Op zaterdag 20 juni 2026 vond een Partijconferentie plaats van de NCPN. Ter bespreking op deze conferentie stonden twee conceptstukken met stellingen van het Partijbestuur. Het eerste betrof de visie van de NCPN op het socialisme. Dit is het tweede stuk dat ingaat op de positie van de NCPN over China.
De agendering van dit onderwerp op deze conferentie door het Partijbestuur vond plaats in het kader van de besluiten van het 7e Partijcongres. Daarin werd bepaald dat het karakter van China nader bestudeerd moet worden, gezien de vooraanstaande rol die China speelt op het wereldtoneel.
Ter voorbereiding van de conferentie zijn de stellingen van het Partijbestuur besproken in de afdelingen van de partij en de CJB. De conferentie heeft haar steun uitgesproken voor de verdere ontwikkeling van de positie van de NCPN op basis van deze stellingen.
Inleiding
China speelt vandaag de dag een steeds belangrijkere rol op het wereldtoneel. Door met name de VS, maar ook de NAVO en de EU, wordt China als de belangrijkste concurrent gezien. De tegenstelling tussen de VS en China heeft een doorslaggevende invloed op alle actuele internationale conflicten en algemener op de internationale ontwikkelingen. In het licht van deze tegenstellingen is China regelmatig het doelwit van gevaarlijke propaganda en zelfs oorlogshitsing.
Anderen, waaronder ook partijen die verbonden zijn aan de internationale communistische beweging, zien China als een voorbeeld, een alternatief, een ‘modern socialistisch land’ dat perken zou kunnen stellen aan het imperialisme van met name de VS. Hoewel de Volksrepubliek China een product was van de succesvolle revolutie in 1949, waarmee de bevolking van China zich bevrijdde van de imperialistische onderdrukking en begon aan de opbouw van een socialistische maatschappij, kan zij vandaag de dag niet als een socialistisch land worden gezien.
Vanaf 1978 heeft de regerende Communistische Partij van China (CPC) namelijk verregaande markthervormingen doorgevoerd, die het klassenkarakter van China wezenlijk veranderden. In het Politiek besluit van het 7e Partijcongres van de NCPN werd reeds geconstateerd dat “sinds eind jaren ’70 kapitalistische productieverhoudingen hun herintrede [hebben] gedaan, waarbij de landbouw is gedecollectiviseerd, de centrale planning is afgeschaft ten gunste van de warenproductie (markt), de industrie grotendeels is geprivatiseerd en waarbij de arbeidskracht weer tot waar is gemaakt.” Daarom concludeerde de NCPN ook dat “kapitalistische verhoudingen hebben nu de overhand in de Chinese economie.”
Het is belangrijk om op te merken dat de discussie omtrent het karakter van China verre van een zuiver theoretische discussie is. Het loslaten en verwerpen van de basiswetten van de socialistische opbouw door de CPC, in wezen een herziening van alle principes, heeft zeer praktische gevolgen. In de eerste plaats voor de Chinese arbeidersklasse. Maar het heeft ook gevolgen voor de internationale verhoudingen. Tegelijkertijd heeft het daarmee implicaties voor de strategie die de internationale communistische beweging en elke communistische partij in eigen land uitwerken.
Het 7e Partijcongres van de NCPN onderkende dat een goed begrip van het klassenkarakter van de Chinese staat onmisbaar is om de hedendaagse internationale verhoudingen en de ontwikkelingen ervan te begrijpen. Daarom formuleerde het de opdracht om dit vraagstuk verder te bestuderen.
In dat kader zijn deze stellingen opgesteld door het Partijbestuur van de NCPN voor de partijconferentie.
Deze stellingen zijn het product van een jarenlang proces van studie en discussie. Al sinds haar oprichting houdt de NCPN zich bezig met de ervaringen van de socialistische opbouw in de 20ste eeuw. In 2019 is in de leidinggevende organen van de NCPN en CJB een aanzet gedaan om te komen tot een systematische studie van de socialistische opbouw in de Sovjet-Unie en China.
In het kader van de studie naar China zijn de afgelopen tijd onder verantwoordelijkheid van het Partijbestuur achtergrondartikelen gepubliceerd die nader ingaan op de historische ontwikkeling van de strategie van de Communistische Partij van China (CPC), de theoretische onderbouwing van het beleid van ‘hervormen en openstellen’, de ontwikkelingen in de klassenverhoudingen in China, alsmede een reeks artikelen die nader ingaan op andere theoretische en historische vraagstukken omtrent de socialistische opbouw.
Deze stellingen vormen een politiek document, waarin het Partijbestuur gecodificeerd zijn posities samenvat. Voor onderbouwing en bronnen verwijzen we naar de achtergrondartikelen die op leesmanifest.nl zijn gepubliceerd.
Hoewel deze stellingen het resultaat zijn van uitvoerige studie en discussie, vormen ze geen eindpunt. Ze dienen vooral als een basis voor verdere studie en discussie.
Onze benadering is gestoeld op het dialectisch en historisch materialisme, evenals de marxistische politieke economie en de leer van de klassenstrijd. In dat kader geeft de studie bijzonder gewicht aan de ontwikkelingen in de productieverhoudingen, omdat de economische basis uiteindelijk bepalend is voor de ontwikkelingen in de bovenbouw.
De ontwikkeling van de klassenverhoudingen en het herstel van het kapitalisme in China
1. De socialistische revolutie in China
In 1949 zegevierde de socialistische revolutie in China.
In de eerste decennia van de 20ste eeuw werd de bevolking in China geconfronteerd met brute onderdrukking en uitbuiting door het imperialisme en feodale restanten. De nationale bevrijdingsstrijd tegen de fascistische Japanse bezetter, waaraan verschillende sociale lagen deelnamen, zette zich om in een socialistische revolutie, die in 1949 zegevierde. Het succes van de revolutie onder zeer moeilijke omstandigheden was te danken aan de beslissende inzet van de arbeidersklasse en werkende boeren.
De overwinning van de socialistische revolutie in China was een wereldhistorische mijlpaal. De heldhaftige strijd van de werkers en boeren in China was, is en blijft een bron van inspiratie voor onderdrukte volkeren wereldwijd.
De socialistische revolutie bevrijdde de bevolking in China van imperialistische onderdrukking en achtergesteldheid.
De economische infrastructuur werd hersteld van de oorlogen die het land geteisterd hadden en verder opgebouwd. Belangrijke elementen daarvan waren de elektrificatie, de uitbreiding van het transportnetwerk, het delven van grondstoffen, de centralisering van het bankwezen en de staatscontrole op buitenlandse handel. Ook werden landhervormingen doorgevoerd die gericht waren op de afschaffing van het feodale grondeigendom en de overgang naar het kleine private boereneigendom.
Op deze manier werd de achtergesteldheid in de economie daadkrachtig aangepakt, werden de fundamenten gelegd voor de verdere industrialisatie en de overgang naar grootschalige, coöperatieve landbouw.
De socialistische opbouw verbeterde de positie van de arbeidersklasse, boeren en andere volkslagen.
De eerste decennia van de socialistische opbouw brachten verbetering van het levenspeil van de bevolking. De Chinese arbeidersklasse, boeren en andere volkslagen verwierven sociale en politieke rechten.
De socialistische overheid organiseerde onderwijs, zorg en andere publieke voorzieningen die kwalitatief en vrij toegankelijk waren. Ongeletterdheid werd aangepakt middels enorme campagnes om mensen te leren lezen en schrijven. Er werden grote stappen vooruit gemaakt in de emancipatie van vrouwen, die in het prerevolutionaire China vreselijk onderdrukt werden.
Er waren ook allerlei problemen, uitdagingen en tekortkomingen. De socialistische opbouw vond immers plaats onder moeilijke omstandigheden in een land dat economisch achtergesteld was. Het is echter onmiskenbaar dat de socialistische opbouw verworvenheden voor de bevolking bracht.
De verworvenheden waren het resultaat van het socialisme.
De bevrijding en de verworvenheden waren het resultaat van de inzet en strijd van de arbeidersklasse, werkende boeren en andere onderdrukte lagen van de bevolking voor de socialistische opbouw. Ze waren het resultaat van de opbouw van socialistische verhoudingen in de economische basis en de overeenkomstige ontwikkeling in de bovenbouw.
Van groot belang was ook de internationalistische hulp van de Sovjet-Unie, die de socialistische opbouw in China economisch, technologisch en politiek met veel middelen steunde.
De Communistische Partij van China (CPC) speelde een onmisbare rol als voorhoede in de strijd voor de socialistische revolutie en opbouw.
De CPC, die werd opgericht in 1921, speelde in de eerste decennia van haar bestaan een vooraanstaande en heldhaftige rol in de strijd van de arbeiders en boeren in China tegen de onderdrukking en uitbuiting. De CPC was onmisbaar voor de overwinning van de socialistische revolutie en vervolgens voor het begin aan de socialistische opbouw. Zwaktes en tekortkomingen van de partij, bijvoorbeeld in de uitwerking van bepaalde strategische vraagstukken in verschillende periodes, doen hier niets aan af.
2. Ideologische vraagstukken over het socialisme in de eerste decennia van de socialistische opbouw
In de loop van de socialistische revolutie en opbouw slaagde de CPC er onvoldoende in om reeds bestaande burgerlijke ideologische invloeden te neutraliseren. Verwarring en theoretische tekortkomingen hadden hun weerslag in de uitwerking van de strategie voor de socialistische opbouw.
In de eerste decennia van het bestaan van de CPC, waren er een aantal terugkerende strategische en ideologische vraagstukken. Ondanks de ideologische discussies en strijd die werd gevoerd, waarbij de partij in verschillende periodes deze vraagstukken meer of minder goed wist te beantwoorden, lukte het de CPC niet om deze vraagstukken volledig op te lossen en afdoende antwoord te geven op bepaalde links-radicalistische en rechts-opportunistische afwijkingen, om zo deze burgerlijke opvattingen definitief te neutraliseren. Deze discussies vonden plaats onder zeer complexe omstandigheden, waaronder pogingen van imperialistische sabotage.
Deze kwesties bleven voortbestaan en hadden invloed op de manier waarop de CPC bepaalde vraagstukken over de socialistische opbouw beantwoordde. Dit had zijn weerslag in het verdere verloop van China’s ontwikkelingspad.
Het betrof met name, maar niet uitsluitend, onderstaande vraagstukken, waarover binnen de CPC discussie bestond en waarop de positie van de CPC zich ontwikkelde over tijd, maar waar in het algemeen bepaalde theoretische tekortkomingen merkbaar zijn.
Het vraagstuk van de drijfkrachten van de revolutie: de leidinggevende rol van de arbeidersklasse werd onderschat.
De discussie in de CPC over de drijfkrachten van de revolutie en de socialistische opbouw, betrof met name de rol van de boerenklasse en de houding tegenover de kapitalistische boeren. De werkende boeren zijn een onmisbare bondgenoot van de arbeidersklasse in de socialistische opbouw. Enkel de arbeidersklasse kan echter de leidinggevende drijfkracht van de socialistische revolutie zijn, door haar objectieve maatschappelijke positie.
Over het algemeen overschatte de CPC de rol van de boerenklasse in de revolutie, en onderschatte de leidinggevende rol van het proletariaat en zijn partij. Deze opvatting werd gevoed door het feit dat het proletariaat aanvankelijk nog relatief klein was omdat de industrie nog weinig ontwikkeld was in China. Vanwege deze achtergesteldheid in de ontwikkeling van de productiekrachten was het veiligstellen van de leidinggevende rol van de arbeidersklasse een grotere uitdaging. Het relatieve overwicht van andere klassen en lagen in de Chinese maatschappij voedde ideeën over samenwerking met delen van de burgerij in de strijd tegen grote imperialistische machten. Ook in periodes waarin de leidinggevende rol van de arbeidersklasse formeel wel werd benadrukt, slaagde de partij er onvoldoende in concrete invulling te geven aan de leidinggevende rol van het proletariaat.
Dit probleem kwam ook naar voren in de samenstelling van de partij, waarin de arbeidersklasse was ondervertegenwoordigd in de rangen van de CPC, terwijl kleinburgerlijke elementen het overwicht hadden in de samenstelling van de partij. Dit schepte ruimte voor het voortbestaan van (klein)burgerlijke ideologische invloeden binnen de partij. Dit probleem werd ook door de partij zelf herhaaldelijk aangekaart, maar zij slaagde er onvoldoende in dit effectief aan te pakken.
De onderschatting van de leidinggevende rol van de arbeidersklasse ondermijnde het vertrouwen in het vermogen van de arbeidersklasse en de arbeidersmacht om de problemen die zich in de socialistische opbouw voordoen te overwinnen, en werkte in die zin het zoeken van ‘oplossingen’ in de richting van markthervormingen in de hand.
Het vraagstuk van de relatie tussen partij en massa: de voorhoederol van de partij werd onderschat.
Een diepe band met de massa en terugkoppeling is uiteraard van groot belang, in het bijzonder met de werkende klasse waar de partij ook deel van uitmaakt. In de CPC bestond echter de neiging de leidinggevende rol van de partij te onderschatten. Dit kwam onder andere tot uiting in de uitwerking van de ‘massalijn’ en het idee dat de partij een uiting is van de wil van de massa’s, waarmee de partij in wezen de massa volgde. Dit ondermijnde de leidinggevende rol van de partij als voorhoede. In de praktijk kan het leiden tot capitulatie voor burgerlijke opvattingen die, zeker in de beginfase van de socialistische opbouw, nog aanzienlijke invloed hebben op een groot deel van de massa.
Het vraagstuk van bondgenootschapspolitiek: de ‘nationale bourgeoisie’ werd ten onrechte beschouwd als bondgenoot in de socialistische opbouw.
De CPC deelde de bourgeoisie op in een ‘nationale bourgeoisie’ en een ‘compradorbourgeoisie’. Daarbij zou de laatste vooral banden hebben met het imperialisme en als klasse geëlimineerd moeten worden, terwijl de ‘nationale bourgeoisie’ als bondgenoot werd gezien. De CPC had een ambigu standpunt over dit bondgenootschap dat veranderde over tijd, maar over het algemeen werd het bondgenootschap met de ‘nationale bourgeoisie’ niet alleen gezien in het kader van de nationale bevrijdingsstrijd tegen de imperialistische onderdrukking en de strijd tegen de feodale reactie, maar ook in de socialistische opbouw. Ten onrechte werd dus verondersteld dat de socialistische revolutie en opbouw kon plaatsvinden zonder breuk met de ‘nationale bourgeoisie’.
Deze positie werd ontwikkeld in het licht van onderliggende theoretische en methodologische problemen. Bijvoorbeeld de theorie van niet-antagonistische tegenstellingen, zoals die in de CPC was uitgewerkt. Maar ook in de wijze waarop de bourgeoisie werd ingedeeld in een ‘compradorbourgeoisie’ en ‘nationale bourgeoisie’. Hoewel deze indeling in de bourgeoisie was gekoppeld aan analyses van de materiële positie en belangen van delen van de bourgeoisie, was er een problematische tendens om de bourgeoisie onder te verdelen op basis van politieke loyaliteiten, die echter zeer veranderlijk kunnen zijn. Dit hing ook samen met een neiging om klasse en natie te vereenzelvigen, waarbij de belangen van de arbeidersklasse werden gelijkgesteld aan die van de 'nationale bourgeoisie'. De CPC slaagde er niet in volledig afstand te nemen van het burgerlijk nationalisme dat de drijvende kracht was achter de burgerlijk-democratische revolutie in China, en waaruit ook de CPC haar historische oorsprong heeft.
De veronderstelling dat de socialistische opbouw kon plaatsvinden zonder breuk met de ‘nationale bourgeoisie’ had haar weerslag in de strategie voor de opbouw van de socialistische economie, bijvoorbeeld in de strategie voor ‘vreedzame transformatie’ van de industrie en handel. Het kwam bijvoorbeeld ook tot uiting in de tegenstrijdigheid dat er enerzijds de overmoedige inschatting werd gedaan in 1956 dat er sprake zou zijn van een “totale en beslissende overwinning in de socialistische transformatie van landbouw, handwerk en kapitalistische industrie en handel,” terwijl de CPC zelf ook onderkende dat de vermaatschappelijking nog niet was voltooid en zelfs de kapitalistische uitbuiting nog niet volledig was afgeschaft, hoewel er zeker werd gewerkt aan het leggen van een basis voor de socialistische economie.
Het vraagstuk van het karakter van de arbeidersmacht: de socialistische staatsmacht werd onterecht ook als macht van de ‘nationale bourgeoisie’ gezien.
Bovengenoemde vraagstukken werkten door in de opvatting van de CPC over de bovenbouw. De volksrepubliek werd gezien als ‘democratische dictatuur van het volk’. Daarin werd de macht niet alleen uitgeoefend door de arbeidersklasse, die een leidinggevende rol werd toegekend, en haar ‘natuurlijke’ bondgenoten in de strijd tegen het kapitalisme, namelijk de boeren en kleinburgerij, maar ook door de nationale bourgeoisie.
Het vraagstuk van de opbouw van de socialistische economie: de theorie van ‘socialistische warenproductie’ belemmerde de ontwikkeling van de strategie voor verdieping van de socialistische opbouw.
Een essentiële kwestie was dat de CPC in de loop van de jaren ’50 reeds de theorie van ‘socialistische warenproductie’ omarmde. De beoordeling dat warenproductie geen overblijfsel is van het kapitalisme dat in de loop van de socialistische opbouw moet worden bestreden, maar dat de warenproductie een socialistisch karakter kan hebben, verzwakte het vermogen van de partij om de strategie voor verdieping van de opbouw van de socialistische economie uit te werken. Op lange termijn creëerde deze theorie ook ruimte voor verdere ontwikkeling van opportunistische opvattingen die later de herintrede van kapitalistische productieverhoudingen in China faciliteerden.
Het vraagstuk van de socialistische opbouw in de Sovjet-Unie: onder het mom van een kritiek op revisionisme kwam de CPC tot een ongefundeerde beoordeling.
Begin jaren ’60 verslechterde de relatie tussen de CPC en de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (CPSU), naar aanleiding van diplomatieke en geopolitieke geschillen. De CPC uitte kritiek op bepaalde opportunistische standpunten die vanaf het 20ste Congres van de CPSU de overhand hadden gekregen met betrekking tot het vraagstuk van de staat en internationale politiek. Deze kritiek stond echter in schril contrast met de realiteit dat de CPC de onderliggende marktgezinde opvattingen zelf in de praktijk grotendeels omarmde. De CPC had de besluiten van het 20ste Congres aanvankelijk ook toegejuicht.
In de loop van de jaren ’60 werd de volkomen ongefundeerde en verwerpelijke theorie ontwikkeld die de Sovjet-Unie bestempelde als ‘sociaal-imperialistisch’ en de Sovjetstaat als een dictatuur van een ‘nieuwe bourgeoisie’, waarmee de CPC in wezen doorsloeg naar een contrarevolutionair standpunt. De diplomatieke relaties tussen de twee socialistische landen kwamen tot een dieptepunt met een grensconflict in 1969. Het klassenkarakter van een staat kan niet worden beoordeeld op basis van revisionistische posities van de regerende partij over de staat en internationale politiek, zonder te kijken naar de productieverhoudingen. Deze ontwikkelingen hadden een negatieve invloed op de internationale communistische beweging.
Dit werkte ook de verwarring in de hand binnen de CPC, die zich enerzijds opwierp als verdediger van het marxisme-leninisme tegenover het revisionisme in de CPSU, maar anderzijds zelf marktgezinde en andere problematische, opportunistische posities ontwikkelde.
3. De markthervormingen en het herstel van het kapitalisme in China
In 1978 kregen rechts-opportunistische standpunten de overhand en werden besluiten genomen die de politieke en ideologische basis vormden voor de afbraak van het socialisme in China.
In de loop van de jaren ’60 en ’70 escaleerden de klassentegenstellingen en de ideologische strijd binnen de CPC, mede doordat de partij er onvoldoende in slaagde eensgezind een strategie te formuleren richting een effectieve verdieping van de industrialisatie en vermaatschappelijking van de landbouw en industrie.
Dit kwam tot uiting in de Culturele Revolutie, die terecht het probleem van burgerlijke invloeden aankaartte. Tot een coherente strategie kwam het echter niet. Onder de voorstanders van de Culturele Revolutie bestond ook allerlei verwarring over bovengenoemde en andere vraagstukken, met links-radicalistische en rechts-opportunistische afwijkingen.
In de nasleep van de Culturele Revolutie wonnen rechts-opportunistische opvattingen aan invloed. Het ging om opvattingen die uiting gaven aan de belangen van lagen van de bevolking die gebaat waren bij versterking van marktwerking en zelfs kapitalistische verhoudingen. Dit werd zichtbaar op het 11e Congres in 1977, maar het belangrijkste keerpunt waren de besluiten van de derde vergadering van het 11e Centraal Comité van de CPC. Deze besluiten, die voortbouwden op bestaande zwaktes maar ook een breukpunt vormden, legden politiek en ideologisch de basis voor de afbraak van het socialisme in China.
Reële economische problemen, die werden aangegrepen als aanleiding voor de markthervormingen, vroegen om verdieping van de socialistische verhoudingen.
De CPC kaartte indertijd grotendeels reële economische problemen aan. Er werden disanalogieën in de economie waargenomen. Dat wil zeggen dat verschillende sectoren niet goed op elkaar aansloten. Zo kon de landbouw de industrie niet bijbenen en ook de verschillende delen binnen de landbouw en de industrie sloten niet goed bij elkaar aan. Hierdoor ontstond ook het probleem dat de CPC ‘overmatige kapitaalconstructie’ noemde, waarbij productiemiddelen zich in sommige sectoren opstapelden, terwijl er in andere sectoren een tekort was. In het verlengde hiervan bestonden problemen in de afstemming van aanbod op behoefte. Bijvoorbeeld dat er te veel of te weinig werd geproduceerd, of dat de kwaliteit van geproduceerde goederen onvoldoende aansloot op de behoefte. Tot slot zag men dat technologische innovaties achterbleven en ervaarde men bureaucratische en ondoelmatige werkwijzen.
Dit zijn economische problemen die zich kunnen voordoen in de loop van de socialistische opbouw. Ze worden in de eerste plaats veroorzaakt door de onrijpheid van de communistische verhoudingen en de overblijfselen van de kapitalistische verhoudingen in de productie en distributie. Ze worden overwonnen via de verdieping van de socialistische verhoudingen.
De problemen vereisten verbetering van de centrale planning, met het ontwikkelen van indicatoren en criteria die de kwaliteit van de productie beter waarborgden en die de productiekrachten beter toebedeelden op basis van de juiste analogieën. Ze vereisten het verder ontwikkelen van arbeiderscontrole, om de bevolking meer te betrekken bij de vorming, uitvoering en concretisering van het plan, om de terugkoppeling van onderop te regelen en het plan steeds aan te passen aan de veranderende maatschappelijke behoeften, maar ook om onproductieve en bureaucratische werkwijzen effectief te verbeteren. Ze vereisten verdere vermaatschappelijking van de arbeid, zodat de werkende mens zich alzijdig en creatief kan ontwikkelen en effectief kan bijdragen aan de maatschappelijke productie.
Economische problemen werden ten onrechte toegeschreven aan de centrale planning, waardoor de markt werd gezien als ‘oplossing’.
Het was de CPC niet gelukt om een vruchtbare strategie te ontwikkelen en te concretiseren in de richting van verdieping van de socialistische verhoudingen. Dit kwam mede door de eerdergenoemde verwarring over verschillende theoretische vraagstukken, die ook bestond onder degenen die zich verzetten tegen de rechts-opportunistische stroming in de partij. In plaats daarvan overheersten de opvattingen die deze problemen juist toeschreven aan de socialistische verhoudingen.
De belangrijkste oorzaak van de economische problemen was volgens de CPC de ‘overmatige controle’, waarmee gedoeld werd op de centrale planning van de productie en distributie. De CPC oordeelde dat de centrale planning niet in staat zou zijn om in te spelen op de complexe, steeds veranderende behoeften van de mensen.
Zo werden reële problemen ten onrechte toegeschreven aan de centrale planning. In dat licht verscheen afzwakking van de centrale planning en invoering van marktwerking als ‘oplossing’ voor deze problemen.
De problemen vroegen om het uitwerken van een strategie om de verdieping van de socialistische verhoudingen mogelijk te maken, maar in plaats daarvan greep de CPC terug naar kapitalistische werkwijzen zoals marktwerking.
De onwetenschappelijke theorie van ‘socialistische markteconomie’ was de ideologische rechtvaardiging van de markthervormingen.
Voortbouwend op de reeds bestaande opvatting van ‘socialistische warenproductie’, ontwikkelde de CPC de theorie van ‘socialistische markteconomie’. Deze theorie staat haaks op het marxisme, omdat de warenproductie juist eigen is aan de kapitalistische productieverhoudingen en daarin volledig overheerst en een algemeen karakter aanneemt.
In contrast met de warenproductie die het kapitalisme kenmerkt, wordt het socialisme gekenmerkt door direct maatschappelijke arbeid. Dat wil zeggen dat de arbeid, productiemiddelen en producten worden toegedeeld via de centrale planning, en niet via de markt, op basis van de maatschappelijke behoeften, die het doel van de socialistische productie zijn, en niet op basis van de winst. De markt wordt onder het socialisme dus opgeheven ten gunste van de direct maatschappelijke productie.
De markt bestaat in het socialisme –de eerste, onrijpe fase van het communisme– als een overblijfsel van de kapitalistische verhoudingen, en niet als een eigenschap van de socialistische verhoudingen zelf.
Met de theorie van ‘socialistische markteconomie’ nam de CPC de positie in dat markt en centrale planning twee ‘neutrale’ instrumenten zijn, die net zo goed in het kapitalisme als het socialisme kunnen worden ingezet. Daardoor kon de CPC zich niet meer richten op het scheppen van de voorwaarden voor de overwinning van kapitalistische overblijfselen en verdieping van de socialistische verhoudingen, maar werd zij juist een aanjager van de versterking van marktwerking en op den duur kapitalistische verhoudingen in de productie.
De theorie van ‘socialistische markteconomie’ werd in de jaren ’80, ’90 en ’00 verder aangevuld met diverse opportunistische en ronduit burgerlijke theorieën en stellingen die het marxisme-leninisme verdraaien, in het kader van wat de CPC ‘socialisme met Chinese karakteristieken’ noemt.
De markthervormingen vormden geen tijdelijke stap terug, maar werden ten onrechte geïnterpreteerd als stappen vooruit in de socialistische opbouw.
De CPC zag markthervormingen en de invoering van een ‘socialistische markteconomie’ als een stap vooruit in de socialistische opbouw. Hoewel de CPC zelf de markthervormingen nooit heeft geïnterpreteerd of gepresenteerd als een tijdelijke noodzakelijke stap terug, wordt de herintroductie van marktwerking en het toelaten van kapitalisten en kapitalistische verhoudingen in de Chinese economie regelmatig voorgesteld als een soort tijdelijke transitieperiode.
Daarbij worden de markthervormingen in China vaak ten onrechte vergeleken met de Nieuwe-Economische Politiek (NEP) die begin jaren ’20 werd gevoerd in Sovjet-Rusland. De NEP, waarbij in beperkte mate bepaalde vormen van marktwerking en kapitalistische verhoudingen werden toegestaan, werd gevoerd op basis van een tactische, tijdelijke stap terug die noodzakelijk was in de gegeven materiële omstandigheden, waarbij de industrie nog niet in staat was de landbouw te voorzien van de productiemiddelen die nodig waren voor de overgang naar de grootschalige collectieve landbouw.
Deze vergelijking is echter historisch onjuist. Allereerst omdat de materiële omstandigheden die de NEP begin jaren ’20 noodzakelijk maakten in Sovjet-Rusland niet aanwezig waren in China in de jaren ’70. Bovendien werd de NEP expliciet als tijdelijke concessie en stap terug gedefinieerd, die juist ook gevolgd werd door het verdiepen van de socialistische productieverhoudingen zodra de materiële voorwaarden daar rijp voor waren. Daarentegen ziet de CPC de markthervormingen niet als een stap terug, maar juist als een stap vooruit in de socialistische opbouw, en zijn deze door de CPC op geen enkele manier als stap terug gedefinieerd.
De waardewet werd ten onrechte erkend als wet van de socialistische economie.
Als logische gevolgtrekking van de opvatting waarin de socialistische economie als een vorm van warenproductie werd gezien en de producten van de socialistische economie als waren, ontwikkelde de CPC de theorie dat de waardewet een wet van de socialistische economie is. Alhoewel de waardewet beperkt geldig is in het begin van de socialistische opbouw vanwege overblijfselen van de oude maatschappij, had de erkenning van de waardewet als economische wet van het socialisme zélf grote gevolgen. Het betekende dat de centrale planning de economische ontwikkeling moest beoordelen op basis van de waarde die de productie opleverde. Zo werden waarde en de verschillende uitingsvormen daarvan, zoals prijs, kosten-baten en winst, verheven tot de voornaamste economische indicatoren en criteria. Deze benadering betekende vooral ook een drastische inperking van de rol van de centrale planning in de economische ontwikkeling.
Met de invoering van het ‘huishoudens-verantwoordelijkheidssysteem’ werd de landbouw gedecollectiviseerd
Na het keerpunt in de strategie van de CPC in 1978 werden er praktische stappen gezet om het beleid van de nieuwe richting in te voeren. In de landbouwsector werd in de periode 1978-1984 een reeks maatregelen genomen waarmee de productie, distributie en andere zakelijke aangelegenheden volledig in handen van individuele boerengezinnen kwamen. De verantwoordelijkheid werd hierbij verplaatst van de communes naar de individuele huishoudens – het ‘huishoudens-verantwoordelijkheidssysteem’ (HRS). Dit betekende feitelijk een terugkeer naar het private eigendom van de grond en de productie in de landbouwsector, omdat het individuele huishouden van de boeren de volledige zeggenschap kreeg over de grond en productiemiddelen.
In 1983 werden de communes zelfs formeel opgeheven. Formeel was er nog sprake van dat het land en de productiemiddelen collectief eigendom waren van de coöperatie, maar in de praktijk had de boer volledig eigendom over de productiemiddelen en het product, dat die vrij kon verhandelen. Het collectieve eigendom in de agrarische sector bestaat nu enkel nog op papier.
De decollectivisatie verzwakte het bondgenootschap tussen de arbeiders en de boeren. De verenigde macht van de arme boeren werd door de decollectivisatie gebroken ten gunste van de rijkere boeren. De inkomensverschillen op het platteland namen toe, wat de partij overigens ook bevorderde.
Onder het mom van ‘zelfbestuur’ en ‘productie voor maatschappelijke behoeften’, werd in wezen de winst hersteld als het doel van de productie.
Op basis van de theorie over ‘socialistische markteconomie’, werd het ‘zelfbestuur’ van bedrijven gepromoot. Bedrijven kregen vanaf 1978 steeds meer bevoegdheden om zelf hun eigen financiën, materieel en personeel te beheren. Ze konden zelf handelswaren produceren en via de markt verkopen, en mochten ook meer zelf bepalen wat er met de opbrengst werd gedaan.
Daarbij moesten bedrijven niet meer worden beoordeeld op de productie, maar op de verkoop. Dit werd door de CPC voorgesteld als het verleggen van ‘productie voor productie’ naar ‘productie voor maatschappelijke behoeften’, maar dit vereist juist versterking en verbetering van de centrale planning en de arbeiderscontrole, zodat het plan beter de maatschappelijke behoeften reflecteert. In plaats daarvan werd de vraag als bepalende factor genomen. Het verleggen van de focus van ‘productie voor productie’ naar ‘productie voor maatschappelijke behoeften’, werd zo in wezen een voorwendsel voor ‘productie voor de markt’.
Het doel van deze hervormingen was om de staatsbedrijven om te vormen tot individuele eenheden die met elkaar concurreren en winst maximaliseren. Het overgebleven meerproduct na het behalen van quota’s mocht op de markt verkocht worden tegen marktprijzen. In wezen betekenden deze hervormingen dat de winst werd hersteld als doel van de productie.
De uitbreiding van bonussen en materiële prikkels faciliteerde bepaalde sociale lagen om een gedeelte van het maatschappelijk product toe te eigenen.
De hervormingen hadden belangrijke implicaties voor de klassensamenstelling van China en de onderlinge verschillen in bijvoorbeeld inkomens. Er werd gesteld dat het moest worden gestimuleerd dat inkomens onder verschillende arbeiders verschillen, onder het mom van het bestrijden van het ‘egalitarisme’. Via hogere inkomens en bonussen werd de mogelijkheid geschept voor bepaalde maatschappelijke lagen –in het bijzonder degenen die bestuurlijk werk verrichten in plaats van uitvoerend– om zich een gedeelte van het maatschappelijk product toe te eigenen.
De invoering van marktelementen in de economie leidde tot een diepe afzwakking van socialistische productieverhoudingen in China.
In de loop van de jaren ’80 en ’90 zorgde een reeks maatregelen voor afzwakking van de socialistische productieverhoudingen. In het bijzonder de afzwakking en uiteindelijke afschaffing van de centrale planning; de versterking van marktwerking en concurrentie; de commercialisering en vervolgens privatisering van de industrie, handel en financiële sector; de hervormingen in het prijzensysteem waarmee prijzen door de markt werden bepaald in plaats van de centrale planning; de openstelling van China voor de kapitalistische wereldmarkt, wellicht ook onder externe druk; en de hervormingen in de arbeidsverhoudingen.
Met de herinvoering van de loonarbeid herstelden de kapitalistische verhoudingen zich in de Chinese economie.
De markthervormingen leidden er uiteindelijk ook toe, vooral in de loop van de jaren ’90, dat de belangrijkste productiekracht, de arbeidskracht, weer een waar werd. De tot-waar-wording van de arbeidskracht is van bijzondere betekenis, omdat hiermee de kapitalistische uitbuitingsverhouding arbeid-kapitaal werd hersteld.
De warenproductie groeide dankzij de markthervormingen in China opnieuw tot haar hoogst ontwikkelde stadium: de arbeidskracht werd ook een handelswaar die verkocht en gekocht kan worden op de markt. Daarmee kregen de kapitalistische productieverhoudingen een dominante rol in de economie.
Met de privatiseringen en verankering van het private eigendom heeft het kapitalisme zich hersteld.
In de loop van de jaren ’90 en ’00 heeft een grootschalige privatisering plaatsgevonden van veel staatsbedrijven, met als resultaat dat het overgrote gedeelte van de economie in private handen is. Zo daalde het aandeel van staatsbedrijven aan de industriële productie in 1978-1995 van 78% naar 34%.
Met wijzigingen in de grondwet is het private eigendom ook formeel-juridisch verankerd, waarmee de ontwikkeling die al plaatsvond in de economische basis zich ook reflecteerde in de bovenbouw. In combinatie met de afschaffing van de centrale planning en de markthervormingen die in de resterende staatsbedrijven zijn doorgevoerd, is er geen sprake meer van maatschappelijk eigendom en kan er niet meer worden gesproken van socialisme.
China kent vandaag de dag de kapitalistische productiewijze, met als basistegenstelling die tussen arbeid en kapitaal, tussen de vermaatschappelijking van de productie enerzijds en de private toe-eigening van de resultaten ervan anderzijds.
De interventie van de Chinese staat in de economie heeft het karakter van macro-economisch beleid. Er is geen sprake meer van centrale planning als socialistische productieverhouding.
De CPC heeft geleidelijk haar revolutionaire karakter verloren.
In 1978 kregen rechts-opportunistische opvattingen de overhand in de CPC. Sindsdien heeft een jarenlange ontwikkeling plaatsgevonden, waarin de CPC haar revolutionaire, communistische karakter geleidelijk is verloren. Het is de CPC niet gelukt om de opportunistische standpunten over ‘socialistische markteconomie’ te overwinnen en te corrigeren. Deze opvattingen zijn geconsolideerd en verder uitgewerkt, waarmee de CPC de drager werd van de contrarevolutionaire afbraak van het socialisme. Het erkennen van kapitalisten als een klasse die bijdraagt aan de socialistische opbouw in het kader van de burgerlijke ‘theorie van drie vertegenwoordigingen’ en het formeel toestaan van kapitalisten om lid te zijn van de partij sinds 2001, wat feitelijk al langere tijd het geval was, laat geen twijfel bestaan dat de CPC haar karakter als revolutionaire arbeiderspartij heeft verloren en alleen in naam communistisch is.
Hoewel de Volksrepubliek formeel voortbestaat, is de klasseninhoud van de staat wezenlijk veranderd.
De contrarevolutie heeft in China niet geleid tot een nieuwe staat of nieuwe regeringspartij, maar verliep via het algemene herstel van de loonarbeid en het private eigendom in de economie, evenals de respectievelijke aanpassingen in de bovenbouw.
Feitelijk heeft de kapitalistenklasse haar heerschappij kunnen herstellen. Er is sprake van een kapitalistische socio-economische formatie.
China zet de kapitalistische ontwikkelingsweg voort.
De CPC heeft markthervormingen ook in de 21ste eeuw doorgezet. Inmiddels is China een land met enorme private monopolies die opereren in alle sferen van de economie. Ook op het 18e, 19e en 20ste Partijcongres zijn besluiten genomen die de privatisering en liberalisering verder hebben doorgezet. Op theoretisch vlak heeft de CPC de burgerlijke theorie overgenomen dat de rol van de overheid in de economie er is om ‘marktfalen’ te beperken.
Met de herintroductie van het kapitalisme worden sociale verworvenheden van de socialistische revolutie afgebroken.
Een van de belangrijke sociale verworvenheden die de Chinese arbeidersklasse verloor in de loop van de markthervormingen is het recht op werk. Daarbij is het ontslagrecht versoepeld en is er een beperkt sociaal vangnet. China heeft wel een stevig stelsel van publieke voorzieningen geërfd uit de socialistische opbouw, die ook bijdraagt aan de huidige economische ontwikkeling. Toch zijn allerlei publieke voorzieningen, waaronder de zorg, het onderwijs en de volkshuisvesting, vergaand gecommercialiseerd en geprivatiseerd.
De economische groei van China vindt plaats op basis van kapitalistische verhoudingen.
De CPC haalt economische groei aan als bevestiging van de markthervormingen. Algemener wordt China’s economische groei vaak als een succesverhaal gepresenteerd.
Economische groei is echter geen neutraal, klassenloos begrip. Economische groei kan niet worden gelijkgesteld aan socialisme. Immers kan ook het kapitalisme periodes van aanzienlijke economische groei kennen. Het is altijd de vraag op basis van welke socio-economische verhoudingen de groei plaatsvindt en in het belang van welke klasse.
De indrukwekkende economische ontwikkeling die China heeft doorgemaakt, is eerder een resultaat van het gegeven dat het kapitalisme gebruikmaakte van de infrastructuur en de opgeleide arbeidersklasse die de socialistische opbouw voortbracht. Dit stelde het Chinese kapitaal in staat om, in eerste instantie via de staat, een gigantische kapitaalaccumulatie te volbrengen. Daarbij speelde ook een rol dat China (net als een reeks andere landen in Azië) in deze periode het gat overbrugde in de arbeidsproductiviteit, waar meer ontwikkelde kapitalistische landen eerder een voorsprong hadden.
China maakt deel uit van het internationale imperialistische systeem als een grote opkomende kapitalistische macht, die het overwicht van de VS uitdaagt.
Vanaf 1979 stelde China zich open voor de kapitalistische wereldmarkt en ontwikkelde ook zelf economische activiteit in het buitenland met kapitaalexport in de vorm van directe investeringen en in het vervolg ook in de vorm van leningen. Inmiddels is Chinees kapitaal wereldwijd op grote schaal actief.
De Chinese investeringen in het buitenland vinden plaats binnen het kader van de kapitalistische productieverhoudingen. Dat China zich in het buitenlandsbeleid en de handel zegt te committeren aan beginselen zoals non-interventie en wederzijds voordeel, verandert niet het klassenkarakter van deze economische activiteiten.
Het overwicht dat de VS de afgelopen decennia had op het wereldtoneel, wordt uitgedaagd door de enorme groei van de Chinese economie en kapitaalexport. China wordt als de grootste concurrent gezien. In dat licht nemen ook de militaire spanningen toe, in het bijzonder rond de Stille Oceaan, waarbij de VS meer militaire krachten in die regio concentreert, terwijl China grootschalig investeert in de krijgsmacht.
China neemt deel aan de BRICS, de Shanghai Samenwerkingsorganisatie en andere internationale imperialistische verbonden. De CPC en de Chinese overheid promoten daarbij de theorie van ‘multipolariteit’, waarmee een rechtvaardige en gelijkwaardige wereldorde zou ontstaan binnen het kader van kapitalistische productieverhoudingen. Zo’n wereldorde is echter niet mogelijk binnen de kaders van het kapitalisme, een systeem dat juist gekenmerkt wordt door onrecht en ongelijkheid.
In de context van de groeiende tegenstellingen onder het imperialisme wordt gesteld, door krachten die China (maar vaak ook Rusland) als ‘anti-imperialistisch’ of ‘socialistisch’ verdedigen, dat het bekritiseren van China als zijnde een kapitalistisch land zou neerkomen op het steunen van de Verenigde Staten, de NAVO en de EU, kortom het Euro-Atlantische imperialistische blok. Het tegengaan van de oorlogshitserij van de VS, de NAVO en de EU tegenover China (of tegenover welk land dan ook) is nodig en objectief in het belang van de werkende klasse, maar dit heeft niks te maken met het in stand houden van illusies over het klassenkarakter van China die juist schadelijk zijn voor de arbeidersbeweging.
Wil je een abonnement op Manifest?
Met jullie hulp garanderen we een communistische visie op de actualiteit in Nederland
Manifest is de krant van de CPN die maandelijks verschijnt. Met Manifest blijf je op de hoogte van de actualiteit en van onze acties. Manifest belicht verschillende aspecten van de strijd in binnen- en buitenland, en publiceert analyses die inzicht bieden in de nationale en internationale ontwikkelingen vanuit een marxistisch-leninistisch perspectief. Neem nu een abonnement op Manifest of vraag een gratis proefabonnement aan.
Abonneer Nu!