolonialisme hadden gevoerd. In sommige landen sloeg de nationale bevrijdingsstrijd om naar een socialistische revolutie, zoals in China, Vietnam en een reeks andere landen. In andere landen bleef het kapitalisme bestaan en bleef de bourgeoisie van dat land aan de macht. De USSR leverde een geweldige bijdrage aan de opbouw van deze landen in de vorm van economische steun en solidariteit tegen imperialistische agressie.

Onder deze naoorlogse krachtsverhoudingen bestonden er landen die goede relaties hadden met de USSR en zich zo enigszins onttrokken aan de invloed van de VS en West-Europa of tegen hun invloed ingingen, zoals Egypte, Syrië, Indonesië en India. Er ontstond echter ook de misvatting dat deze landen een soort socialistische of ‘niet-kapitalistische’ ontwikkeling doormaakten en dat de burgerlijke regeringen of de burgerij in die landen moesten worden gesteund door de arbeidersbeweging.

Deze inschatting hield verband met reformistische theorieën over de mogelijkheid van een parlementaire weg naar het socialisme, die in het bijzonder na het 20ste Congres van de CPSU sterke invloed hadden. Ze stond ook in verband met theorieën waarin de tegenstellingen tussen de kapitalistische staten, die altijd het element van afhankelijkheid en ongelijkheid bevatten en onvermijdelijk zijn binnen het imperialistische systeem, niet correct geanalyseerd werden.

Een socialistisch land zal economische en diplomatieke betrekkingen ontwikkelen met andere landen, ook kapitalistische landen, uit economische maar ook strategische en tactische overwegingen. Die diplomatieke keuzes moeten echter niet worden getheoretiseerd.

Een kapitalistisch land kan banden aangaan door specifieke historische omstandigheden, de krachtsverhoudingen, de invloed van de arbeidersbeweging, tactische afwegingen van de heersende klasse of andere redenen. Maar dit verandert niets aan het klassenkarakter van dat land, dat uiteindelijk wordt bepaald door de productieverhoudingen binnen een land en niet door diplomatieke banden of krachtsverhoudingen. De wetmatigheden van de klassenstrijd zijn van kracht en in elk land kan alleen de arbeidersklasse de socialistische opbouw bewerkstelligen met de revolutie, de leiding kan niet worden overgelaten aan de nationale bourgeoisie.

1.4 De rol van de communistische partij in de socialistische opbouw

De communistische partij moet in staat zijn om de theorie van het marxisme-leninisme en de praktijk van de socialistische opbouw verder te ontwikkelen om antwoord te kunnen geven op de vraagstukken die opkomen in de socialistische opbouw.

Wanneer de communistische partij er niet in slaagt de theorie te ontwikkelen en teruggrijpt naar burgerlijke ‘oplossingen’ voor de problemen die zich voordoen bij de socialistische opbouw, ontstaat ruimte voor opportunistische opvattingen. Als het opportunisme niet tijdig en grondig wordt weerlegd, ontwikkelt het zich tot contrarevolutionaire kracht. De contrarevolutie in de USSR toont aan dat het mogelijk is dat de communistische partij haar revolutionaire karakter verliest en zélf de drager wordt van de contrarevolutie.

Ondanks de eerdere interne strijd tegen het opportunisme, kreeg een rechts-opportunistische lijn in de CPSU de overhand vanaf het 20ste Congres, met een diepgaande impact op de ideologische en organisatorische samenhang van de partij. Daarnaast versterkten sociale differentiatie binnen de USSR en de nog bestaande waren- en geldverhoudingen de materiële basis voor opportunisme en de invloed van burgerlijke en kleinburgerlijke krachten. Hoewel consistente communisten weerstand boden tegen deze opportunistische koers van de partij, slaagden zij er niet in om de overwinning van de contrarevolutie te voorkomen.

Deze ontwikkelingen werden in de hand gewerkt door externe factoren, zoals imperialistische druk, economische concurrentie, ideologische ondermijning, evenals strategische problemen en tegenstellingen binnen de internationale communistische beweging.

Problemen in de strategie van de CPSU, waaronder de opportunistische wending na het 20ste Congres, doen niet af aan het socialistische karakter van de USSR. Hoewel de communistische productieverhoudingen werden verzwakt, werden ze pas volledig afgebroken in de periode vlak voor de contrarevolutie met de maatregelen die eind jaren ’80 genomen werden. Ongenuanceerde, metafysische standpunten, waarin de USSR vanaf de jaren ’30 of ’50 ten onrechte wordt beoordeeld als ‘staatskapitalistisch’ of ‘sociaal-imperialistisch’, zijn ongefundeerd en werken burgerlijke antisovjetpropaganda in de hand.

Een revolutionaire strategie blijft ondanks de vele verschillen per land noodzakelijk

Sinds haar 20ste Congres ondersteunde de CPSU een ‘verscheidenheid aan vormen van overgang naar het socialisme’, waarmee de mogelijkheid van een overgang via het burgerlijk parlement naar het socialisme werd bepleit. Die strategie bestond reeds in een aantal communistische partijen die, onder het mom van bepaalde ‘nationale omstandigheden’, de mogelijkheid van een parlementaire weg zagen. Die lijn kwam tot uitdrukking in verschillende opportunistische theorieën, zowel rechts-opportunistische als links-radicalistische, die een revolutionaire strategie ontkenden onder het mom van nationale omstandigheden. Bijvoorbeeld het Eurocommunisme, dat met name invloed had in Europa en het Maoïsme dat invloed had in o.a. Azië.

Deze tendens van verschillende varianten van reformisme kreeg uiteindelijk de overhand in veel partijen. Het betrof in wezen een herziening van de lessen van de revolutionaire ervaring van de Oktoberrevolutie en een reformistische, sociaaldemocratische strategie. De verenigde strategie van het kapitalisme tegen de socialistische staten en de arbeidersbeweging in de kapitalistische landen werd onderschat. Tegelijkertijd werd de kracht van het socialistische systeem overschat en de mogelijkheid van contrarevolutie onderschat.

Het is belangrijk om nationale omstandigheden in acht te nemen, maar ze mogen geen voorwendsel zijn om algemene wetmatigheden van de klassenstrijd te ontkennen. Inzicht in de algemene wetmatigheden van de klassenstrijd is onmisbaar en een vereiste om correct de specifieke bijzonderheden in elk land en elke periode te doorgronden en daarin de juiste strategie en tactiek te ontwikkelen.

2. Theoretische grondslagen voor de ontwikkeling van de communistische maatschappij

2.1 Wetmatigheden van de communistische productiewijze

Het communisme is een socio-economische formatie of maatschappijvorm die objectief ontstaat in de loop van de historische ontwikkeling van de maatschappij. Het is een klassenloze maatschappij. De productiemiddelen en producten zijn van de maatschappij. Er is geen uitbuiting van de mens door de mens.

Het communisme veronderstelt een revolutionaire, kwalitatieve transformatie van niet alleen de economische verhoudingen maar de volledige maatschappij. Daarom is het onmogelijk en onzinnig om een ‘blauwdruk’ van de communistische maatschappij te maken. Dat zou speculatie zijn, want het betreft een toekomst die onder fundamenteel andere voorwaarden zal worden gevormd dan onze huidige maatschappij.

Het wetenschappelijk socialisme stelt ons echter wel in staat om bepaalde algemene kerneigenschappen en wetmatigheden te noemen die het communisme kenmerken. Dit zijn objectieve wetten, onafhankelijk van de wil en het bewustzijn van de mens. Ze drukken de maatschappelijke verhoudingen uit van samenwerking en gezamenlijke inspanning van werkers die bevrijd zijn van uitbuiting.

De wetmatigheden van de communistische productiewijze geven geen uitputtende beschrijving van de toekomstige maatschappij. Ze schetsen echter wel de historische richting van de maatschappelijke ontwikkeling, zonder dat we kunnen voorspellen welke specifieke vormen deze objectieve wetten zullen aannemen.

De economische grondwet van het communisme, die het doel van de productie bepaalt, het bevredigen van de steeds groeiende maatschappelijke behoeften, oftewel productie voor de uitgebreide bevrediging van maatschappelijke behoeften.

De maatschappelijke behoeften stijgen niet alleen kwantitatief, maar ontwikkelen zich ook kwalitatief in dialectische samenhang met de ontwikkeling van de productiekrachten en de maatschappij. Het steeds beter kunnen vervullen van de behoeftes van de bevolking is dus ook iets fundamenteel anders dan de economische groei onder het kapitalisme waarvan de winst het doel vormt.

Communistische productieverhoudingen zijn gebaseerd op het maatschappelijk eigendom. Het private eigendom dat het kapitalisme en de andere uitbuitingsmaatschappijen kenmerkte wordt afgeschaft en de productiemiddelen en de producten zijn eigendom van de gehele maatschappij. De resultaten van de productie kunnen niet privaat toegeëigend worden.

De centrale planning van de economie is een wetmatigheid van de communistische productiewijze die uitdrukking geeft aan de vereniging van de arbeidskracht met de productiemiddelen in het kader van het maatschappelijk eigendom. De directe producenten plannen bewust hoe de productiekrachten verdeeld worden over verschillende takken van productie; wat en hoeveel er geproduceerd wordt en van welke kwaliteit, en doen dit op basis van de economische grondwet: het doel om de uitgebreide maatschappelijke behoeften te bevredigen.

De centrale planning, evenals de arbeiderscontrole en andere communistische productieverhoudingen, zijn ook vereist om naar behoefte te kunnen produceren, aangezien het mogelijk wordt hier bewust rekening mee te houden. Het plan is dynamisch en past zich aan de veranderende werkelijkheid aan. De anarchie van de productie, die het kapitalisme kenmerkte, is opgeheven.

De landelijke of overkoepelende meerjarenplannen, die de algemene ontwikkelingsdoelen op middellange en lange termijn formuleren, zijn slechts één aspect van het plan. De centrale planning wordt geconcretiseerd en gespecificeerd binnen iedere sector en ieder bedrijf, waar de werkers nauw bij betrokken zijn. Maar centrale planning betekent ook dat elke economische transactie, zoals het toewijzen van productiemiddelen en het distribueren van consumptiegoederen, plaatsvindt binnen het kader van het plan, en dus niet via de markt.

In de centrale planning wordt sector 1 (de productie van productiemiddelen) geprioriteerd boven sector 2 (de productie van consumptiegoederen) van de economie. Dit is nodig voor de socialistische accumulatie; de uitbreiding van de productie voor sociale welvaart, in overeenstemming met de grondwet van de communistische productiewijze. De ontwikkeling van sector 1 is immers vereist om op de lange termijn de consistente ontwikkeling van sector 2 te kunnen waarborgen.

De centrale planning gaat gepaard met de arbeiderscontrole over de productie. De directe producenten, die collectief het plan vormgeven, controleren ook de uitvoering van het plan. Ze geven van onderop terugkoppeling, zoeken naar manieren om de efficiëntie en kwaliteit te verhogen, terwijl tekortkomingen en onproductieve of bureaucratische werkwijzen worden gecorrigeerd.

In het kader van de communistische productieverhoudingen worden de productie en de arbeid direct maatschappelijk. Dat wil zeggen dat de arbeid vanaf het begin, op directe wijze, onderdeel is van de maatschappelijke arbeid. Er is aan de voorkant bepaald en gepland hoe de arbeidskracht wordt toebedeeld op basis van de maatschappelijke behoeften. Het maatschappelijk nut van de arbeid wordt niet langer bevestigd via een omweg en achteraf, oftewel via de markt.

De tegenstelling tussen de particuliere en de maatschappelijke arbeid, die ten grondslag ligt aan de warenproductie, is daarmee opgeheven. Communistische productie is dan ook geen warenproductie en het product van direct maatschappelijke arbeid neemt niet de vorm aan van een waar. De producten zijn immers niet bestemd voor de ruil en dus is de waardewet ongeldig.

De centrale planning houdt rekening met de arbeidstijd die wordt besteed in het productieproces om in de sociale behoeften te voorzien. Dit is echter iets anders dan de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd die volgens de waardewet in het kader van de warenproductie de maatstaf vormt voor de uitwisseling van equivalenten.

De communistische houding tegenover arbeid is een communistische productieverhouding die ontstaat op basis van de direct maatschappelijke productie, de inperking van de arbeidstijd, de alzijdige ontwikkeling van de werkers en de cultivering van een communistisch bewustzijn. Arbeid wordt een creatieve bezigheid en een behoefte in plaats van iets dat verplicht gebeurt als middel om te overleven.

Een aspect van deze houding is de communistische wedijver. Gezamenlijk spannen werkers zich in om de gestelde doelen te realiseren en te overtreffen, en ook elkaar te overtreffen, niet ten koste van de ander zoals bij de kapitalistische concurrentie, maar om met de hele maatschappij vooruit te komen.

De maatschappelijke tegenstellingen die aan de basis liggen van de klassendifferentiatie in de maatschappij worden opgelost. Het betreft de tegenstelling tussen intellectuele en lichamelijke arbeid, die inmiddels vooral de vorm heeft aangenomen van de tegenstelling tussen uitvoerende en bestuurlijke arbeid, evenals de tegenstelling tussen stad en platteland.

De verdeling van het maatschappelijk product wordt bepaald naar het beginsel van ieder naar zijn mogelijkheden, aan ieder naar zijn behoeften.

Het communisme leidt tot het afsterven van de staat. Aangezien er geen klassen meer zijn om te onderdrukken, is er geen onderdrukkingsapparaat van de ene klasse tegen de andere meer nodig. De organisatie en het bestuur van de maatschappij, waaronder de planning en controle van de economie, worden een technische en organisatorische aangelegenheid waar de werkers van onderop bij betrokken zijn. De organisatie van de maatschappij verliest daarmee haar politieke karakter als gevolg van de socialistische opbouw, die planmatig en bewust plaatsvindt. Zo sterft de proletarische staat af. Deze wordt niet ‘afgeschaft’ of ‘vernietigd’.

2.2 Het socialisme als eerste fase van het communisme

Het socialisme is de eerste fase van het communisme. Het is geen zelfstandige socio-economische formatie, maar het is de communistische maatschappij die nog onvolwassen, onrijp en niet volledig ontwikkeld is.

Dezelfde wetmatigheden die de communistische maatschappij kenmerken, doordringen ook het socialisme. Zo geldt dezelfde economische grondwet en kent het socialisme maatschappelijk eigendom, centrale planning, prioritering van sector 1 over sector 2 voor socialistische accumulatie, arbeiderscontrole over de productie en arbeid die direct maatschappelijk is.

Tegelijkertijd wordt het socialisme echter gekenmerkt door het voortbestaan van overblijfselen van de kapitalistische maatschappij waaruit het socialisme is voortgekomen. De overwinning op deze overblijfselen is vereist om de communistische wetmatigheden, die reeds onder het socialisme werkzaam zijn, volledig tot hun recht te laten komen.

Het socialisme wordt daarom gekenmerkt door de strijd tussen de nieuwe, communistische verhoudingen en de overblijfselen van de oude, kapitalistische verhoudingen.

Deze strijd vindt niet spontaan plaats. De arbeidersklasse speelt daarin als subjectieve factor een beslissende rol. Daarom wordt het socialisme gekenmerkt door de dictatuur van het proletariaat, die tot stand komt met de revolutionaire omverwerping van de macht van de bourgeoisie en de vestiging van de politieke macht van de arbeidersklasse.

De socialistische revolutie begint bij deze omverwerping en de vestiging van de arbeidersmacht, die de geconcentreerde productiemiddelen vermaatschappelijkt en daarmee een fundamentele voorwaarde schept voor de socialistische opbouw. De revolutie beperkt zich echter niet alleen tot de verovering van de politieke macht door de arbeidersklasse en de eventuele transitieperiode waarin de overwinning van de revolutie wordt veiliggesteld. Zij behelst ook de verdere socialistische opbouw en verdere socialistische ontwikkeling tot het ontwikkelde communisme. Een proces waarin niet alleen de economie maar de gehele maatschappij een revolutionaire transformatie ondergaat.

De eigendomsverhoudingen onder het socialisme kennen naast het socialistische staatseigendom aanvankelijk nog het coöperatieve groepseigendom en ook het kleine private eigendom. Onder het socialisme zijn namelijk nog niet direct alle voorwaarden aanwezig voor de complete afschaffing van klassen. De afschaffing van het private kapitalistische eigendom over de geconcentreerde productiemiddelen en de vermaatschappelijking ervan is slechts een beginpunt voor het opbouwen van communistische verhoudingen.

Het coöperatieve groepseigendom, waar geen sprake is van uitbuiting door een private eigenaar en dat ook is verbonden aan de centrale planning, dient als overgangsvorm in het omvormen van het kleinschalige private eigendom naar direct maatschappelijke productie. De integratie van kleine boeren in coöperaties geschiedt op vrijwillige basis. Het motief is de landbouwproductie bevorderen en productiekosten verlagen door collectieve landbewerking, het beschikbaar stellen van moderne landbouwmachines, technische ondersteuning en ontwikkeling van infrastructuur. Hoewel de centrale planning de coöperatieve productie reguleert, blijft het een vorm van groepseigendom die waren- en geldverhoudingen reproduceert en die uiteindelijk moet worden overwonnen en geïntegreerd in de direct maatschappelijke productie.

De overgang naar de klassenloze, communistische maatschappij vereist de afschaffing van elk privaat eigendom (ook groepseigendom) en de vermaatschappelijking van de volledige productie.

Het socialisme kent ook nog differentiaties binnen de arbeidersklasse, zoals de tegenstellingen tussen lichamelijk en geestelijk werk, uitvoerend en bestuurlijk werk, en stad en platteland. De oplossing van de tegenstellingen en differentiaties binnen de arbeidersklasse in de loop van de socialistische opbouw zijn een belangrijke voorwaarde voor de klassenloze maatschappij. Dit gaat niet spontaan of vanzelf, maar vereist bewuste en planmatig politiek werk van de arbeidersstaat.

In het proces van de socialistische opbouw leren arbeiders bijvoorbeeld steeds beter om zowel besturende als uitvoerende taken uit te voeren. Ook worden in de socialistische opbouw voorzieningen opgebouwd die de achtergesteldheid van het platteland opheffen. Met het verdiepen van de communistische productieverhoudingen, zoals de centrale planning en arbeiderscontrole, wordt het overwinnen van de geërfde maatschappelijke tegenstellingen mogelijk gemaakt.

In de delen van de economie waarin de productie nog niet direct maatschappelijk is, bestaat nog de warenproductie en algemener handels- en geldverhoudingen. De individuele of coöperatieve warenproductie is gebaseerd op het individuele private eigendom of het coöperatieve groepseigendom van beperkte productiemiddelen.

Deze producten worden als waar uitgewisseld met de producten van de directe maatschappelijke productie. In de sfeer van de warenproductie geldt de waardewet. De invloed ervan wordt beperkt door de werking van centrale planning, die de prijzen van de producten van de coöperaties bepaalt en andere economische instrumenten inzet.

De warenproductie of markt, de handels- en geldverhoudingen in de economie, zullen niet vanzelf verdwijnen of ophouden te bestaan. Ook dit vereist gepland en bewust politiek werk van de arbeidersmacht.

Hoewel sommige maatschappelijke behoeften al direct of snel na de revolutie worden voorzien via gratis publieke voorzieningen (zoals zorg en onderwijs), geldt onder het socialisme de verdeling van het maatschappelijk product naar het principe: ‘van ieder naar zijn mogelijkheden, aan ieder naar zijn arbeid’.

De verdeling vindt plaats via het ‘arbeidsinkomen’ en de ‘prijzen’ van de producten die worden bepaald door de centrale planning. Aan de oppervlakte lijkt het alsof er wordt ‘gekocht’ en ‘verkocht’, zoals de markt werkt. De producten van de sociale productie behoren echter als geheel toe aan de samenleving en zijn maatschappelijk eigendom. Deze producten worden dan ook niet als waar geproduceerd voor de ruil, maar worden gepland geproduceerd voor de maatschappelijke behoeften. De waardewet is ongeldig en regelt dus ook niet de verhoudingen in de socialistische economie. Ook het arbeidsinkomen is niet, zoals het loon, een betaling voor de verkochte arbeidskracht, maar een bewijs van de deelname aan de maatschappelijke arbeid.

De maatstaf voor de arbeid die ieder heeft bijgedragen aan het maatschappelijk product is de arbeidstijd en niet de waarde die de arbeid voortbrengt. Immers is elke arbeid die gebruikswaarden voortbrengt nuttig en is er geen sprake van reductie van complexe arbeid tot simpele arbeid zoals in de warenproductie gebeurt omdat daar equivalente waarden worden geruild.

De verdeling naar arbeid onder het socialisme heeft er niet alleen mee te maken dat de ontwikkeling van de productiekrachten nog niet toestaat dat het gehele maatschappelijk product naar behoefte wordt verdeeld, waardoor delen van de economie nog niet kunnen worden opgenomen in de planning. Vooral ook belangrijk is dat de arbeid in het socialisme nog een verplichting is en de communistische houding ten aanzien van arbeid nog wordt ontwikkeld. De communistische houding tegenover arbeid is na de revolutie namelijk nog niet direct verworven en mede daarom bestaan er nog verschijnselen van individualisme, egoïsme, carrièrisme, bureaucratische houding, luiheid en zelfs corruptie.

In het socialisme blijven aanvankelijk klassenverschillen en -tegenstellingen bestaan. Er is daarom sprake van klassenstrijd onder het socialisme. De klassenstrijd vindt ten tijde van de socialistische opbouw plaats onder complexe omstandigheden en soms negatieve (internationale) krachtsverhoudingen en dreigingen zoals imperialistische omsingeling en contrarevolutionaire krachten.

Gezien het voortbestaan van klassenverschillen en klassenstrijd is er een staat nodig, een dictatuur van het proletariaat. De staat behoudt zijn karakter als arbeidersstaat niet alleen tot de afschaffing van de uitbuiting, maar gedurende de hele periode van de socialistische opbouw tot aan het afsterven van de staat met de volledige afschaffing van alle klassenverschillen.

In de socialistische opbouw heeft de dictatuur van het proletariaat net als elke staat een repressieve functie in de strijd tegen de oude verhoudingen in de basis en bovenbouw, maar ook een creatieve en scholende functie in de opbouw van de nieuwe, communistische verhoudingen in de economie en maatschappij.

De dictatuur van het proletariaat is een proletarische democratie, die steunt op de actieve deelname van de werkende klasse.

De eerste kieseenheid is daarom de productie-eenheid of werkplek (arbeidersraad). Ook scholieren, studenten, gepensioneerden en andere niet-werkende delen van de bevolking hebben zoveel mogelijk de eerste kieseenheid aan de basis (bv. onderwijsinstelling etc.). Daar worden niet alleen vertegenwoordigers verkozen, maar vinden ook inhoudelijke vergaderingen plaats. De proletarische democratie is dus direct op de werkvloer georganiseerd, waar de arbeidersklasse de productie en consumptie controleert, registreert en distribueert. De arbeiderscontrole over de economie is niet alleen een praktische en economische, maar ook een politieke taak die ligt bij de dictatuur van het proletariaat. Het waarborgt niet alleen de proletarische democratie, maar ook het principe ‘ieder naar zijn arbeid’.

Alle machtsorganen worden direct en indirect verkozen. De bevolking heeft het recht om te kiezen en verkozen te worden, vertegenwoordigers te controleren en te herroepen. Vertegenwoordigers leggen verantwoording af aan en worden gecontroleerd door de bevolking die ze gekozen heeft. Alle vertegenwoordigers op alle niveaus zijn op elk moment herroepbaar. De staatsorganen functioneren op basis van het democratisch centralisme.

Vertegenwoordigers en functionarissen blijven zoveel mogelijk naast hun verkozen functie werken om zo betrokken te zijn bij de uitvoering en controle van besluiten. Er is geen financieel voordeel voor gekozen functies. Voor de tijd die vertegenwoordigers en functionarissen aan een functie besteden ontvangen ze niet meer dan hun gemiddelde uurloon.

2.3 De subjectieve factor en de rol van de communistische partij in de socialistische opbouw

Het optreden van de subjectieve factor, dat wil zeggen de arbeidersklasse en haar partij, is van essentieel belang tijdens de socialistische opbouw. De betrokkenheid van de werkende bevolking heeft een significante rol. Zij handelt op basis van de kennis van de objectieve wetmatigheden van het socialisme-communisme en stuurt de sociale vooruitgang. De subjectieve factor treedt op bewuste en planmatige wijze op met kennis van de wetten van de socialistische opbouw.

De verhoging en versterking van communistisch bewustzijn wordt bepaald door de strijd voor het versterken van de communistische productieverhoudingen, de betrokkenheid van de werkende bevolking bij de socialistische opbouw, en de beslissende rol van de communistische partij.

Er is dus een noodzakelijkheid dat de communistische partij beschikt over een hoog theoretisch-ideologisch niveau en vasthoudendheid. Gedurende de socialistische opbouw doen zich nieuwe omstandigheden en nieuwe problemen voor. De partij moet steeds in staat zijn in de veranderende werkelijkheid de theorie en strategie verder te ontwikkelen en op basis daarvan te handelen.

Van belang is dat de partij in staat is op basis van het wetenschappelijk socialisme verkeerde opvattingen te overwinnen. De historische ervaring leert dat het opportunisme onder het socialisme, als het niet tijdig gecorrigeerd wordt, kan uitgroeien tot een contrarevolutionaire kracht.

Van groot belang is daarbij ook een gezonde klassensamenstelling van de partij, wat betekent dat de leidende revolutionaire rol van de arbeidersklasse en daarbinnen van het industriële proletariaat in de samenstelling van de partij gereflecteerd dient te worden.

3. Mogelijkheid en noodzakelijkheid van het socialisme in Nederland

3.1 De criteria voor de aanwezigheid van de materiële voorwaarden voor het socialisme

Het kapitalisme heeft de productiekrachten de afgelopen honderden jaren op ongekende wijze vermaatschappelijkt. Miljoenen arbeiders zijn met elkaar verbonden in het productieproces, tot over landsgrenzen heen. Tegelijkertijd zijn de productiemiddelen nog in private handen. Deze tegenstelling komt in alle aspecten van het maatschappelijk leven steeds meer naar voren. Dit uit zich in de verscherpte klassenstrijd tussen de arbeidersklasse en de bourgeoisie, de strijd tussen verschillende delen van de bourgeoisie, tussen imperialistische bondgenootschappen en blokken, in het onvermogen van het kapitalisme om in de behoeften van de bevolking te voorzien. Dit zijn allemaal tekenen dat het kapitalisme historisch overleefd is, en dat de tijd rijp is voor een ander systeem, het socialisme. De materiële voorwaarden voor het socialisme moeten daarvoor eerst aanwezig zijn. Om te kunnen weten of dit zo is, moeten we eerst begrijpen wat deze materiële voorwaarden zijn.

Het hoofdcriterium voor het beantwoorden van de vraag of de materiële voorwaarden voor het socialisme aanwezig zijn ligt in de mate van de ontwikkeling van de productiekrachten, in combinatie met de omvang van de kapitalistische verhoudingen. De belangrijkste indicatie voor de rijping van de materiële voorwaarden voor het socialisme, is de betekenis van de loonarbeid in de economie – de rol van het proletariaat. We hebben het hier dus specifiek over mensen die in loondienst zijn en volledig afhankelijk zijn van hun arbeidskracht. Dit weerspiegelt de verscherping van de basistegenstelling van het kapitalisme tussen het maatschappelijke karakter van de arbeid en de private kapitalistische toe-eigening van de resultaten van de arbeid.

Marx schreef: “Wil de onderdrukte klasse zich kunnen bevrijden, dan moet een trap van ontwikkeling bereikt zijn waarop de al verworven productiekrachten en de van kracht zijnde maatschappelijke instellingen niet meer naast elkaar kunnen bestaan. Van alle productiewerktuigen is de grootste productiekracht de revolutionaire klasse zelf. De organisatie van de revolutionaire elementen als klasse vooronderstelt het kant-en-klaar aanwezig zijn van alle productiekrachten die zich in de schoot van de oude maatschappij ook maar hebben kunnen ontplooien.”

De vermaatschappelijking van de productie gaat onder het kapitalisme via de concentratie en centralisatie van kapitaal, die gepaard gaat met de uitbreiding van de kapitalistische verhoudingen in de economie, en dus van de loonarbeid. Dit geldt nog sterker voor het kapitalisme in zijn imperialistische stadium. Het kapitalisme creëert dus zelf de hoofdvoorwaarde voor zijn ondergang. De ontwikkelingen onder het kapitalisme tonen dus aan dat het noodzakelijk is om de productieverhoudingen op het ontwikkelingsniveau van de productiekrachten af te stemmen.

De betekenis van de loonarbeid moet niet opgevat worden als een simplistisch meerderheid-minderheid gegeven, hoewel de arbeidersklasse in Nederland, zoals we zullen zien, de meerderheid van de beroepsbevolking vormt. Lenin gaf al aan: “De kracht van het proletariaat in elk kapitalistisch land is veel groter dan het aandeel dat het vertegenwoordigt in de totale bevolking. Dat komt omdat het proletariaat economisch het centrum en de zenuw van het hele economische systeem van het kapitalisme domineert en ook omdat het proletariaat economisch en politiek de werkelijke belangen van de overgrote meerderheid van de werkende mensen onder het kapitalisme uitdrukt. Daarom is het proletariaat, zelfs wanneer het een minderheid van de bevolking vormt (…) in staat om de bourgeoisie omver te werpen.” De rol van loonarbeid in de economie is daarmee een van de belangrijkste materiële voorwaarden voor de mogelijkheid voor het socialisme.

3.2 De mogelijkheid van het socialisme in Nederland

In Nederland werkt verreweg het grootste gedeelte van de bevolking in loondienst, zoals gezegd het belangrijkste criterium voor de aanwezigheid van de materiële voorwaarden van het socialisme. Ter illustratie: in het eerste kwartaal van 2025 hadden 9,8 miljoen mensen in Nederland betaald werk, zo’n 73,1% van de werkzame beroepsbevolking. Dit is een stijging van bijna 7% ten opzichte van 2014. De onmiddellijk daaropvolgende grootste groep, de ZZP’ers (meer dan 1 miljoen oftewel 13% van alle werkenden) bestaat grotendeels uit mensen die feitelijk onderdeel van de arbeidersklasse zijn maar zich in nog onzekere, zogenaamde ‘flexibele’ arbeidsverhoudingen bevinden. Deze groep is volledig afhankelijk van het aanbieden van diens arbeidskracht. Zo’n 40% van alle Nederlandse werknemers werken in grotere bedrijven met meer dan 250 werknemers in dienst, hoewel deze bedrijven slechts 0,1% uitmaakten van alle ondernemingen in het land. Vrijwel alle sectoren zijn onderworpen aan kapitalistische economische verhoudingen.

Om de mogelijkheid van het socialisme in Nederland te bepalen, kijken we ook breder naar de ontwikkeling van de productiekrachten. We kijken naar de verschillende sectoren in de Nederlandse kapitalistische economie en hun onderlinge verhouding, waaronder de ontwikkeling van de industrie, de landbouw en andere economische sectoren. Dit zijn essentiële gegevens over de economische basis van het kapitalisme die de socialistische revolutie zal overnemen. Dit is van belang om te bepalen hoe de vermaatschappelijking van verschillende sectoren kan plaatsvinden en welke uitdagingen zich daarbij zullen voordoen. De snelheid van socialistische opbouw wordt immers beïnvloed door wat het socialisme erft van het kapitalisme.

Nederland bezit veel binnenlandse energiebronnen, een hoogwaardige industrie die op sommige gebieden zelfs aan de internationale top staat qua technologische ontwikkeling, hoogwaardige infrastructuur en een goed geschoolde arbeidersklasse met een hoge mate van technische en wetenschappelijke expertise. Nederland levert de complete chip-waardeketen (door monopolies als ASML en NXP), die een essentiële rol spelen in telecommunicatie, automatisering, AI, maar ook in oorlogsvoering. Ook de levensmiddelenindustrie, machinebouwindustrie, chemie, metaal en textielindustrie zijn in Nederland hoog ontwikkeld. Daarnaast is Nederland een van de grootste landbouwexporteurs ter wereld met een exportwaarde in 2025 van zo’n 129 miljard en koploper in kassen- en zaadtechnologie. Rotterdam is de grootste zeehaven van Europa en een zeer belangrijk logistiek knooppunt, evenals Schiphol. Nederland speelt daarnaast een hoofdrol in de watertechnologie, inclusief drinkwatervoorziening en -behandeling, industriële wateroplossingen, opvang en hergebruik van afvalwater, en in de deltatechnologie, waaronder integraal waterbeheer, waterbouw, kustontwikkeling, baggeren, enzovoorts. Nederland kent daarnaast een uitgebreid bankwezen dat veel invloed uitoefent op de rest van de economie en een groot staatsapparaat waar bijna 500.000 ambtenaren werkzaam zijn.

De Nederlandse landbouwsector verdient daarnaast nog bijzondere aandacht. De landbouw, die als sector wetmatig achtergesteld is onder het kapitalisme, is in Nederland zeer sterk ontwikkeld, met een hoge mate van mechanisatie, automatisering en centralisatie. De afgelopen decennia heeft deze sector in Nederland een grote mate van centralisatie doorgemaakt. In 1950 waren er 410.000 landbouwbedrijven, terwijl dit er in 2016 maar 55.000 waren. Dit terwijl het gemiddelde boerenbedrijf in oppervlakte groeide van ongeveer 5,7 hectare in 1950 naar 32,4 hectare in 2016. Tussen 1980 en 2004 nam het aantal mensen dat werkzaam was in de landbouw sterk af: van 265.467 in 1980 tot 98.900 in 2004. De Nederlandse landbouw speelt op die manier een belangrijke rol in de concurrentie op de wereldmarkt.

De hoogwaardige industrie en landbouw en de hoog geschoolde arbeidersklasse van Nederland kunnen aan een groot gedeelte van de behoeften van de Nederlandse bevolking voldoen. Nederland beheerst over grote aantallen aardgas en steenkool, en is door de geografische positie van het land (weinig natuurlijke aardbevingen, ligging aan de Noordzee) geschikt voor het gebruik van verschillende soorten hernieuwbare vormen van energie om aan de behoefte van de bevolking voor goedkope energie te voldoen, met een focus op het gebruik van hernieuwbare bronnen van energie en het zo min mogelijk beschadigen van de menselijke leefomgeving en biodiversiteit. De verkenning en ontwikkeling van andere energiebronnen zouden onder het socialisme mogelijk zijn, zoals kernenergie en fusie-energie. De transitie naar alternatieve energiebronnen kan door de hoge graad van technologische ontwikkeling in Nederland zich sneller voordoen, wat ook van belang is met het oog op de grootschalige aantasting van milieu en klimaat door het kapitalisme.

De infrastructuur kan en moet verder uitgebreid worden met als prioriteit het openbaar vervoer, gesteund door de industrie. De landbouw kan de industrie ondersteunen met voedsel, en de industrie kan op haar beurt de prioriteit geven aan de ontwikkeling en productie van productiemiddelen en de ondersteuning van de landbouw. Onder socialistische verhoudingen kan de Nederlandse economie pas echt tot volledig potentieel komen, uitbuitingsrelaties afbouwen en internationaal invloed uitoefenen op de bestaande krachtsverhoudingen.

Samenvattend heeft de Nederlandse economie, als we naar de productiekrachten kijken, de potentie om onder het socialisme de bevolking te voorzien in al haar hedendaagse behoeften. De economie is in grote mate geconcentreerd en gecentraliseerd, en is meer dan rijp om vermaatschappelijkt te worden.

Ondanks het feit dat Nederlandse economie relatief sterk gericht is op handel met het buitenland, zou de opbouw van het socialisme niet betekenen dat Nederland geïsoleerd raakt of dat de economie minder potentie en dynamiek zou kennen. In tegenstelling, de afschaffing van de uitbuiting van de mens door de mens, de vermaatschappelijking van de productiemiddelen en de introductie van de socialistische centrale planning zou gigantische productiekrachten ontketenen die door het kapitalisme onbenut blijven.

Voor die goederen die niet beschikbaar zijn in het Nederlandse grondgebied of die niet door de Nederlandse economie geproduceerd kunnen worden, zullen er handelsrelaties opgebouwd worden met andere landen op basis van het wederzijdse voordeel. De Nederlandse economie zou alsnog goederen produceren die door andere economieën gewenst zijn.

Handel zal mogelijk zijn met landen die ook het socialisme aan het bouwen zijn – er is een hoge kans dat een socialistische revolutie in Nederland plaatsvindt in een tijd dat ook elders vergelijkbare omwentelingen plaatsvinden.

Echter is handel met kapitalistische landen ook mogelijk. De kapitalistische wereld wordt gekarakteriseerd door tegenstellingen tussen kapitalistische landen, en elke breuk die ontstaat kan gebruikt worden om de ene kapitalist tegen de andere uit te spelen. Een socialistisch Nederland, ontkoppelt van de EU en haar belangen, zou zelfstandig handelsovereenkomsten kunnen maken met kapitalistische landen voor verschillende grondstoffen en goederen.

Dit wil niet zeggen dat de socialistische opbouw in Nederland makkelijk gaat worden en we onmiddellijk een rooskleurige toekomst tegemoet zien. Nederland beschikt over cruciale technologieën voor de moderne industrie (bijv. machines voor geavanceerde chipproductie) en heeft een zeer belangrijke rol in de internationale handel door haar geografische ligging als schakel tussen de Atlantische Oceaan en continentaal Europa, de rol van de haven van Rotterdam, de Zuidas van Amsterdam als financieel centrum en Schiphol als internationale luchthaven voor zaken en toerisme. Wanneer socialistisch Nederland deze dingen niet meer beschikbaar stelt aan het kapitalistische systeem zullen er ongetwijfeld reacties komen vanuit de burgerij in het buitenland. Het is op dit moment niet te voorspellen onder wat voor krachtsverhoudingen een socialistische revolutie in Nederland zal plaatsvinden, het is daarom belangrijk dat we dit proces niet lichtzinnig opvatten. In binnen- en buitenland zal alles op alles gezet moeten worden om de socialistische macht in Nederland en daarbuiten te bekrachtigen. De Nederlandse arbeidersklasse en haar bondgenoten, ook internationaal, zal haar macht moeten verdedigen hiertegen en de obstakels die gelegd worden moeten overwinnen.

3.3 De noodzaak van het socialisme in Nederland

De noodzaak voor de socialistische opbouw volgt allereerst uit de groeiende tegenstellingen van het kapitalisme die de burgerij in steeds mindere mate kan beheersen. Het kapitalistische systeem, dat zich in haar imperialistische fase bevindt, kan niet meer in de alsmaar groeiende behoefte van de Nederlandse arbeidersklasse en andere lagen van de bevolking voorzien. De kapitalistische productieverhoudingen zijn een rem geworden op de verdere ontwikkeling van de productiekrachten - het private eigendom moet worden afgeschaft. De groeiende en verscherpte inter-imperialistische tegenstellingen, de aanvallen op het levenspeil van de arbeidersklasse en toenemende oorlogsdreiging, tonen ook de noodzakelijkheid van het socialisme aan.

Gigantische monopolies, die een dominante rol spelen in de economie en op verschillende niveaus ‘planmatig’ te werk gaan, produceren enkel voor de winst van een handjevol kapitalisten. Het gegeven van de vergevorderde vermaatschappelijking van de productie, maar de private toe-eigening van de opbrengsten ervan, is een belangrijk criterium voor de rijpheid en noodzaak van het socialisme in het tijdperk van het imperialisme waarin het kapitalisme haar progressieve rol allang verloren heeft. De heersende klasse speelt op economisch en politiek niveau een regressieve rol en belemmert de ontwikkeling van de economie.

Ondanks de explosieve ontwikkeling van de technologie waarmee iedereen dagelijks geconfronteerd wordt, zoals de opkomst van kunstmatige intelligentie, is het levenspeil van de arbeidersklasse de afgelopen jaren juist verslechterd. De constant stijgende kosten, inflatie, belastingen en bezuinigingen op sociale voorzieningen vormen een grote aanval op het loon. Het komt dan ook steeds vaker voor dat het loon halverwege de maand al op is. Nieuwe technologieën worden niet ingezet om het leven van de arbeidersklasse te verbeteren, maar om de winsten te verhogen door werkloosheid in het perspectief te stellen, of ingezet voor repressie.

Tegelijkertijd bereidt de burgerij zich voor op oorlog, en wordt er zwaar geïnvesteerd in de wapenindustrie. Ook de arbeidersklasse wordt voorbereid om offers te brengen voor de volgende imperialistische oorlog, eerst uit haar inkomen, maar later ook door direct betrokken te worden bij het oorlogsgeweld.

Op sociaal en politiek vlak wordt het verdorven karakter van het kapitalisme ook steeds duidelijker. In de politiek is er een reactionaire tendens, die zich uit over het hele burgerlijke politiek spectrum. De groei van de invloed van extreemrechtse krachten in de burgerlijke politiek is kenmerkend. Samen met de liberale, confessionele maar zeker ook de sociaaldemocratische partijen, zijn deze verbonden in het verspreiden van reactionaire, anticommunistische ideeën onder de arbeidersklasse. De demoralisatie van de arbeidersklasse is aantoonbaar uit de groei van bijvoorbeeld de prostitutie en de verspreiding van drugs en andere verslavingen als ontsnapping aan de problemen die de arbeidersklasse in haar dagelijkse leven tegenkomt. Ook op andere manieren, zoals excessief smartphonegebruik en “binge-watchen” van films en series proberen werkers te ontkomen aan het totale gebrek aan betekenisgeving en waardering onder het kapitalisme. Het milieu en de leefomgeving van de arbeidersklasse worden ook steeds verder afgebroken door de aantasting van milieu en klimaat, mede door de politiek van de ‘groene transitie’ die als oplossing wordt gepresenteerd terwijl het feitelijk een gecontroleerde ontwaarding van kapitaal betreft, maar ook door de overgang naar de oorlogseconomie.

3.4 De actuele ontwikkeling van de subjectieve factor in Nederland

De arbeidersklasse, die geen eigenaar is van de productiemiddelen en onderworpen is aan kapitalistische uitbuiting, heeft een objectief belang bij de afschaffing van het kapitalisme en de opbouw van het socialisme. De arbeidersklasse is daarom de enige revolutionaire klasse die de leiding kan nemen.

De arbeidersklasse ontwikkelt echter niet automatisch een klassenbewustzijn, laat staan een politiek bewustzijn. De heersende ideeën in een maatschappij zijn juist de ideeën van de heersende klasse. Bovendien hebben de grote hoeveelheid burgerlijke propaganda en de voortdurende demonisering van de socialistische opbouw in de twintigste eeuw hebben een negatief effect op het bewustzijn van de arbeidersklasse. Burgerlijke propaganda versterkt het geloof onder de werkende bevolking dat het kapitalisme het enige mogelijke economische systeem is. Dit vormt een aspect van de negatieve krachtsverhoudingen tussen de arbeidersklasse en de bourgeoisie in Nederland.

De groeiende tegenstellingen en maatschappelijke problemen leiden tot frustratie en onvrede, soms zelfs onrust onder de bevolking. Deze sentimenten worden zonder politieke duiding echter gemakkelijk gekanaliseerd in een richting die voor het systeem onschadelijk is.

In de strijd ontstaan gunstige voorwaarden voor de ontwikkeling van bewustzijn onder de arbeidersklasse. Maar ook vindt die ontwikkeling van klassenbewustzijn en politiek bewustzijn niet automatisch plaats. De interventie van de communisten is nodig om dit te bewerkstelligen.

De organisatiegraad van de Nederlandse arbeidersklasse, dat wil zeggen het aantal arbeiders dat zich organiseert in de vakbond, daalt al jaren, een trend die overigens niet alleen in Nederland, maar wereldwijd zichtbaar is. Deze daling is het gevolg van verschillende objectieve en subjectieve factoren, waarvan we hier de belangrijkste zullen noemen,

Allereerst is er sinds de contrarevoluties in de socialistische landen een meer algemene negatieve trend te zien. Ten tweede is de rol van de grootste vakbondsfederaties (FNV, CNV) sinds de contrarevoluties verzwakt ten nadele van de arbeidersklasse, omdat een reformistische vakbondspolitiek daarin de overhand heeft, gericht op klassencollaboratie in plaats van klassenstrijd. De arbeidersaristocratie die de leiding nam en neemt in deze vakverenigingen, veelal verbonden met de sociaaldemocratie maar ook de confessionele politiek, voerde in eerste instantie actief strijd tegen de communistische vakbondspolitiek, en leidde na de contrarevoluties de aanvallen op de rechten van de arbeidersklasse vanuit posities in burgerlijke regeringen, zoals bijvoorbeeld oud-FNV voorzitter Wim Kok deed als minister-president in de jaren ‘90.

Daarnaast zijn de toegenomen flexibilisering en onzekerheid voor de werkende mensen, het gebruik van buitenlandse arbeidskrachten onder precaire toestanden, maar ook intimidatie en repressie van vakbondsactiviteit door werkgevers belangrijke factoren die bijdragen aan de dalende organisatiegraad van de Nederlandse arbeidersklasse. Concrete voorbeelden hiervan zijn het verbieden van de stakingen van KLM-personeel en apothekersassistenten.

Er is een gebrek aan een klassengeoriënteerde vakbeweging die de arbeidersklasse kan leiden in een confrontatie met het kapitaal, in plaats van de klassencollaboratiepolitiek van de huidige vakbonden en vakverenigingen. De FNV, de grootste vakbond in Nederland, presenteert zich als een passieve dienstverlener die individuele problemen oplost, in plaats van een collectieve strijdorganisatie die maatschappelijke verandering afdwingt ten behoeve van de arbeidersklasse.

De FNV-top, vaak bestaande uit sociaaldemocraten, hecht vooral aan een zetel aan de onderhandelingstafel in de polder, waardoor ze voortdurend concessies doen die schadelijk zijn voor de werkende mensen, zoals bij de pensioenwet. De vakbond dwingt als gevolg weinig eisen meer af, maar beheert vooral de achteruitgang die een gevolg is van het kapitalistische systeem. Het resultaat is een reeks boterzachte akkoorden waarbij de fundamentele verslechteringen (zoals onzekere pensioenen of werkdruk) blijven bestaan. Daarnaast is er een scheiding tussen een bureaucratische ‘top’ (de werkorganisatie) en de actieve leden (het kader).

Het is noodzakelijk om de bond van onderop te versterken. De enige weg vooruit is het versterken van een klassengerichte lijn, een lijn van klassenstrijd, waarbij de macht van de werkende mensen zelf en het stakingsmiddel centraal staan om verbeteringen voor de arbeidersklasse af te dwingen. Dit vindt in beperkte mate plaats in verschillende sectoren, zoals de traditioneel sterke haven- en metaalsectoren, maar ook in nieuwe, vaak onzekere en ‘flexibele’ sectoren, worden vakbonden opgericht, zoals de ‘Riders Union’, die fietsbezorgers organiseert. Ook vinden er in het algemeen vaker stakingen plaats. De vakbeweging breidt zich ook uit naar bredere, politieke kwesties zoals de solidariteit met het Palestijnse volk, waarbij de groep Vakbondsleden Solidair met Palestina is gevormd.

De communistische partij is de enige partij die de arbeidersklasse kan leiden naar een socialistische revolutie. Dat komt omdat de communistische partij het vermogen van de arbeidersklasse om de macht van de bourgeoisie over te nemen erkent en hiervoor consequent strijd voert als voorhoede van de arbeidersbeweging. Dit houdt in dat de communistische partij de revolutionaire strijd tegen het kapitalisme en vóór het socialisme aanvoert. In Nederland vervult de NCPN deze rol, gesteund door haar jongerenbeweging, de CJB, die jongeren uit de arbeidersjeugd organiseert in de strijd.

De NCPN en CJB maken de afgelopen jaren, in het bijzonder na de uitbraak van de kapitalistische crisis in 2008, maar vooral na de uitbraak van de pandemie in 2020, een gestage organisatorische, politieke en ideologische groei door – zowel kwantitatief als kwalitatief. De partij en jongerenbeweging hebben op verschillende terreinen hun politiek-ideologische interventies kunnen versterken op basis van de doelstellingen van het 7e congres van de NCPN en het 10e congres van de CJB. De uitzichtloosheid van het kapitalisme, de groeiende inter-imperialistische tegenstellingen en de oorlogseconomie, andere maatschappelijke kwesties zoals de opkomst van fascisme en reactionaire opvattingen over vrouwen en minderheden of de aantasting van het milieu, en het groeiende wantrouwen van de bevolking ten opzichte van de burgerlijke staat, creëren een sfeer waarin een groeiend, maar nog beperkt inzicht ontstaat onder delen van de bevolking, dat een alternatief noodzakelijk is.

Dit inzicht wordt echter nog grotendeels gekanaliseerd in burgerlijke, vaak in reactionaire richtingen, die het kapitalistisch systeem niet in twijfel trekken, soms in opportunistische richtingen, die de mogelijkheid en noodzakelijkheid van het socialisme-communisme in twijfel trekken of vooral juist aanvallen. De omvangrijke en diepgaande burgerlijke propaganda, die de burgerlijke ideologie verspreidt, is nog zeer sterk en heeft een negatieve uitwerking op de bevolking. Dit geldt in het bijzonder voor het anticommunisme, wat een hinderpaal vormt voor de interventie van de partij en jongerenbeweging in de klassenstrijd. Ook burgerlijke individualisme, het terugtrekken van de bevolking uit collectieve activiteiten en strijd in het algemeen, de rol van sociale media, het thuiswerken enz. zijn obstakels voor de strijd van de arbeidersklasse, en daarmee voor de NCPN en CJB.

De activiteit van de partij en jongerenbeweging richt zich in belangrijke mate op het organiseren en steunen van acties en activiteiten die de rechten van de arbeidersklasse en de arbeidersjeugd aangaan. De NCPN slaagt er echter nog niet in om goed functionerende bedrijfscellen op te zetten. De worteling onder de arbeidersklasse op de werkplek is daarmee nog zwak. Wel zijn er op onderwijsinstellingen CJB-afdelingen opgezet, echter alleen nog op universitaire instellingen. Dit reflecteert de moeilijkheden die de CJB ondervindt bij het organiseren van delen van de studerende en schoolgaande arbeidersjeugd, waarvan het merendeel zich bevindt op mbo- en hbo-opleidingen.

In aanloop naar het 7e congres van de NCPN werden ook de partijafdelingen weer geactiveerd. Veel partijafdelingen komen nu regelmatig bijeen, maar slagen er nog maar in zeer beperkte mate in om actief te interveniëren onder de arbeidersklasse, op de werkplekken, in de buurten en bedrijven.

Een belangrijke stap die genomen is, is het organiseren van scholingen en het opzetten van de Commissie Ideologie van het Partijbestuur. Een systematische scholing, waarin de basis van het marxisme-leninisme wordt onderwezen, de filosofie, de politieke economie en de strategie, had lang niet plaatsgevonden. De scholing, waaraan veel kaderleden deelnemen, leidt ertoe dat leden beter in staat zijn om de confrontatie met burgerlijke en opportunistische ideeën aan te gaan, tot een versteviging van het besef van de mogelijkheid en noodzaak van het socialisme-communisme. Dit heeft ook tot gevolg dat we als partij en jeugd beter weten te bepalen wat de richting van het politieke werk moet zijn, wat weer leidt tot een grotere invloed in de arbeidersbeweging.

De NCPN nam ook een belangrijke ideologische stap met de Conferentie over het imperialisme en het vaststellen van de congresstukken van het 7e Congres. De leninistische lijn omtrent imperialisme wordt verdedigd, tegenover burgerlijke en opportunistische opvattingen dat de EU en NAVO ‘veiligheidspartners’ zijn, of juist dat alleen het Euroatlantische blok van de VS, EU, NAVO imperialistisch zouden zijn en dat kapitalistisch Rusland een ‘anti-imperialistische’ rol zou spelen. Met deze inzichten spelen we ook een belangrijke rol als partij in de vredesbeweging en dragen we actief een anti-imperialistische politieke lijn uit.

Een belangrijk middel voor interventie, duiding en verdieping omtrent belangrijke kwesties die de arbeidersklasse aangaan, is Manifest. De professionaliseringsslag van de redactie en de consistentie van de uitgave en de verbetering van de kwaliteit van Manifest zijn een belangrijke stap voorwaarts die de afgelopen jaren is gezet.

De NCPN en CJB vervullen hun verplichtingen binnen de internationale communistische beweging. De hergroepering en de ideologische, politieke en organisatorische versterking van de internationale communistische beweging is daarbij van essentieel belang. De NCPN neemt consequent deel aan de bijeenkomsten van de Internationale Bijeenkomsten van Communistische en Arbeiderspartijen (IMCWP), de bijeenkomsten en politieke interventies van de Europese Communistische Actie (ECA) en levert bijdragen aan de International Communist Review (ICR). De CJB neemt deel aan Bijeenkomst van Europese Communistische Jongerenorganisaties (MECYO) en aan de bijeenkomsten van de Wereldfederatie van Democratische Jeugd (WFDY).

Een zeer belangrijk gemis voor de strategie van de partij is het gebrek aan een volledig en actueel partijprogramma dat richting kan geven aan de strijd voor het socialisme in Nederland. Hoewel er de afgelopen jaren, zeker richting het 7e Congres en de huidige inspanningen richting het 8e Congres van 2027, grote stappen zijn gezet in het maken van analyses over bijvoorbeeld de rol van NL in het imperialistische systeem, en via Manifest en verklaringen bepaalde zaken uiteen zijn gezet, mist er nog een systematische politiek-economische analyse en een strategie voor de omverwerping van het kapitalisme in Nederland. Met deze conferentiestukken zet de partij hierin wel stappen richting het volgende congres en een nieuw partijprogramma dat de strategie kan formuleren voor de strijd voor het socialisme in Nederland.

Wil je een abonnement op Manifest?

Met jullie hulp garanderen we een communistische visie op de actualiteit in Nederland

Manifest is de krant van de NCPN die maandelijks verschijnt. Met Manifest blijf je op de hoogte van de actualiteit en van onze acties. Manifest belicht verschillende aspecten van de strijd in binnen- en buitenland, en publiceert analyses die inzicht bieden in de nationale en internationale ontwikkelingen vanuit een marxistisch-leninistisch perspectief. Neem nu een abonnement op Manifest of vraag een gratis proefabonnement aan.

Abonneer Nu!