Eind jaren ’70 begon China met economische hervormingen die de economische verhoudingen in het land ingrijpend hebben veranderd. In dit artikel nemen we deze hervormingen onder de loep, en bekijken we de gevolgen hiervan voor de ontwikkeling van de klassenverhoudingen in China sinds 1978.
Inhoudsopgave
- Inleiding
- Decollectivisatie in de landbouw
- 'Hervormen' met marktwerking
3.1 Prioritering van consumptiegoederen en export
3.2 Afzwakking maatschappelijk eigendom
3.3 Van centrale planning naar zelfbeheer op basis van winst - ‘Openstellen’ voor de kapitalistische wereldmarkt
- Afschaffing van de centrale planning
5.1 Van centraal plan naar ‘macro-economische controle’
5.2 Prijzensysteem op de schop
5.3 Aanpassingen in het loonstelsel
5.4 Commercialisering van het financiële stelsel - Herstel van kapitalistische uitbuiting en privaat eigendom
6.1 Herstel van de loonarbeid
6.2 Privatisering van de industrie: ‘het kleine en middelgrote loslaten’
6.3 Klassenstrijd - De Chinese economie in de 21ste eeuw
7.1 Hervormingen sinds 2012
7.2 Nieuwe zijderoute - Nawoord
1. Inleiding
China is een land dat zich in de 20ste eeuw dankzij de inzet en strijd van de bevolking onder zeer moeilijke omstandigheden wist te bevrijden van imperialistische onderdrukking en begon aan de opbouw van een nieuwe, socialistische maatschappij. Sinds eind jaren ’70 zijn echter ingrijpende hervormingen doorgevoerd, die marktwerking, privaat eigendom, loonarbeid en andere kapitalistische elementen herintroduceerden of versterkten in de economie. Deze kapitalistische verhoudingen hebben inmiddels de overhand gekregen in de Chinese economie.1
Vandaag de dag speelt China een prominente rol in de internationale verhoudingen. Inzicht in de klassenverhoudingen in China is onmisbaar om de actuele economische en internationale ontwikkelingen te begrijpen. Dit artikel heeft als doel bij te dragen aan dit inzicht, door de historische ontwikkeling van de klassenverhoudingen en in het bijzonder de productieverhoudingen in China sinds 1978 tot vandaag onder de loep te nemen.
De reden dat we 1978 als startpunt nemen is dat in dat jaar de derde vergadering van het Centraal Comité van de Communistische Partij van China (CPC) plaatsvond. Dat was een belangrijkste mijlpaal die de ingrijpende koerswijziging markeerde naar het beleid dat later ‘hervormen en openstellen’ is genoemd. Zoals we in dit artikel zullen zien, leidde dat beleid tot fundamentele veranderingen in de productie- en distributieverhoudingen.
In de eerste hoofdstukken van dit artikel ligt het zwaartepunt op de ontwikkelingen in de periode 1978-1984. In die periode werd de landbouw gedecollectiviseerd (hoofdstuk 2), werden ingrijpende markthervormingen doorgevoerd in de industrie (hoofdstuk 3) en werd de Chinese economie opengesteld (hoofdstuk 4).
Vervolgens verschuift de focus naar de late jaren ’80 en jaren ’90, waarin de verdere afbouw en uiteindelijke afschaffing van de centrale planning plaatsvond (hoofdstuk 5) en waarin de loonarbeid en het private eigendom werden hersteld (hoofdstuk 6). Tot slot staan we beknopt stil bij de huidige verhoudingen en recente ontwikkelingen (hoofdstuk 7) en is er een korte conclusie.
De hervormingen die we in dit stuk bespreken werden doorgevoerd in een lange periode van meerdere decennia. Ze vinden plaats in een complexe historische context en ingrijpende economische, politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in de wereld. Het is niet mogelijk om in dit artikel een volledig overzicht te geven van de ontwikkelingen of om ze uitgebreid in de historische context te plaatsen. Dat is ook het niet doel van het artikel. Het artikel geeft slechts een schets van de hoofdlijnen, waarbij we noodzakelijkerwijs veel aspecten en nuances buiten beschouwing laten. Het artikel dient ook vooral als aanknopingspunt voor verdere studie.
Tegelijkertijd sluit dit artikel aan bij eerdere studies. Het bouwt voort op twee eerder gepubliceerde artikelen, en zal de aspecten die daarin naar voren kwamen grotendeels buiten beschouwing laten. Het eerste artikel behandelde de ontwikkeling van de strategie van de Communistische Partij van China (CPC) in de periode van de oprichting tot aan 1978. Dat artikel biedt inzicht in de historische achtergrond van de socialistische opbouw in China en relevante ideologische vraagstukken omtrent de politieke economie.2 Het tweede artikel dat we eerder publiceerden gaat in op de theoretische onderbouwing van de hervormingen die we in dit stuk belichten door de CPC. Daarin wordt ook aandacht besteed aan de economische problemen die de aanleiding vormden voor deze hervormingen, zoals disanalogieën tussen economische sectoren die niet goed op elkaar aansloten, discrepanties tussen vraag en aanbod, bureaucratische werkwijzen en stagnatie in de implementatie van technische innovaties in de economie. In dat artikel is ook aandacht voor de wijze waarop de CPC deze en andere problemen interpreteerde als problemen van ‘overmatige controle’ door de centrale planning. Ook gaat dat artikel in op de richting waarin de CPC deze problemen wilde oplossen door de invoering van een ‘socialistische markteconomie’, met zelfbestuur van bedrijven en inkomensverschillen voor economische prikkels. We geven daarin ook onze kritiek op de theoretische onderbouwing van de hervormingen door de CPC, die haaks staat op de marxistische theorie.3
Voor de historische context van, de aanleidingen voor en de onderbouwing van de hervormingen verwijzen we naar de eerder gepubliceerde artikelen. Om dit artikel af te bakenen ligt de focus in dit artikel op het feitelijk gevoerde beleid, het verloop van de hervormingen en de effecten ervan op de klassenverhoudingen. Ook andere relevante ontwikkelingen, zoals in de bovenbouw of de veranderingen in internationale verhoudingen, die zeker ook relevant zijn om verschillende aspecten van de historische ontwikkeling te begrijpen, worden grotendeels buiten beschouwing gelaten omwille van de omvang van het artikel.
In de discussie omtrent het klassenkarakter van China wordt regelmatig verwezen naar verbetering of juist versobering van het levenspeil of van sociale voorzieningen. Dat zijn zeker belangrijke kwesties. Hoewel we in dit artikel af en toe ook stilstaan bij dit aspect, staat het niet centraal in de analyse, omdat veranderingen in het levenspeil op zichzelf uiteindelijk niet bepalend zijn voor de klassenverhoudingen in een land.
Dit artikel is opgesteld door de Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN, in opdracht van het Partijbestuur, en wordt gepubliceerd in het kader van de studie die NCPN verricht naar de socialistische opbouw in de 20ste eeuw en de hedendaagse internationale verhoudingen waarin China een vooraanstaande rol speelt, in overeenstemming met de doelstellingen van het 7e Partijcongres van de NCPN.4
2. Decollectivisatie van de landbouw
In de loop van de jaren ’50 en ’60 werd de landbouw gecollectiviseerd. De plattelandseconomie werd georganiseerd op basis van coöperaties, vanaf de late jaren ’50 in de vorm van volkscommunes. De volkscommunes waren grootschalige landbouwcoöperaties, die echter niet alleen de landbouw organiseerden in een regio, maar ook industrie, handel, diensten en publieke voorzieningen ontwikkelden.
Op het platteland was de situatie in de jaren ’70 dat het land, de grondstoffen en productiemiddelen grotendeels waren gecollectiviseerd. Deze waren dus grotendeels eigendom van coöperaties (veelal in de vorm van volkscommunes). Hierdoor was de kapitalistische uitbuiting op het platteland gemarginaliseerd.
Er was echter nog geen sprake van volledig communistische verhoudingen in de landbouw. Naast het voortbestaan van waren- en geldrelaties, was er nog geen sprake van direct maatschappelijk eigendom. Er was immers sprake van voornamelijk coöperatief eigendom, wat een vorm van groepseigendom is en geen maatschappelijk eigendom. In de periode van de socialistische opbouw kan het coöperatief eigendom een belangrijke rol spelen om de landbouw voor te bereiden op vermaatschappelijking, in het bijzonder wanneer de landbouw nog versnipperd en kleinschalig is, zoals in China halverwege de vorige eeuw het geval was. In de mate dat deze coöperaties zijn verbonden aan de centrale planning, kan het coöperatief eigendom dienen als een overgangsvorm naar direct maatschappelijk eigendom.5
De volkscommunes waren tot op zekere hoogte verbonden aan de centrale planning. Zo werd de productie deels gepland vanuit staatsorganen en stelde de staat de prijzen vast voor inkoop, productie en distributie van de belangrijkste landbouwproducten. Coöperaties stonden hun productie grotendeels af aan de staat tegen deze vaste prijzen.6
In de landbouw werden twee voornaamste problemen geïdentificeerd. Allereerst zag men disanalogieën in de economie, waarbij de ontwikkeling van de landbouw de zware industrie niet kon bijbenen en algemener verschillende delen van de economie onvoldoende op elkaar waren afgestemd.7 Ten tweede vond men dat de productiviteit van de landbouw te weinig groeide. Dit probleem werd grotendeels toegeschreven aan ‘overmatige controle’. De coöperaties en de staat stelden doelen voor de agrarische productie en deze zouden mechanisch of klakkeloos worden overgenomen, waarbij onvoldoende rekening werd gehouden met de lokale omstandigheden waarin andere gewassen misschien meer opbrengst konden opleveren.8
In reactie op deze problemen en in navolging van de koerswijziging die in 1978 was ingezet, besloot het Centraal Comité in september 1979 tot ingrijpende hervormingen in de landbouw, die in de jaren erna verder werden uitgewerkt.9 Voornaamste doel van de hervormingen was het verhogen van de productiviteit in de landbouw en het verhelpen van disanalogieën in de economie.10 Over de theoretische onderbouwing van deze lijn en de theoretische problemen die daarin bestonden hebben we eerder gepubliceerd.11
Het versterken van materiële prikkels voor individuele boeren om te investeren in hun land, hun productiemethoden aan te passen en hun productie beter af te stemmen op lokale omstandigheden werden als belangrijkste middel gezien om deze doelstellingen te bewerkstelligen.
In dit kader moest de gecollectiviseerde landbouw gebaseerd op volkscommunes worden afgebouwd en worden vervangen door een systeem waarin de individuele boerenhuishoudens de verantwoordelijkheid kregen over het land en de productie. Dit werd het ‘huishoudens-verantwoordelijkheidssysteem’ genoemd of ‘contractsysteem’ (vaak afgekort als HRS, van household responsibility system).
De hervormingen begonnen in de periode 1979-1981. Enerzijds werd toegestaan en aangemoedigd dat delen van het land werden toebedeeld aan individuele boerenhuishoudens om zelf te bewerken en inkomsten te genereren, los van de coöperatie. Het voornaamste doel daarvan was het creëren van economische prikkels voor boeren om de ontwikkeling van de landbouw te stimuleren.12
Anderzijds werden de coöperaties losgemaakt van de centrale planning. Coöperaties en lokale productiebrigades (lokale eenheden van een volkscommune, bestaande uit de boeren in een dorp of kleine regio) moesten zelf bepalen wat ze produceerden, welke methoden en criteria ze hanteerden, en hoe de producten en het inkomen werden verdeeld. De staat moest minder en uiteindelijk helemaal niet interveniëren in de activiteit van de coöperaties.13 Met deze maatregelen moest het probleem van ‘overmatige controle’ worden verholpen en de productie beter aansluiten bij de lokale omstandigheden, zodat de landbouwproductie zou stijgen.14
Andere maatregelen waren het toestaan en vergroten van inkomensverschillen op basis van het principe van ‘ieder naar zijn werk’, zoals de CPC dat indertijd uitlegde, een sterkere focus op productie voor de markt en export, en overheidssteun voor implementatie van moderne productietechnieken (mechanisering, mest, zaadveredeling etc.).15 Die modernisering was mogelijk dankzij de opbouw van de industrie in de voorgaande jaren, en de implementatie ervan werd door de overheid gefaciliteerd, bijvoorbeeld met leningen via de in februari 1979 hiervoor opgerichte ‘Agricultural Bank of China’.
Vanaf 1982 werd het HRS verdiept en verschoof het zwaartepunt van de coöperatie naar de individuele boer. Met deze hervormingen bleef het land formeel eigendom van de coöperatie, maar het land werd uitgeleend aan de individuele huishoudens die deel uitmaakten van de coöperatie. De boer kon voortaan zelf investeringen doen en productiemiddelen aanschaffen. Zo steeg het aantal tractors in privaat bezit gedurende 1983 met meer dan 110% naar 2,1 miljoen.16
De contracten voor het uitlenen van de grond kregen in de jaren erna een langere tijdsduur. Zo werd in 1984 de contractduur verlengd van 3 jaar naar 15 jaar, als aanmoediging voor boeren om zelf te investeren in hun grond en productiemiddelen. Later is dit verder verlengd en werden de contracten erfelijk.17
Het product was niet langer eigendom van de coöperatie maar van de individuele boer. Er werd een ‘tweesporenprijssysteem’ ingevoerd. Daarbij stonden boeren een quotum af aan de staat tegen vastgestelde prijzen. De rest konden zij individueel verkopen op de markt tegen prijzen die op de markt tot stand kwamen.18 In de loop van de jaren ’80 werden de staatsquota verlaagd en voor de meeste landbouwproducten werden ze op den duur volledig afgeschaft.
In 1984 was de transitie naar het HRS nagenoeg voltooid. De coöperaties bleven formeel wel bestaan en bleven op papier eigenaar van de grond. Maar de individuele boeren kregen in de praktijk de verantwoordelijkheid en het zeggenschap over het land. Zij werden bovendien eigenaar van de productiemiddelen en het product, dat vrij verhandeld kon worden. Veel coöperaties bestonden op papier zonder een economische rol meer te spelen. Andere werden door boeren gebruikt voor gezamenlijke inkoop, opslag of verkoop. Zulke landbouwcoöperaties gingen in wezen functioneren zoals de landbouwcoöperaties die we ook kennen in kapitalistische landen: leden dragen iets af in ruil voor bepaalde diensten. In dorpen bleven coöperaties nog lange tijd bepaalde administratieve functies vervullen.
Op deze manier werd de landbouw volledig losgemaakt van de centrale planning. In plaats daarvan gebruikte de overheid macro-economische beleidsinstrumenten (zoals belastingen, overheidsuitgaven of rentetarieven) om de landbouw te beïnvloeden via de markt. Er bleven overigens wel enkele staatslandbouwbedrijven bestaan, die echter een marginaal gedeelte van de landbouwgrond bewerkten, voornamelijk in afgelegen gebieden.
Met de overgang naar het HRS kreeg het boerenhuishouden individuele zeggenschap over de grond en privaat eigendom over de productiemiddelen en het product. Daarom kunnen we in feite stellen dat de landbouw in China binnen vijf jaar is gedecollectiviseerd. De gecollectiviseerde landbouw in de vorm van de volkscommunes, één van de belangrijkste pilaren van de socialistische economie in China, werden zo volledig opgebroken en nagenoeg overal volledig afgeschaft.19
Deze hervormingen in de landbouw gingen hand in hand met beleid dat meer ruimte gaf voor lokale markten. De decollectivisering en de liberalisering van de prijzen van landbouwproducten leidden in de jaren ’80 tot een groei van markten, tussenhandelaren en veilingen.20 De hervormingen in de landbouw versterkten zo algemener de handels- en geldrelaties in China.
In de daaropvolgende jaren tot op de dag van vandaag heeft de CPC nog veel aanvullende maatregelen genomen voor de verdere commercialisering van de landbouw, zoals het openstellen van de landbouw voor buitenlandse investeringen al in de eerste helft van de jaren ’80, de verlenging van de contractduur naar 30 jaar in 2002 en de afschaffing van elke agrarische belasting in 2006, waardoor boeren de volledige oogst zelf kunnen verhandelen.21
Begin jaren ’80 leidde de decollectivisering ook al tot een –aanvankelijke beperkte– introductie van loonarbeid in de landbouw. De rijkere boeren huurden andere dorpsbewoners in, vooral tijdens oogstseizoenen. In de schoot van de gedecollectiviseerde en gecommercialiseerde landbouw groeiden weer kapitalistische verhoudingen.
Inmiddels bestaan er echter talloze grootschalige private kapitalistische landbouwbedrijven. Er bestaan ook coöperaties die op kapitalistische wijze functioneren. Vanaf de tweede helft van de jaren ’90 werden zulke landbouwcoöperaties ook regelmatig actief gepromoot door de regering, met als doel modernisering en schaalvergroting in de landbouw.22 Deze ontwikkelingen waren vaak ten gunste van rijkere boeren, die daarmee meer land konden concentreren, wat overigens niet betekent dat er geen algemene stijging van het levenspeil plaatsvond in bepaalde perioden.
De decollectivisatie verzwakte het bondgenootschap tussen de arbeiders en de boeren. De verenigde macht van de arme boeren werd door de decollectivisatie gebroken ten gunste van de rijkere boeren.23 De inkomensverschillen op het platteland namen toe, wat de partij overigens ook bewust bevorderde.24 Dit gebeurde onder andere onder het mom van het principe ‘ieder naar zijn werk’. Dit werd door de CPC indertijd niet op de marxistische wijze uitgelegd, maar zo interpreteerde dat de waarde van het resultaat van de arbeid bepalend moest zijn voor het inkomen.25
De voorstanders van de hervormingen veronderstelden dat de veranderingen en inkomensverschillen geen polarisatie zouden opleveren onder boeren.26 Toch ging de decollectivisering zeker niet zonder verzet. Sommige communes weigerden het HRS direct te implementeren.27 In 1987 was er onrust en vonden er demonstraties plaats door de boeren in reactie op de stijging van productiekosten. In 1992 waren er tientallen reportages van ‘incidenten’ op het platteland, veel daarvan gewelddadig.28 Dit heeft echter niet kunnen voorkomen dat de kapitalistische verhoudingen werden geherintroduceerd in de Chinese landbouw.
3. ‘Hervormen’ met marktwerking in de industrie
Eind jaren ’70 werden een reeks, deels reële, problemen aangekaart betreffende de industrie. Men zag disanalogieën, waarbij de ontwikkeling van economische activiteit in verschillende sectoren niet goed op elkaar aansloot, het geproduceerde aanbod onvoldoende aansloot bij de behoeften, en er een situatie ontstond van overcapaciteit en overproductie in de ene sector en tekorten in de andere.29 Ook ervoer men bureaucratische en inefficiënte werkwijzen, en moeite in de implementatie van nieuwe technologieën.30
In een eerder gepubliceerd artikel gaan we uitgebreider in op de problemen die men identificeerde, hoe deze geïnterpreteerd werden door de CPC als problemen van ‘overmatige controle’ en gebrek aan ‘economische prikkels’, en de theoretische onderbouw van de richting waarin de partij oplossingen zocht met versterking van de rol van de markt en de waardewet, het bevorderen van zelfbestuur door bedrijven en het versterken van inkomensverschillen.31 In die richting wilde de CPC eind jaren ‘70 de economie ‘moderniseren’, wat als hoogste prioriteit werd gesteld.32
3.1 Prioritering van consumptiegoederen en export
Als we specifiek kijken hoe dit beleid zich vertaalde naar concrete hervormingen in de industrie, dan valt allereerst op dat er herprioritering plaatsvindt van de ontwikkeling van verschillende delen van de industrie. De ontwikkeling van lichte industrie (productie van consumptiegoederen) werd meer prioriteit gegeven boven de ontwikkeling van zware industrie (productie van productiemiddelen). Dit moest bijdragen aan stijging van het levenspeil en de agrarische productie stimuleren, maar als belangrijkste doel werd genoemd dat hiermee de export kon worden aangewakkerd. Dat zou China in staat stellen om productiemiddelen en -technologieën te importeren die op hun beurt zouden kunnen bijdragen aan de opbouw van zware industrie.33
Op deze manier wilde de CPC enerzijds op langere termijn de achtergesteldheid van de economie aanpakken, en anderzijds de disanalogieën verhelpen door meer middelen te wenden aan de productie van consumptiegoederen waar behoefte aan was of die geëxporteerd konden worden, in plaats van productiemiddelen waarvan men zag dat deze niet altijd beantwoordden aan behoeften en zich opstapelden.
In dit kader werden projecten en investeringen in zware industrie op grote schaal gestopt of uitgesteld, en werden middelen gekanaliseerd richting de lichte industrie.34 Al vanaf 1980 was het effect merkbaar: de lichte industrie groeide harder dan de zware industrie, de productie van productiemiddelen daalde ten gunste van de productie van consumptiegoederen, en de export oversteeg de import.35
3.2 Afzwakking maatschappelijk eigendom
Deze ontwikkeling verzwakte de invloed van het maatschappelijk eigendom in de industrie. De lichte industrie was namelijk vaker in handen van coöperaties van lokale gemeenschappen die op grotere afstand stonden van de centrale planning en waar bestuurders meer invloed hadden, ten opzichte van zware industrie die veelal staatseigendom was en nauwer verbonden was aan de centrale planning.
Al in het eerste jaar van de hervormingen was dit merkbaar, waarbij de industrie in handen van de staat met maar 11% groeide ten opzichte van de industrie onder coöperatief eigendom dat groeide met 24,3%.36 Deze trend zette zich door in de jaren erna, met als resultaat dat het groepseigendom en zelfs individueel privaat eigendom aan invloed won ten koste van het maatschappelijk eigendom.
Tussen 1978 en 1983 steeg het aantal werkers in coöperatieve stedelijke bedrijven met 34%, terwijl het aantal zzp’ers steeg van 150.000 naar 2,31 miljoen. Het aandeel van staatsbedrijven in de industriële productie daalde van 81% naar 77%, terwijl het aandeel van coöperatieve bedrijven steeg van 19% naar 22% en van private bedrijven naar 1%.37
Als we dan kijken naar de detailhandel, waar de lichte industrie directer aan verbonden is, dan zien we duidelijker de effecten al in de eerste vijf jaar van de hervormingen. In deze periode daalde namelijk het aandeel van producten uit de staatsindustrie van 90,5% naar 72,1%, terwijl het aandeel van de coöperaties steeg van 7,4% naar 16,6%, private bedrijven van 0,1% naar 6,5%, en zelfstandige boeren van 2% naar 4,7%.38
De partij vond indertijd dat coöperatief en zelfs privaat eigendom in de industrie niet moest worden gezien als een overblijfsel van het kapitalisme.39 Het is een standpunt dat afwijkt van de marxistische politieke economie en wat samenhangt met de opvattingen over ‘socialistische markteconomie’ die de partij destijds ontwikkelde, waar we dieper op ingaan in een eerder gepubliceerd artikel.40
Op het 12e Congres van de CPC in 1982 werden de hervormingen in de industrie en handel bekrachtigd. Daarin werd besloten dat het maatschappelijk eigendom verder afgezwakt moest worden ten gunste van het collectief (coöperatief) eigendom. De industrie, bouw, vervoer, handel en dienstverlening moesten niet door de staatseconomie worden uitgevoerd, maar vooral via coöperaties worden georganiseerd.41 Overigens werd het coöperatief eigendom door de CPC ten onrechte als socialistisch eigendom gezien, terwijl het een vorm van groepseigendom betreft.
3.3 Van centrale planning naar zelfbeheer op basis van winst
De afzwakking van het maatschappelijk eigendom vond echter ook op een andere manier plaats, namelijk door hervormingen die werden doorgevoerd in de staatsbedrijven zelf. De hervormingen waren gericht op de verhouding tussen de staatsbedrijven en de centrale planning.
Volgens de CPC zou de centrale planning voor bureaucratie en overmatige controle op de productie zorgen. Dit zag de CPC als de voornaamste oorzaak van een reeks economische problemen, zoals dat productie onvoldoende aansloot bij behoefte en disanalogieën in de economie.
Dit waren reële problemen, die in wezen vroegen om verdieping en verbetering van de centrale planning en versterking van de arbeiderscontrole, zodat de productie beter aansluit op de maatschappelijke behoeften. De CPC zocht de oplossing echter niet in de verdieping van de socialistische opbouw, maar juist in recepten uit het kapitalisme. In dat kader voerde de CPC een reeks hervormingen door in het functioneren van de staatsbedrijven in een poging deze problemen aan te pakken.
Allereerst werd niet langer de productie, maar de verkoop centraal gesteld als het voornaamste criterium waarop de effectiviteit van bedrijven werd beoordeeld. Dit werd door de CPC indertijd begrepen en uitgelegd als ‘productie voor maatschappelijke behoeften’ in plaats van ‘productie voor productie’. Het beter aansluiten van de productie op maatschappelijke behoeften vereiste echter juist verbetering van de centrale planning en de arbeiderscontrole. In plaats daarvan werd de verkoop als criterium gehanteerd, waarmee niet de maatschappelijke behoeften, maar de vraag de bepalende factor werd.
Bedrijven werden beoordeeld op basis van de opbrengst uit de verkoop, die werd afgezet tegen de gemaakt kosten. Op die basis werd bepaalde hoeveel ‘winst’ staatsbedrijven maakten, en dat werd het voornaamste criterium. ‘Winst’ is overigens de term die de CPC zelf hanteerde.
Zodoende vond er in wezen geen verschuiving plaats naar ‘productie voor maatschappelijke behoeften’, maar naar productie voor de markt en dus voor winst.
Ten tweede werden vanaf 1979 een reeks maatregelen doorgevoerd waarmee de centrale planning werd afgezwakt om het principe van zelfbeheer of zelfmanagement in te voeren voor staatsbedrijven.42
Bedrijven kregen meer bevoegdheden om zelf hun eigen financiën, materieel en personeel te beheren en bedrijfsactiviteiten uit te voeren. Bedrijven konden zelf handelswaren produceren en via de markt verkopen in reactie op de vraag, en mochten ook meer zelf bepalen over wat er met de opbrengst werd gedaan en waar die terechtkwam.43
Diverse administratieve organen werden afgeschaft. Taken met betrekking tot economische ontwikkeling werden gedecentraliseerd. Vereisten van goedkeuring of bekrachtiging door hogere organen werd voor steeds meer economische activiteiten afgeschaft.44
Investeringen, die voorheen werden gefinancierd in het kader van de centrale planning, werden voortaan gefinancierd via leningen. Dit zou een prikkel creëren om zuinig en efficiënt met middelen om te gaan, de opstapeling van productiemiddelen te beperken en het tempo van de implementatie van investeringen te versnellen.45
Ten derde werd, naar analogie met de hervormingen in de landbouw, een ‘verantwoordelijkheidssysteem’ in gevoerd. Bedrijven en individuen moesten verantwoordelijkheid dragen, niet zozeer voor de maatschappelijke productie, maar voor de effectiviteit en efficiëntie van het eigen bedrijf en van de persoonlijke inzet in dat bedrijf. Economische prikkels zag de CPC als een onmisbaar middel om bedrijven effectiever en efficiënter te doen werken, met als doel dat productie beter zou aansluiten op behoefte en disanalogieën konden worden aangepakt.
In dat kader moest volgens de CPC het ‘egalitarisme’ worden overwonnen en werd in het kader van het verantwoordelijkheidssysteem ruimte gecreëerd voor inkomensverschillen tussen bedrijven en tussen werkers binnen bedrijven.46
Vanaf de lente van 1978 werd geëxperimenteerd met bonussen die werden uitgekeerd op basis van het product van de individuele werker, wat vervolgens al gauw werd overgenomen als beleid. Voor 1978 kende China ook bonussen, maar deze werden meestal uitgekeerd aan alle werkers van een bedrijf, als het bijvoorbeeld de doelen van een plan oversteeg. Er bestond eind jaren ’70 nog wel discussie in de CPC over de rol van materiële prikkels, maar die ging vooral over het belang van morele en ideologische scholing naast de materiële prikkels.47
Vanuit het idee van het ‘verantwoordelijkheidssysteem’ en het principe ‘aan ieder naar zijn werk’, zoals dat indertijd door de CPC werd uitgelegd, werd ook het stukloon geïntroduceerd in sommige sectoren van de industrie. In sommigen sectoren werd een ‘fluctuerend loonstelsel’ ingevoerd, waarbij het loon afhankelijk was van de geproduceerde waarde.48
Bedrijven kregen steeds meer mogelijkheden om zelf te bepalen wat er met de winst werd gedaan. Een bedrijf kon investeren in uitbreiding van de productiecapaciteit, faciliteiten voor werkers verbeteren (veel publieke voorzieningen waren namelijk via de bedrijven geregeld), of een hogere bonus uitkeren aan (een deel van) het personeel.49
Dat bedrijven winst maken en bonussen uitkeren werd interessant genoeg in partijpublicaties uit die tijd gezien als een stap richting versterking van het maatschappelijk karakter van het eigendom. Dat het bedrijf winst maakt en zelf mag houden zou een bedrijf ‘echt’ van de werkers maken.50 De verdeling van winsten onder (delen van) het personeel via bonussen verzwakt echter juist het maatschappelijk karakter van het eigendom. Het creëerde ruimte voor delen van de maatschappij om zich een gedeelte van het maatschappelijk product toe te eigenen. Het creëerde tegenstellingen tussen het maatschappelijk belang het groeps- of individuele belang. Het creëerde zelfs ruimte om te profiteren van vreemde arbeid, oftewel om uit te buiten.
Het zelfbeheer en de inkomensverschillen tussen en binnen bedrijven creëerden meer ruimte voor concurrentie tussen staatsbedrijven op de markt. Hoewel daarover toen zeker nog discussie bestond, was de CPC indertijd van mening dat die concurrentie positief was, niet als een tijdelijke stap terug, maar als een aspect dat verenigbaar zou zijn met de socialistische opbouw.51
Deze maatregelen leidden niet tot volledige afschaffing van de centrale planning. De staat behield namelijk in een groot deel van de economie een aanzienlijke rol in de toedeling van productiekrachten, met name de belangrijkste productiekracht, namelijk de arbeidskracht, wat dus voor een groot deel van de economie nog niet via de markt verliep. Wel werd de centrale planning als socio-economische verhouding door deze hervormingen zeer ernstig verzwakt. De maatregelen versterkten de warenproductie en herintroduceerden in wezen de winst als het voornaamste criterium van de productie.
4. ‘Openstellen’ voor de kapitalistische wereldmarkt
Het beleid van ‘hervormen’, met alle bovengenoemde maatregelen, ging gepaard met ‘openstellen’. We noemden al dat het beleid werd om de industrie op export van consumptiegoederen te richten, met onder andere als doel productiemiddelen en technologieën te kunnen importeren.52 In de eerste vijf jaar van de hervormingen verdubbelde de buitenlandse handel, werden meer dan 600 import- en exportcoöperaties gevestigd en werden alle bedrijven die buitenlandse handel dreven onafhankelijk gemaakt van hogere administratieve organen en de centrale planning.53 Maar het beleid van ‘openstellen’ ging veel verder dan alleen warenhandel.
De economie werd opengesteld voor buitenlands kapitaal. Al in 1980 werd China lid van de Wereldbank en het IMF. De leningen die zij aan China verstrekten, waren verbonden aan specifieke economische activiteiten waardoor China verder verbonden raakte aan buitenlands kapitaal. In het kader van de Wereldbank investeert bijvoorbeeld sinds 1985 de IFC (International Finance Corporation, onderdeel van de Wereldbank) in China, die specifiek gericht is op de ontwikkeling van de private sector.
Vanaf 1980 werden ook ‘speciale economische zones’ geopend, waar buitenlandse bedrijven zich konden vestigen. Hier werden investeringen vanuit buitenlands kapitaal mogelijk gemaakt en ook aantrekkelijk gemaakt met belastingvoordelen. De eerste vier zones werden opgericht in 1980. In 1984 werden in 14 grotere steden langs de kust ook zones opengesteld.54 Deze zones vielen volledig buiten socialistische sfeer van de economie (geen maatschappelijk eigendom, buiten de centrale planning etc.) en functioneerden volledig op basis van kapitalistische verhoudingen. Buitenlandse bedrijven konden hun producten verkopen op de Chinese markt. Er waren belastingontheffingen voor alle productiemiddelen en materialen die geïmporteerd werden voor joint ventures, coöperaties of buitenlandse bedrijven.55
Naast import van kapitaal deed China echter ook aan kapitaalexport. Al vanaf 1979 ontwikkelde China projecten in andere landen, zoals bouw van energiecentrales, snelwegen, bruggen, havens etc. In 1983 werden 903 contracten getekend ter waarde van 1,3 miljard dollar. Hoewel deze bedrijven in kapitalistische landen opereerden, volledig op basis van kapitalistische verhoudingen, werden ze door de CPC ten onrechte als ‘socialistische bedrijven’ bestempeld, onder het mom dat ze zich zouden houden aan bepaalde principes zoals ‘wederzijds voordeel’, alsof dat niet de basis is van de warenproductie waar het kapitalisme op is gebouwd.56 Hoe dan ook betekenden al deze maatregelen dat er een proces ingang werd gezet van integratie van China’s economie in de kapitalistische wereldmarkt.
5. Afschaffing van de centrale planning
Het beleid van ‘hervormen en openstellen’ had in de periode tussen 1979 en 1984 de rol van de centrale planning ernstig verzwakt. De landbouw was gedecollectiviseerd en niet meer wezenlijk verbonden aan de centrale planning. In de industrie was de rol van de centrale planning sterk ingeperkt door het principe van zelfbeheer, dat vanaf 1985 in de gehele industrie was doorgevoerd.57 Economische verschijnselen die botsen met de socialistische verhoudingen, zoals winst, marktwerking en concurrentie, hadden aan invloed gewonnen.
Hieronder kijken we naar de verdere ontwikkelingen in de economische verhoudingen na 1984. Eerst kijken we naar de praktische en ook formele afschaffing van de centrale planning en de vestiging van de markt als verhouding die de allocatie van productiekrachten en producten regelt. Vervolgens kijken we naar een drietal specifieke elementen van deze ontwikkeling. Eerst de bepaling van prijzen. Dan het loonstelsel en de ontwikkelingen in de arbeidsverhoudingen. Tot slot de rol van de centrale bank en het financiële stelsel.
5.1 Van centraal plan naar ‘macro-economische controle’
Op de derde vergadering van het 12e Centraal Comité in 1984 nam de CPC een ingrijpend besluit waarmee de hervormingen in de industrie verder werden uitgewerkt. De problemen in de industrie werden als volgt omschreven: “de overheid en het bedrijfsleven zijn niet duidelijk gescheiden wat betreft hun verantwoordelijkheden, en de staat oefent te veel controle uit op de bedrijven, waarbij de rol van de warenproductie, de waardewet en de markt worden verwaarloosd, en er sprake is van een sterk egalitarisme in de verdeling.”58 Er werd gesteld dat de maatschappelijke behoeften en de economische banden tussen bedrijven zo complex en veranderlijk zijn dat de staat de economie onmogelijk kan plannen.
Vanuit dit oogpunt werd besloten dat het zelfbeheer van bedrijven verder moest worden versterkt. Sterker nog, er werd gewaarschuwd om niet “het eigendom van het hele volk te verwarren met het directe beheer van ondernemingen door overheidsinstanties.”59 In plaats daarvan werd gesteld dat eigendom en het beheer van bedrijven gescheiden konden en moesten worden. Vanuit dat oogpunt werden bedrijven bevoegd om zelf:
- hun eigen financiën te beheren;
- werknemers aan te nemen en te ontslaan;
- de hoogte van lonen (binnen bepaalde grenzen) en bonussen te bepalen;
- de productie te bepalen;
- leveranciers te vinden en daarmee overeenkomsten te maken;
- marketing te doen;
- de prijs van hun producten te bepalen (binnen bepaalde grenzen die staat instelde).60
De partij benadrukte ook haar onjuiste standpunt dat het socialisme een vorm van warenproductie zou zijn en dat er geen tegenstelling zou zijn tussen centrale planning en warenproductie. Waar het 12e Congres in 1982 de markt nog als ‘complementair’ aan de planning beschreef, benadrukte het Centraal Comité nu het belang van de ‘volledige ontwikkeling’ van de markt: “Alleen door de wareneconomie volledig te ontwikkelen kan de economie echt worden gestimuleerd en kunnen ondernemingen worden aangemoedigd om hun efficiëntie te verbeteren, flexibel te opereren en zich flexibel aan te passen aan de complexe en veranderende maatschappelijke behoeften, wat niet kan worden bereikt door uitsluitend te vertrouwen op administratieve middelen en verplichte plannen.”
In de marxistische theorie is centrale planning een maatschappelijke verhouding die de vereniging van de arbeidskracht met de productiemiddelen organiseert zonder tussenkomst van de markt. Het is een productieverhouding die hand in hand gaat met het maatschappelijk eigendom en de direct maatschappelijke arbeid. Dat wil zeggen dat de arbeid vanaf het begin, direct onderdeel is van de maatschappelijke arbeid die de bevrediging van de maatschappelijke behoeften als doel heeft, en niet via de omweg van de markt.
Op basis van de bovenstaande theorie over de ‘socialistische wareneconomie’, die haaks staat op het marxisme, werd het karakter van economische planning ingrijpend aangepast en aangetast. De allocatie van productiekrachten en producten op basis van de centrale planning maakte plaats voor allocatie via de markt. ‘Planning’ betekende eigenlijk slechts economische (bv. kredietverlening), fiscale en juridische aansturing en controle op bedrijven.
Het 12e Congres in 1982 stelde dat “de aanpassing van de productie en circulatie van sommige producten via de markt en zonder planning wordt toegestaan”.61 De formuleringen in het besluit van het Centraal Comité in 1984 gaan verder en stellen dat alleen grote projecten die de nationale economie aangaan zouden worden gedaan via verplichte plannen en allocatie door de staat. Voor alle andere economische activiteiten werd bepaald dat het ofwel door bedrijven zelf moest worden opgepakt op basis van algemene richtlijnen, ofwel “compleet gereguleerd door de markt”.62
Het 14e Partijcongres in 1992 bepaalde dat de handels- en geldrelaties verder moesten worden uitgebreid.63 Op de derde vergadering van het 14e Centraal Comité in 1993 werden verdere de economische hervormingen uitgewerkt. Er werd bepaald dat de markt de ‘fundamentele rol’ in de economie heeft, dus niet meer ‘complementair’ aan de centrale planning.
Sterker nog, vanaf dit partijcongres werd de term ‘centrale planning’ niet meer gehanteerd door de CPC. De term werd vervangen door ‘macro-economische controle’. Daarmee doelde de CPC op macro-economisch beleid, zoals monetair en fiscaal beleid. De rol van deze macro-economische controle is het beperken van wat in de burgerlijke economische wetenschap ‘marktfalen’ wordt genoemd, oftewel bijsturen op negatieve bijeffecten van de markt: “Tegelijkertijd moeten we ook inzien dat de markt een negatieve kant heeft, namelijk spontaniteit, blindheid en vertraging. Dergelijke zwaktes en tekortkomingen moeten worden gecompenseerd en overwonnen door macro-economische sturing en regulering van marktactiviteiten door de staat. In de wereld van vandaag is er geen enkele markteconomie die vrij is van overheidsregulering. Dit land is een socialistisch land en zou beter toegerust moeten zijn – en is dat ook – om macro-economische sturing goed uit te voeren.”64
In datzelfde jaar (1993) wordt de grondwet aangepast. De termen ‘geplande economie’ en ‘economische planning’ worden verwijderd. In de plaats daarvan wordt de rol van de markt centraal gesteld en de rol van de staat beperkt tot “macro-regulering en controle”. Bij de artikelen over staatsbedrijven en coöperaties wordt de bepaling dat ze moeten voldoen aan de verplichtingen van de staatsplanning verwijderd.
5.2 Prijzensysteem op de schop
De derde vergadering van het 12e Centraal Comité in 1984 besloot ook het prijzensysteem op de schop te nemen.65 De CPC vond dat de waardewet bepalend is en dat prijzen van waren (aangezien het socialisme als wareneconomie werd behandeld) hun waarde moesten reflecteren evenals de relatie tussen vraag en aanbod. Met andere woorden, de prijzen moesten zoveel mogelijk tot stand komen via de markt.
Hier werd een stapsgewijze aanpak genomen. In 1984 werd het mogelijk voor staatsbedrijven om overschotten te verkopen tegen marktprijzen, boven de prijzen die het centrale plan vaststelde. Aanvankelijk betrof dit een beperkt aantal producten en moest de prijs binnen een bepaalde marge blijven, maar in de loop van 1984 en 1985 werden deze beperkingen opgeheven, met uitzondering van sommige strategische producten zoals graan, waar ze langer in stand werden gehouden.
Bij besluit van de vijfde vergadering van het 13e Centraal Comité werd in november 1989 het gepland bepalen van prijzen door de staat volledig losgelaten. De prijzen worden sindsdien door de markt vastgesteld.
5.3 Aanpassingen in het loonstelsel
In de periode voor de hervormingen was in het kader van de socialistische industrialisatie een systeem opgebouwd waarbij de arbeidskracht in de staatsindustrie werd gealloceerd via de centrale planning. Elke stad had een ‘Bureau van Arbeid en Personeel’, dat werkers verbond aan werkplekken (danwei). Arbeiders konden in principe niet ontslagen worden. De hoogte van het loon was wettelijk bepaald. In 1956 werd een classificatiesysteem ingevoerd waarin het loon werd bepaald op basis van regio, aard van het werk, eigendom (staat of collectief), etc. Er waren 8 schalen voor arbeiders en technici, en 24 schalen voor administratieve en besluitvormende werkers. Er waren dus verschillen tussen lonen, maar die werden niet gevormd door de markt. Naast loon waren arbeiders ook verzekerd van lage voedselprijzen, en zaken als huisvesting, gezondheidszorg, faciliteiten voor kinderen en pensioenen werden direct door de staat aangeboden aan de arbeidersgezinnen.66 In de gecollectiviseerde landbouw zat het systeem anders in elkaar, maar dat laten we buiten beschouwing omwille van de eenvoud.67
In het kader van het beleid van ‘hervormen en openstellen’, werd met het besluit van de derde vergadering van het 12e Centraal Comité in 1984 het vaste loonstelsel losgelaten.68 Lonen konden voortaan fluctueren, op basis van de economische productiviteit van een bedrijf in de afgelopen drie jaar. Wel bepaalde de regering nog de loonschalen. In aanvulling op de lonen, konden bedrijven een gedeelte van hun winst behouden en uitkeren aan personeel in de vorm van bonussen. In de jaren daarna werden de mogelijkheden voor het uitkeren van bonussen en de hoogte ervan uitgebreid (bijv. van 1 keer een maandsalaris in 1986 naar 1,5 keer een maandsalaris in 1988).69
In 1986 kregen managers van bedrijven meer flexibiliteit wat betreft de arbeidskrachten om in te kunnen spelen om de ontstane markt en concurrentie. Er werden reguleringen ‘voor het gebruik van arbeidscontracten in staatsbedrijven’ doorgevoerd, waarmee werkers werden aangesteld als ‘contractarbeiders’, wat te vergelijken is met een arbeidscontract voor bepaalde of onbepaalde tijd zoals we dat in kapitalistische landen ook kennen. In 1985, toen nog werd geëxperimenteerd met dit systeem, had 4% van de werkers zo’n aanstelling. In 1990 was dat 13%, in 1995 39%.70
Dit systeem introduceerde in wezen de arbeidsmarkt waarop arbeiders moesten concurreren om de beschikbare vacatures in de industrie. De bedrijven konden nu zelf werkers vinden en aannemen, en dankzij de migratie uit het platteland was er ook een constant aanbod voor de groeiende industrie. Tot de late jaren ’90 waren er echter nog veel restricties op het ontslaan van werkers (vandaar dat we het zojuist vergeleken met een vast contract). Zo konden bedrijven niet meer dan 1% van hun arbeiders per jaar ontslaan en konden sommige typen werkers niet worden ontslagen. Ook moesten bedrijven ontslagen werkers vaak aan een nieuwe baan helpen.71
In 1992 werd het bedrijven toegestaan zelf hun interne loonstelsel op te stellen binnen bepaalde, door de staat vastgestelde, minima en maxima. In 1994-95 werd nieuwe regelgeving geïntroduceerd, waarmee staatsbedrijven zelf de lonen konden bepalen op basis van vraag en aanbod van arbeidskrachten. Ook werden bedrijven aangemoedigd om loonverschillen te vergroten op basis van productiviteit en bekwaamheid.72
Deze economische hervormingen leidden ertoe dat op den duur een arbeidsmarkt is ontstaan voor de industrie. De arbeidskracht werd dus een waar en werd gealloceerd via de markt en niet via de centrale planning. De bepaling van de lonen werd als gevolg van de maatregelen niet meer vastgesteld door de centrale planning, maar bepaald door de markt en de vraag en aanbod van arbeid.
5.4 Commercialisering van het financiële stelsel
Nadat alle andere Chinese banken werden genationaliseerd in de vroege jaren ’50, was de Volksbank van China (PBC) tot 1978 de enige bank. Als centrale bank was de PBC een belangrijke spil in de centraal geplande economie, aangezien financiële transacties verliepen via de PBC in overeenstemming met de centrale planning.73 Als gevolg van de hervormingen in de economie is de functie van de centrale bank en het karakter van het financiële stelsel als geheel wezenlijk veranderd.
In de periode 1979-1984 begon de eerste fase van de hervorming van het financiële stelsel. De PBC werd opgesplitst en de functies ervan gedecentraliseerd. In 1979 worden de Bank of China (BOC; verantwoordelijk voor financiële relaties met het buitenland), de China Construction Bank (CCB) en de Agricultural Bank of China (ABC) opgericht, en in 1984 de Industrial and Commercial Bank of China (ICBC).74
Aanvankelijk functioneerden deze banken min of meer als leningsmechanismen onder de centrale planning, al verschilde de mate waarin dit echt verbonden was aan de centrale planning per sector. Ook hadden de banken regionale en lokale branches, die onder controle van regionale of lokale overheden stonden en nauwelijks van de centrale bank. De banken hadden gescheiden functies (die zijn af te leiden uit de naam) en concurreerden over het algemeen niet met elkaar, al vormde het opdelen van de PBC natuurlijk wel de voorwaarde om de concurrentie en marktmechanismen toe te laten in de financiële sector, wat ook het doel was van de CPC sinds 1979.75
In 1983-1984 werd ook de ‘People's Insurance Company of China’ (PICC) gescheiden van de PCB, waarmee alle verzekeringstaken werden gescheiden en de voorwaarden werden gecreëerd voor de herintroductie van individuele verzekeringen.76
In de loop van de jaren ’80 krijgt privaat kapitaal steeds meer ruimte in de financiële sector. Zo wordt in 1987 de ‘China Merchants Bank’ (CMB) opgericht als NV, de eerste bank die volledig eigendom was van bedrijven en niet de staat. De bank was gevestigd in een speciale economische zone (Shekou, een gebied in de stad Shenzhen) die in 1979 was opgericht en waar private bedrijvigheid en instroom van buitenlands kapitaal werd bevorderd.
In de jaren erna werden ook andere commerciële banken als NV opgericht in de speciale economische zones. Het werd toegestaan voor buitenlandse banken om afdelingen te openen in China, aanvankelijk alleen in bepaalde regio’s en onder restricties die later werden losgelaten. Het werd toegestaan voor private en buitenlandse investeerders om aandelen bij staatsbanken te kopen. In 1991 en 1992 werden de beurzen van respectievelijk Shenzhen en Shanghai geopend.
Naast de commerciële banken in de speciale economische zones, werd in 1995 de eerste commerciële stadsbank Shenzhen City Commercial Bank geopend. In de volgende drie jaar werden nog 69 van zulke commerciële stadsbanken banken opgericht. Die banken leenden geld aan overheden en bedrijven in de regio. Lokale overheden waren gedeeltelijk eigenaar, maar later kregen private en buitenlandse kapitalisten ook aandelen en ontplooien de banken activiteiten buiten hun regio.77
In 1994 vestigde de Chinese staat drie banken voor specifieke functies: de Agricultural Development Bank of China (ADBC), de China Development Bank (CDB) en de Export-Import Bank of China. Al deze banken werden opgericht met een mix van privaat kapitaal en geld van de staat, die de meerderheid van de aandelen bezat. Deze banken richten zich niet op gewone commerciële activiteit, maar op projecten voor grootschalige economische ontwikkeling met een hoog risico en/of lage rendabiliteit, zoals infrastructuur, communicatie, transport etc.78 Het doel van de oprichting van deze banken was het onafhankelijker maken van de commerciële bankactiviteit van de staat. In 1995 werd een nieuwe wet gevormd voor de commerciële banken. De PBC kreeg in datzelfde jaar nieuwe statuten, met als opdracht enkel het bewaren van monetaire stabiliteit, controle over andere banken (in de zin dat ze zich aan de wet houden), en overzicht van het betaalsysteem tussen de banken.79
Daarnaast is de PBC verantwoordelijk voor het beheer van de goudreserves en de buitenlandse valuta. Vanaf 1996 werd het rentebeleid van de banken geliberaliseerd en steeds meer bepaald door de markt. In 1999 werd staatsinmenging in commerciële kredietactiviteiten officieel verboden en werd ook formeel vastgelegd dat privaat kapitaal zich in banken kan mengen. In 2003 werd de ‘Chinese Banking Regulatory Commission’ opgericht, waarmee de controlefunctie van de centrale bank over de andere banken ook werd afscheiden van de PBC.80
In navolging van de toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in 2001 werden allerlei restricties op bedrijvigheid in buitenlandse valuta opgeheven. Buitenlandse financiële instellingen konden diensten in vreemde valuta vrij aanbieden aan Chinese bedrijven en individuen. Sinds 2003 is het toegestaan voor buitenlandse financiële instellingen om diensten aan te bieden aan Chinese klanten in lokale valuta, maar alleen in bepaalde regio’s. De regelgeving is verder geliberaliseerd, en sinds eind 2006 kunnen buitenlandse banken alle bankdiensten in lokale valuta aanbieden aan Chinese bedrijven en huishoudens in alle regio’s. Andere restricties (zoals minimumkapitaal voor het openen van een afdeling in China, of maximaal aantal afdelingen dat per jaar geopend kan worden, of maximaal percentage van aandelen van Chinese banken dat in buitenlandse handen mag zijn) werden vervolgens ook verminderd of opgeheven. Tegelijkertijd werden Chinese banken ook steeds meer actief in het buitenland.81
Via de bovengenoemde hervormingen heeft de centrale bank de functie als instrument van de centrale planning in de allocatie van middelen over sectoren en bedrijven verloren. Bovendien is het financiële stelsel in China volledig gecommercialiseerd in het kader van het beleid van ‘hervormen en openstellen’. Het aantal bedrijven op kapitaalmarkt is gestegen van 183 in 1993 naar 3052 in 2016.82 Het aantal Chinese banken in de top-10 grootste banken ter wereld is gestegen van 1 in 1996 (de ICBC op de tiende plek), naar 5 in 2019 (ICBC op nummer 1, CCBC op 2, ABC op 3, BOC op 4 en CDB op 6).83
6. Herstel van kapitalistische uitbuiting en privaat eigendom
De decollectivisatie van de landbouw, de versterking van marktwerking in de industrie, de commercialisering van het financiële stelsel, de integratie in de kapitalistische wereldmarkt, de versterking van marktwerking en warenproductie, de bepaling van de winst als criterium of doel van de productie ook in de staatssector en de bepaling van prijzen op basis van de waardewet en de markt, zijn allemaal aspecten van de herintroductie en versterking van de kapitalistische verhoudingen in China sinds 1978. In dat proces zijn er echter enkele ontwikkelingen die nader uitgelicht moeten worden omdat deze bepalend zijn voor het klassenkarakter van China.
6.1 Herstel van de loonarbeid
In het vorige hoofdstuk werd beschreven hoe de economische hervormingen ertoe leidden dat er in de loop van de jaren ’80 en in het bijzonder de jaren ’90 een arbeidsmarkt is ontstaan. Die ontwikkelingen in de allocatie van de arbeidskracht zijn van bijzonder belang als het gaat om het karakter van de Chinese economie.
Het is niet alleen zo dat de tot-waar-wording van de arbeidskracht de beslissende rol van de markt in de productie veralgemeniseerd. De implicaties zijn groter, want in de mate dat de arbeidskracht een waar is, is er sprake van kapitalistische productieverhoudingen. Kapitalisme is immers niets anders dan “warenproductie op de hoogste trap van haar ontwikkeling, wanneer ook de arbeidskracht tot waar wordt.”84
De ontwikkelingen in de allocatie van de arbeidskracht tonen dat er in China niet slechts sprake is van een voortbestaan van warenverhoudingen, of zelfs een versterking ervan, maar dat er sprake is van een versterking van kapitalistische verhoudingen, van de uitbuitingsverhouding loonarbeid-kapitaal.
Dit betreft niet alleen de private en coöperatieve sector, maar ook de staatssector. Want ook de staatsbedrijven functioneerden in de loop van de jaren ’90 steeds meer zonder centrale planning, produceerden waren, en de arbeidskracht die ze aanstelden werd ook een waar. In de mate dat deze verhoudingen in de staatsbedrijven overheersen, is er geen sprake van socialistisch staatseigendom of maatschappelijk eigendom, maar staatseigendom van bedrijven die op kapitalistische wijze functioneren.
6.2 Privatisering van de industrie: ‘het kleine en middelgrote loslaten’
In de loop van de jaren ’80 en ’90 zorgde de differentiatie van de lonen en de vrijheid om bonussen uit te keren op basis van de winst die (staats-) bedrijven maakten ervoor dat het management van bedrijven het veelvoudige verdiende van de gewone arbeiders, en dat ze zo in staat waren om een gedeelte van de ‘winst’ van de staatsbedrijven toe te eigenen.
Die toe-eigening vond op grote schaal ook via minder legale wegen plaats. Een bekend probleem na de hervorming van het prijzenstelsel in 1984 was dat managers producten tegen de staatsprijzen opkochten om ze vervolgens tegen de marktprijzen te verkopen, of producten werden verkocht tegen de marktprijs waarbij het verschil in eigen zak werd gestopt. Dat de prijzen vanaf 1988 volledig aan de markt werden overgelaten vergemakkelijkte de zichtbare en minder zichtbare verrijking door de bestuurders van bedrijven.
Op die basis ontstond of versterkte zich binnen de sfeer van de socialistische staatssector een sociale laag die belang had bij het herstel van het private eigendom, die aansloot bij belangen van lagen uit de boerenstand en de detailhandel, die hun de facto eigendom over hun bedrijven wilden verankeren. Het private eigendom was nooit geheel uitgebannen in China, maar was nieuw leven ingeblazen met de privatisering van de landbouw, de detailhandel op het platteland, de groei van het coöperatief eigendom in de industrie en de hervormingen in de staatsindustrie.
In dat kader werd in 1988 artikel 11 van de Grondwet als volgt geamendeerd: “De staat staat toe dat de private sector van de economie binnen de wettelijk vastgestelde grenzen bestaat en zich ontwikkelt. De particuliere sector van de economie vormt een aanvulling op de socialistische maatschappelijke economie.”85
Op het 14e Partijcongres in 1992 werd het private eigendom voor het eerst openlijk omarmt op een Partijcongres. Voor het eerst noemde de CPC op haar Congres dat naast het staats- en coöperatief eigendom ook het privaat eigendom zou moeten blijven bestaan en zelfs moet worden bevorderd in het socialisme. Private bedrijven zouden “het socialisme geen kwaad doen, maar juist ten goede komen.”86 De private sector, bestaande uit binnenlandse private bedrijven en buitenlandse bedrijven, werd als een ‘aanvulling’ op de economie bestempeld, waarmee staatsbedrijven moesten “concurreren in de markt op gelijke voet.”87
Het Congres besloot onder andere tot de omvorming van staatsbedrijven tot vennootschappen of NV’s (waarvan het eigendom dus is opgedeeld in aandelen). Daarmee werd de grootschalige verweving van privaat kapitaal en de staatssector ingeluid. Ook werd bepaald dat relatief kleine staatsbedrijven moesten worden uitbesteed of verkocht aan coöperaties of individuen.88
In de periode 1978-1995 daalde het aandeel van staatsbedrijven in de industriële productie van 78% naar 34%.89 Vanaf 1995 voerde de CPC het beleid van ‘vasthouden aan het grote en het kleine en middelgrote laten gaan’. Dat beleid kwam erop neer dat het staatseigendom zich moest beperken tot grote bedrijven die van strategisch belang waren. In de periode 1995-1998 werden meer dan een half miljoen staatsbedrijven gesloten, gefuseerd of verkocht (geprivatiseerd), waarbij ongeveer 30 miljoen werkers hun baan verloren.
Dit beleid werd bekrachtigd op het 15e Partijcongres in 1997, waarin de rol van het private eigendom en het doel van de uitbreiding van de private sector nog veel sterker werd onderschreven dan op het vorige congres. Ook werd benadrukt dat de juridische bescherming van het private eigendom moest worden verbeterd en ‘eerlijke concurrentie’ moest worden gewaarborgd.90 In dat jaar werden massaontslagen toegestaan in staatsbedrijven, die immers geconfronteerd werden met forse concurrentie van de private sector. Dat had effect op tientallen miljoenen arbeiders.
Staatsbedrijven werden verder hervormd, op basis van de realiteit dat het privaat kapitaal daarin een grote rol speelt, waarbij het uitgangspunt werd dat de staatsbedrijven autonoom opereren.
Concluderend kan geconstateerd worden dat met deze ontwikkelingen het private eigendom, nadat het in de jaren ’80 de facto al werd uitgebreid in met name de agrarische sector en de detailhandel, in de loop van de jaren ’90 de facto en de jure volledig werd hersteld in alle sectoren van de Chinese economie.
Sinds 2001 mogen kapitalisten ook formeel lid zijn van de CPC, wat overigens als veel langer de realiteit was.91 Kapitalisten worden door de CPC gekenmerkt als ‘mede-bouwers’ van de socialistische maatschappij: “De meeste mensen in deze nieuwe sociale lagen hebben door eerlijke arbeid of door legitieme zakelijke activiteiten bijgedragen aan de ontwikkeling van de productiekrachten en andere initiatieven in de socialistische samenleving. Zij sluiten zich aan bij de arbeiders, boeren, intellectuelen, kaderleden en de officieren en manschappen van het Volksbevrijdingsleger in hun streven om het socialisme met Chinese kenmerken op te bouwen”92
6.3 Klassenstrijd
Volgens publicaties uit de eerste jaren van de hervormingen, leverden deze maatregelen op korte termijn allerlei voordelen op, zoals dat bedrijven efficiënter werkten, productie beter werd afgestemd op behoeften en verbetering van welzijnsfaciliteiten voor werkers.93 Bedrijven zouden volgens deze publicaties zelf initiatief nemen om efficiëntie en kwaliteit van de productie te verbeteren, productiemiddelen te vervangen en innovaties te implementeren.94
Tegelijkertijd waren er ook signalen dat nieuwe disanalogieën en economische problemen zich voordeden. Problemen die juist ontstonden door de ingevoerde marktwerking, maar die de partij wilde oplossen door het zelfbeheer te versterken.95
Op de lange termijn zaagden al deze maatregelen aan de fundamenten van de socialistische economie. Ze losten reële problemen niet op in de richting van de socialistische opbouw, maar probeerden dat juist met recepten en maatregelen uit het kapitalisme. De gevolgen waren ook merkbaar voor de bevolking.
Structureel onbetaalde overuren onder de dreiging van werkloosheid waren in de speciaal economische zones al gauw gemeengoed, en zulke verschijnselen veralgemeniseerden met de hervormingen in het arbeidsrecht en het loonstelsel. Het winstbejag van de managers werd een drijfkracht voor hevige uitbuiting en verschrikkelijke arbeidsomstandigheden. Dit werd in de hand gewerkt doordat miljoenen boeren in de nasleep van de decollectivisatie naar de steden trokken, waar ze door de manier waarop de publieke voorzieningen geregeld waren tussen en wal en schip vielen en volledig afhankelijk waren van de werkgever.
Door het overlaten van de prijzen aan de markt werd China eind jaren ’80 bovendien geplaagd door hevige inflatie, met als gevolg onrust en onvrede onder de bevolking.96 Dit gold niet alleen voor de stedelijke bevolking, maar ook voor de talrijke boeren op het platteland voor wie de decollectivisatie minder voordelig had uitgepakt.
Zo namen de klassentegenstellingen toe, in een complexe internationale context en een diepe crisis in de internationale communistische beweging. De strijd tegen ‘corruptie’ is daarbij steeds het antwoord geweest van de CPC, maar de wortel van het probleem was het beleid dat een inherent corrupt systeem deed herleven.
7. De Chinese economie in de 21ste eeuw
In het kader van het beleid van ‘hervormen en openstellen’ dat in 1978 werd geïnitieerd, zijn de privatiseringen en andere markthervormingen voortgezet in de 21ste eeuw. Enkele actuele statistieken geven een beeld van de huidige economische verhoudingen.
Inmiddels is volgens het Nationaal Bureau van Statistiek van China slechts 0,98% van het totaal aantal bedrijven in China staatseigendom, 0,45% coöperatief eigendom en 97,65% privaat eigendom.97 Volgens de Chinese overheid komt ongeveer 60% van het Chinese BBP van de private sector en de rest uit gemixte en overheidsbedrijven.98 Geschat werd in 2017 dat dat staatsbedrijven bijdroegen aan ongeveer 25% van het BBP en 5-16% van de werkgelegenheid.99
De Chinese economie kent enorme private monopolies met tienduizenden of zelfs honderdduizenden arbeiders in de industrie, handel en financiële sector. Hengli, Tencent, Ping An, JD, Alibaba zijn slechts enkele bekende voorbeelden. Het staatseigendom kent vooral een rol in bepaalde grote bedrijven in sectoren die van strategisch belang worden geacht.
Vandaag de dag werken bijna drie keer zoveel industriearbeiders in de private sector als de staatssector, waarbij het aantal arbeiders in staatsbedrijven in de industrie tussen 1998 en 2024 is gedaald met 64,5%, terwijl in dezelfde periode het aantal arbeiders in private industriebedrijven steeg met 2188,8%.
Deze ontwikkelingen hebben ook hun weerslag in de inkomensongelijkheid en klassendifferentiatie in China. Het land kent in 2026 meer dan 6 miljoen miljonairs en bronnen schatten –afhankelijk van de meetmethode– meer dan 500 of meer dan 1000 miljardairs.100 Interessant is dat deze miljonairs ook verbonden zijn aan staatsbedrijven en lid zijn van de regeringspartij.101
Aan de andere kant heeft de arbeidersklasse verworvenheden van de socialistische revolutie verloren in de loop van de markthervormingen. In de eerste plaats het recht op werk. De werkloosheid in China is ongeveer 5%, waarbij het ontslagrecht over de jaren heen steeds verder is versoepelt en er nog een beperkt sociaal vangnet bestaat. De publieke voorzieningen die China geërfd heeft uit de socialistische opbouw, waaronder zorg, onderwijs en volkshuisvesting, zijn in grote mate gecommercialiseerd en geprivatiseerd.
Deze statistieken zijn slechts losse indicatoren, die samen echter wel een beeld geven van het herstel van de kapitalistische verhoudingen in de economie.
Deze economische verhoudingen zijn ook uiteindelijk bepalend voor de ontwikkelingen in de bovenbouw. De aanpassingen in de grondwet, waar het private eigendom weer stevig wordt verankerd, alsmede de ontwikkelingen in de samenstelling van de CPC die kapitalisten niet alleen in de praktijk maar ook formeel-statutair als leden toestaat, zijn indicatief voor deze ontwikkeling in de bovenbouw, waar we omwille van de omvang van het artikel niet uitgebreid bij stil staan. Wel staan we beknopt wat specifieker stil bij enkele recentere economische ontwikkelingen sinds 2012.
7.1 Hervormingen sinds 2012
Op het 18e Partijcongres in 2012 werd Xi Jinping verkozen tot algemeen secretaris van het CC van de CPC, en in 2013 werd hij aangesteld als president. Zijn termijn begon met een grootschalige anti-corruptie campagne, die zou zijn gericht tegen partijleden in de hogere organen die aan zelfverrijking deden. Er wordt weleens de indruk gewekt dat China sinds 2012 zich weer meer richting het socialisme zou bewegen en daarom staan we hier kort stil bij de politiek die sindsdien is gevoerd.
Op basis van de besluiten van het 18e Congres, vond in november 2013 de derde vergadering van het 18e Centraal Comité plaats. Er werden een grote reeks hervormingen ingevoerd, die voornamelijk waren gericht op het versterken van de interne markt van China enerzijds, en het uitbreiden van de export van kapitaal anderzijds. Een greep uit de maatregelen voor de interne markt die toen werden vastgesteld wordt hier opgesomd, en we zullen vervolgens nader ingaan op de export van kapitaal.
Allereerst moest de markt nog meer een ‘beslissende rol’ spelen in de allocatie van middelen. Volgens dit besluit moest men “de directe allocatie van middelen door de overheid aanzienlijk verminderen en de toewijzing van middelen op basis van marktregels, marktprijzen en marktconcurrentie bevorderen.”102 De eerdergenoemde theorie uit de burgerlijke economie dat de overheid er vooral is om ‘marktfalen’ te beperken werd hier formeel overgenomen: “De verantwoordelijkheden en taken van de overheid bestaan voornamelijk uit … het opvangen van marktfalen."103
Ten tweede werd, in het verlengde van het voorgaande, bepaald dat prijscontroles verder moesten worden beperkt en zoveel mogelijk worden bepaald door de markt, waarbij besloten werd de prijzen te liberaliseren voor water, olie, gas, elektriciteit en transport (wat dus ook betekende dat staatsbedrijven geen gebruik meer kunnen maken van gesubsidieerde prijzen). Prijscontroles moesten worden beperkt tot publieke voorzieningen en verzekeringen.
Ten derde werd bepaald dat private bedrijven moesten worden aangemoedigd om te investeren in staatsbedrijven en deze zelfs te beheren, meer specifiek om “de ontwikkeling stimuleren van ondernemingen met gemengd eigendom die onder controle staan van niet-publiek kapitaal.”104
Ten vierde moest het recht op privaat eigendom worden versterkt, met name op het gebied van intellectuele eigendomsrechten en eigendomsrechten in de landbouw.
Ten vijfde werd besloten onderwijs- en zorginstellingen te hervormen en te scheiden van de overheid, te runnen op basis van ‘corporate governance’ en zelfs om “de omvorming van in aanmerking komende openbare instellingen tot ondernemingen” te bevorderen. Ook werd besloten tot verdere liberalisering in financiële sector, onderwijs, cultuur en gezondheidszorg, met het opheffen van restricties voor buitenlandse investeringen.
Ten zesde moest de sociale zekerheid worden hervormd, met nadruk op het versteken van individuele verzekeringen en het openstellen van sociale zekerheidsfondsen voor de markt.105
Al deze maatregelen laten zien dat het 18e Congres en de daaropvolgende besluiten van het Centraal Comité geen keerpunt markeerde waarbij de CPC zich weer op het socialisme ging oriënteren. In tegendeel, het beleid van privatisering en liberalisering werd juist verder uitgewerkt. Dezelfde lijn werd voortgezet en verder uitgewerkt op het 19e en 20e Congres van de CPC.
Dat gezegd hebbende, werd in dit besluit van het 18e Centraal Comité veel nadruk gelegd op hervormingen in de bovenbouw en het ontwikkelen van een “socialistische culturele macht”. Daarbij zou men “de socialistische kernwaarden koesteren en in praktijk brengen, en de leidende rol van het marxisme op ideologisch gebied versterken.” In dat licht kan misschien worden geconstateerd dat de CPC in de jaren na het 18e Congres vaker verwees naar marxisme en marxistische terminologie. Zo zou het marxisme ook meer benadrukt worden in het onderwijs. Maar dit betreft een cultureel verschijnsel en weerspiegelt niet de inhoud van de politiek van de CPC, laat staan de ontwikkeling van de klassenverhoudingen.
Daarbij is het ook de vraag wat de inhoud is van dit ‘marxisme’ dat wordt onderwezen. In een eerder gepubliceerd artikel, waar we ingingen op de theoretische onderbouwing van de hervormingen sinds 1978, wezen we al op de veelzijdige verdraaiing van de marxistische theorie door de CPC.106 Vandaag de dag gaat dat nog veel verder, waarbij bijvoorbeeld socialisme wordt gezien als een systeem gebaseerd op kapitaal en winstbejag. Xi Jinping : “Karl Marx en Friedrich Engels hadden zich niet voorgesteld dat een markteconomie mogelijk is binnen het socialisme. Daardoor konden zij niet voorzien hoe socialistische landen met kapitaal zouden moeten omgaan. (…) Hoewel kapitaal in een socialistische economie in veel opzichten inherent verschilt van dat in een kapitalistische economie, hebben beide een natuurlijke neiging om winst na te streven. (…) We moeten onderzoeken hoe we de positieve bijdrage van kapitaal aan de socialistische markteconomie kunnen versterken en tegelijkertijd de negatieve effecten ervan onder controle kunnen houden.”107
7.2 Nieuwe zijderoute
We noemden eerder dat China zich vanaf 1979 openstelde voor de wereldmarkt en ook zelf economische activiteit ontwikkelde in het buitenland in de vorm van kapitaalexport. In dat kader staat ook het ‘One Belt, One Road’ initiatief, ook wel bekend als de ‘Nieuwe Zijderoute’, dat in 2013 werd aangekondigd.108 Het betreft een project voor de constructie van infrastructuur van China door Centraal-Azië en Iran naar Europa, en over zee via met name de Stille en Indische oceaan, en de Arabische, Rode en Middellandse zee. Om de export van goederen en kapitaal te faciliteren zijn allerlei commerciële en financiële initiatieven genomen, zoals de oprichting van de ‘Asian Infrastructure Investment Bank’ in 2015 als concurrent van de IMF en de Wereldbank.
Omdat China zich in het buitenlandsbeleid en handel zegt te committeren aan beginselen zoals non-interventie en wederzijds voordeel, worden Chinese investeringen soms gezien als onderdeel van een vredelievende politiek, of als een stap richting ‘multipolariteit’ waarmee een rechtvaardige en gelijkwaardige wereldorde zou ontstaan binnen het kader van kapitalistische productieverhoudingen en de negatieve invloed van het Amerikaans imperialisme zou kunnen worden beperkt. Deze theorie hebben we in eerder gepubliceerde artikelen bekritiseerd. We zullen hier niet zozeer stil staan bij de politieke en strategische aspecten hiervan, maar we staan wel kort stil bij de economische verhoudingen die zich voordoen bij de talrijke investeringen van China in het Buitenland.
Op het moment dat er directe investeringen plaatsvinden door in het buitenland fabrieken, mijnen, kantoren of andere bedrijven op te zetten of over te nemen, die functioneren in de sfeer van kapitalistische productieverhoudingen, of wanneer er in de vorm van leningen kapitaal beschikbaar wordt gemaakt voor zulke economische activiteit, dan is er sprake van export van kapitaal. Er wordt immers een maatschappelijke verhouding tussen loonarbeid en kapitaal opgezet in, of ‘geëxporteerd’ naar, een ander land. Of dat bedrijf een privaat of staatsbedrijf is en of het afkomstig is uit een land dat wel of niet bezig is met socialistische opbouw, heeft geen invloed op het karakter van de kapitalistische maatschappelijke productieverhouding die zich voordoet. China exporteert op grote schaal kapitaal, waarbij zowel private bedrijven als staatsbedrijven betrokken zijn.
Met de Nieuwe Zijderoute maken grote Chinese bedrijven winst, vergroten ze hun marktaandeel en afzetmarkten, en stellen ze grondstoffen en transportroutes veilig die ook voor de industrie in China en de warenexport van belang zijn.
Investeringen en leningen creëren altijd afhankelijkheidsrelaties. Dat is eigen aan kapitaalexport. Er is geen gelijkwaardige internationale orde mogelijk binnen de kaders van het kapitalisme, een in de kern ongelijkwaardig systeem.
China werkt op internationaal vlak nauw samen met andere kapitalistische landen in imperialistische machtsblokken, zoals de BRICS en de Shanghai Samenwerkingsorganisatie.
8. Nawoord
In dit artikel is de historische ontwikkeling van de productieverhoudingen in China sinds 1978 tot vandaag onder de loep genomen, met als doel bij te dragen aan het inzicht in het hedendaagse klassenkarakter van China.
Vanzelfsprekend zijn deze ontwikkeling te complex om in één artikel volledig te ondervangen. We hebben ons gericht op de hoofdlijnen, die vooral ook aanknopingspunten bieden voor verdere studie.
In hoofdlijnen is duidelijk dat sinds 1978 ingrijpende veranderingen in de productie- en distributieverhoudingen hebben plaatsgevonden met het beleid van het ‘hervormen en openstellen’. De centrale planning is de facto en de jure afgeschaft ten gunste van het herstel van de beslissende rol van de markt in de allocatie van productiekrachten en producten. De staatinterventie van de Chinese overheid in de economie in de vorm van macro-economisch beleid is, zoals eerder besproken, geen vorm van centrale planning.
Het belangrijkste keerpunt in deze historische ontwikkeling van kapitalistisch herstel was waarschijnlijk de tot-waar-wording van de belangrijkste productiekracht, de arbeidskracht. Dit veralgemeniseerde de warenverhoudingen in de economie en herstelde de tegenstelling arbeid-kapitaal.
Als we kijken naar de eigendomsverhoudingen, dan is duidelijk dat de landbouw vanaf 1978 binnen enkele jaren de facto werd gedecollectiviseerd, en dat in de loop van de jaren ’80, ’90 en ’00 de industrie en financiële sector grotendeels zijn geprivatiseerd. Echter opereert ook de staatssector in China binnen de sfeer van de kapitalistische productieverhoudingen en op basis van de wetten van de kapitalistische productiewijze. Er is geen sprake meer van maatschappelijk eigendom in het hedendaagse China.
Deze ontwikkeling toont waar opportunistische theorieën die kapitalistische verhoudingen als socialistische bestempelen, zoals de theorie van de ‘socialistische markteconomie’, onvermijdelijk eindigen als we ze niet tijdig worden gecorrigeerd, namelijk in het herstel van de kapitalistische productiewijze. Zulke opvattingen geven uiting aan klassenbelangen en deze ontwikkeling toont daarom ook het belang aan van de klassenstrijd in de periode van de socialistische opbouw.
De historische ontwikkeling bevestigt de inschatting die de NCPN reeds op haar 7e Congres maakte dat de China vandaag de dag een land waarin de kapitalistische productiewijze dominant is. Het betreft een kapitalistisch land waarin monopolies de economie domineren. Monopolies die ook kapitaal exporteren en een steeds prominentere rol spelen op het wereldtoneel.
Om de complexe actuele internationale ontwikkelingen goed te begrijpen, is het voor de arbeidersbeweging van belang deze ontwikkelingen in het klassenkarakter van China te doorgronden. Tegelijkertijd biedt de historische ontwikkeling van de klassenverhoudingen in China waardevolle lessen over de strategie voor de socialistische opbouw, die de opvatting van en strategie voor het socialisme kunnen versterken.
- 7e Congres NCPN, Politiek besluit, p. 14. Digitaal op: https://ncpn.nl/wp-content/uploads/2022/06/7e-Congres-Politiek-besluit.pdf.
- “De strategie van de Communistische Partij van China: van revolutie naar het omslagpunt in 1978”, Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN (2025), op: https://leesmanifest.nl/artikelen/de-strategie-van-de-communistische-partij-van-china
- “Theoretische onderbouwing van de hervormingen in China sinds 1978, Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN (2026), op https://leesmanifest.nl/artikelen/theoretische-onderbouwing-van-de-hervormingen-in-china-sinds-1978/
- 7e Congres NCPN, Politiek besluit, p. 14. Digitaal op: https://ncpn.nl/wp-content/uploads/2022/06/7e-Congres-Politiek-besluit.pdf.
- “Over de rol van de communistische partij in de socialistische opbouw”, Aleka Papariga (2026), op https://leesmanifest.nl/artikelen/over-de-rol-van-de-communistische-partij-in-de-socialistische-opbouw/.
- Zie: “De strategie van de Communistische Partij van China: van revolutie naar het omslagpunt in 1978”, Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN (2025), op: https://leesmanifest.nl/artikelen/de-strategie-van-de-communistische-partij-van-china/
- Li Chengrui en Zhang Zhuoyan, “Only proportionate development can ensure high speed.” Beijing Review, 11 mei 1979, 17-18. Shi Zhengwen, “Readjusting the national economy: why and how?. Beijing Review, 29 juni 1979, 13-14.
- Xue Muqiao, “A study in the planned management of the socialist economy.” Beijing Review, 26 oktober 1979, 15.
- Centraal Comité van de CPC, Besluit over bepaalde kwesties omtrent de versnelling van de ontwikkeling in de landbouw (1979). Zie ook: Centraal Comité van de CPC, National rural work meeting minutes (1982). Centraal Comité van de CPC, “Decision on Reform of the Economic Structure”, Beijing Review, 29 oktober 1984, bijlage.
- Zie: “Theoretische onderbouwing van de hervormingen in China sinds 1978, Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN (2026), op https://leesmanifest.nl/artikelen/theoretische-onderbouwing-van-de-hervormingen-in-china-sinds-1978
- “Theoretische onderbouwing van de hervormingen in China sinds 1978, Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN (2026), op https://leesmanifest.nl/artikelen/theoretische-onderbouwing-van-de-hervormingen-in-china-sinds-1978
- Redactie, “Rural contract.” Beijing Review, 10 november 1980, 5-6. Wang Dacheng, “Small plots for private use.” Beijing Review, 29 juni 1981, 3-4. Redactie, “The agricultural development programme.” Beijing Review, 24 maart 1980, 14-20. Redactie, “Restructuring the agricultural economy.” Beijing Review, 23 juni 1980, 4-5. Redactie, “Helping the peasants to be better off.” Beijing Review, 2 juni 1980, 5-6. Lu Yun, “Rural responsibility system: Peasants’ initiative unleashed by contracts.” Beijing Review, 29 oktober 1984, 18-29.
- Redactie, “The agricultural development programme.” Beijing Review, 24 maart 1980, 14-20. Redactie, “Restructuring the agricultural economy.” Beijing Review, 23 juni 1980, 4-5. Redactie, “No intervention in rural cultivation plan.” Beijing Review, 15 december 1980, 4. Redactie, “State purchases of grain reduced.” Beijing Review, 15 september 1980, 7.
- Redactie, “Developing local economy according to specific conditions.” Beijing Review, 16 juni 1980, 4-6.
- Idem. Zie ook: Redactie, “Helping the peasants to be better off.” Beijing Review, 2 juni 1980, 5-6.
- Redactie, “Peasants own tractors, trucks.” Beijing Review, 2 juli 1984, 8-9.
- Maurice Meisner, Mao’s China and After, 473-474.
- Dai Yuanchen, “Different prices for farm products.” Beijing Review, 22 augustus 1983, 21-24.
- Zhun Xu, From Commune to Capitalism, 39.
- Jin Qi, “Free markets.” Beijing Review, 19 januari 1981, 3. Du Runsheng, “Good beginning for reform of rural economic system.” Beijing Review, 30 november 1981, 15-20.
- Lu Yun, “Using foreign investment in agriculture.” Beijing Review, 20 februari 1984, 18-20. Xing Qinjiao, “Agricultural tax to be scrapped from 2006.” China Daily, 6 maart 2005.
- Centraal Comité van de CPC, Decision on Several Major Issues Concerning Agriculture and Rural Work (1998).
- Zhun Xu, From Commune to Capitalism, 76-77.
- Redactie, “Let some localities and peasants prosper first.” Beijing Review, 19 januari 1981, 19-26. Redactie, “A system that mobilizes peasants’ enthusiasm.” Beijing Review, 27 april 1981, 6-7. Jin Qi, “The income gap.” Beijing Review, 21 juni 1982, 3-4. Lu Yun, “Gap between rich and poor is bridged.” Beijing Review, 12 november 1984, 24-27.
- “Theoretische onderbouwing van de hervormingen in China sinds 1978, Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN (2026), op https://leesmanifest.nl/artikelen/theoretische-onderbouwing-van-de-hervormingen-in-china-sinds-1978
- Wang Dacheng, “Will Peasants be polarized by changes.” Beijing Review, 18 november 1985, 4-5.
- Huaiyin Li, Village China, 270.
Zhun Xu, “The Political Economy of Decollectivization in China.” Monthly Review, 65 (1), 17-36. - Ivan Szelenyi, Privatizing the Land, 116.
- Redactie, “Dovetailing production with market demand.” Beijing Review, 25 mei 1979, 8.
- Redactie Renmin Ribao, “Tapping the potential of existing enterprises.” Beijing Review, 1 juni 1979, 3-4.
- Zie: “Theoretische onderbouwing van de hervormingen in China sinds 1978, Commisie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN (2026), op https://leesmanifest.nl/artikelen/theoretische-onderbouwing-van-de-hervormingen-in-china-sinds-1978
- Redactie, “Historic shift: all-out effort for modernization.” Beijing Review, 5 januari 1979, 7-8.
- Du Ziduan, “Light industry: readjustment and development.” Beijing Review, 8 juni 1979, 4-5. Betreft passages uit een interview met Du Ziduan, vice-minister van lichte industrie, dat oorspronkelijk was gepubliceerd in Gongren Ribao.
Redactie, “For more and better consumer goods.” Beijing Review, 16 maart 1979, 4-5.
Tian Yun, “More consumer goods: an important aim in readjustment of the national economy.” Beijing Review, 24 november 1980, 20-23. - Han Guang, “Capital construction: achievements and problems.” Beijing Review, 29 maart 1982, 17-20.
- Redactie, “Light industry leads the way.” Beijing Review, 5 mei 1980, 6-7.
State Statistical Bureau, “Readjustment of economy yields results.” Beijing Review, 25 augustus 1980, 5-6.
Redactie, “Changes in light and heavy industries’ proportion.” Beijing Review, 26 januari 1981, 7-8. - State Statistical Bureau, “Readjustment of economy yields results.” Beijing Review, 25 augustus 1980, 5-6.
- Zhu Qingfang, “Major economic and social achievements.” Beijing Review, 1 oktober 1984, 16-20.
- Zhu Qingfang, “Major economic and social achievements.” Beijing Review, 1 oktober 1984, 16-20.
- Redactie, “Handicraft industry”. Beijing Review, 10 augustus 1979, 7.
- “Theoretische onderbouwing van de hervormingen in China sinds 1978, Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN (2026), op https://leesmanifest.nl/artikelen/theoretische-onderbouwing-van-de-hervormingen-in-china-sinds-1978/.
- Hu Yaobang, Report at the 12th National Congress of the CPC. https://cpc.people.com.cn/GB/64162/64168/64565/65448/4526430.html
- “Theoretische onderbouwing van de hervormingen in China sinds 1978, Commisie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN (2026), op https://leesmanifest.nl/artikelen/theoretische-onderbouwing-van-de-hervormingen-in-china-sinds-1978/.
- Redactie, “Self-management enlives enterprises.” Beijing Review, 25 maart 1980, 25-26.
- Redactie, “For higher efficiency.” Beijing Review, 27 april 1979.
- Redactie, “Changes in capital construction investment system.” Beijing Review, 13 april 1979, 4-5.
- Redactie, “Industrial situation.” Beijing Review, 28 september 1981, 5-6.
- Redactie, “Discussion on bonusses.” Beijing Review, 20 april 1979.
Redactie, “Stress on moral encouragement or material reward?” Bejing Review, 1 juni 1979, 7. - Redactie, “Improving wage system.” Beijing Review, 22 juni 1981, 5-6.
- Redactie, “Greater power for the enterprises.” Beijing Review, 21 januari 1980, 5.
Redactie, “Part of profit to enterprises.” Beijing Review, 18 februari 1980, 3-4. - Redactie, “Self-management enlives enterprises.” Beijing Review, 25 maart 1980, 25-26.
- Redactie, “Should there be competition in socialist economy?” Beijing Review, 2 juni 1980, 19-22. Er worden in diezelfde editie ook stukken gepubliceerd van Wu Tongguang, Jin Mingjun, Zhu, Jiaming.
- Redactie Renmin Ribao, “Readiustment in the course of advance.” Beijing Review, 6 april 1979, 3.
- Wang Dacheng, “Reforming the foreign trade structure.” Beijing Review, 22 oktober 1984, 4-5.
- https://www.britannica.com/money/special-economic-zone
- Redactie, “New rules benefit foreign investors.” Beijing Review, 2 juli1984, 7-8.
- Cao Guanlin, “Construction contracting and labour co-operation abroad.” Beijing Review, 26 december 1983, 27-29.
- Wang Dacheng, “Reforming the foreign trade structure.” Beijing Review, 22 oktober 1984, 4-5.
- Centraal Comité van de CPC, “Decision on Reform of the Economic Structure”, Beijing Review, 29 oktober 1984, bijlage.
- Idem.
- Idem.
- Hu Yaobang, Report at the 12th National Congress of the CPC, 1982.
- Centraal Comité van de CPC, “Decision on Reform of the Economic Structure”, Beijing Review, 29 oktober 1984, bijlage.
- Jiang Zemin, Report at 14th Party Congress, 1992.
- Jiang Zemin, Speech at the Third Plenary Session of the 14th CC of the CPC, 1993.
Zie ook: CC of the CPC, Communiqué of the Third Plenary Session of the 14th CC of the CPC, 1993. - Centraal Comité van de CPC, “Decision on Reform of the Economic Structure”, Beijing Review, 29 oktober 1984, bijlage.
Cheng Zhipping, “Price reform key to increasing production”, Beijing Review, 22 april 1985, 15-16,
Cheng Zhipping was directeur van het Staatsprijsbureau. - Nationaal Bureau van Statistiek van China, National Statistical Data Repository.
Zie ook: Xin Meng, Labour Market Reform in China (Cambridge: University Press, 2009).
F. Cai, A. Park en Y. Zhao, “The Chinese Labor Market in the Reform Era”, in: L. Brandt en T. G. Rawski (red.), China’s Great Economic Transformation (Cambridge: University Press, 2010).
Sarah Cook en Margaret Maurer-Fazio (red.), The workers’ state meets the market: labour in China’s transition (London: Routledge, 1999).
R. K. H. Yee (2006) “Impact of Reforms on the Labour System in China”, Policy and Society, 25 (1), p. 157-177.
L. Yuan en W. Shaobo, “Reform and Challenges in China’s Labor Market”, Studies in Sociology of Science, 5 (3), p. 128-132.
J. Knight en L. Song (1995), “Towards a labour market in China”, Oxford Review of Economic Policy, 11 (4), p. 97-117. - Zie eventueel de bronnen die in deze paragraaf gehanteerd worden, al geven die door gebrek aan marxistische methodologie niet altijd goed inzicht in de essentie van de ontwikkeling.
- Centraal Comité van de CPC, “Decision on Reform of the Economic Structure”, Beijing Review, 29 oktober 1984, bijlage.
- Zie: Nationaal Bureau van Statistiek van China, National Statistical Data Repository.
Xin Meng, Labour Market Reform in China (Cambridge: University Press, 2009).
F. Cai, A. Park en Y. Zhao, “The Chinese Labor Market in the Reform Era”, in: L. Brandt en T. G. Rawski (red.), China’s Great Economic Transformation (Cambridge: University Press, 2010).
Sarah Cook en Margaret Maurer-Fazio (red.), The workers’ state meets the market: labour in China’s transition (London: Routledge, 1999).
R. K. H. Yee (2006) “Impact of Reforms on the Labour System in China”, Policy and Society, 25 (1), p. 157-177.
L. Yuan en W. Shaobo, “Reform and Challenges in China’s Labor Market”, Studies in Sociology of Science, 5 (3), p. 128-132.
J. Knight en L. Song (1995), “Towards a labour market in China”, Oxford Review of Economic Policy, 11 (4), p. 97-117. - Idem.
- Idem.
- Idem.
- Omwille van de omvang van het artikel gaan we niet in detail in op de ontwikkelingen van het financiële stelsel tot 1978.
- “A Brief History”, People’s Bank of China, op: https://www.pbc.gov.cn/en/3688066/3688089/index.html.
- Dan Luo, The Development of the Chinese Financial System and Reform of Chinese Commercial Banks (Palgrave Macmillan, 2016).
Chunxia Jiang en Shujie Yao, Chinese Banking Reform (Palgrave Macmillan, 2017).
Wen Si, Banking Reform in China (Shanghai: Academy of Social Science, 2015).
Carl E. Watler en Fraser J. T. Howie, Red capitalism: the fragile financial foundation of China’s extraordinary rise (John Willy @ Sons, 2011). - Yin Jianfeng and Zhu Jinyuan (red.), 转型与发展:中国经济和中国保险业 [Transformation and Development: China's Economy and China's Insurance Industry], (China Social Sciences Press, 2014).
- Dan Luo, The Development of the Chinese Financial System and Reform of Chinese Commercial Banks (Palgrave Macmillan, 2016).
Chunxia Jiang en Shujie Yao, Chinese Banking Reform (Palgrave Macmillan, 2017).
Wen Si, Banking Reform in China (Shanghai: Academy of Social Science, 2015).
Carl E. Watler en Fraser J. T. Howie, Red capitalism: the fragile financial foundation of China’s extraordinary rise (John Willy @ Sons, 2011). - “Profile”, The Export-Import Bank of China, op: https://web.archive.org/web/20190512151239/http://english.eximbank.gov.cn/tm/en-TCN/index_617.html.
- Dan Luo, The Development of the Chinese Financial System and Reform of Chinese Commercial Banks (Palgrave Macmillan, 2016).
Chunxia Jiang en Shujie Yao, Chinese Banking Reform (Palgrave Macmillan, 2017).
Wen Si, Banking Reform in China (Shanghai: Academy of Social Science, 2015).
Carl E. Watler en Fraser J. T. Howie, Red capitalism: the fragile financial foundation of China’s extraordinary rise (John Willy @ Sons, 2011). - “China Banking Regulatory Commission”, China Daily (2006), op: https://www.chinadaily.com.cn/business///2006-11/14/content_732886.htm.
- Lamin Y. Leigh en Richard Podpiera, The Rise of Foreign Investment in China’s Banks (Internationaal Monetair Fonds, 2006).
- People’s Bank of China, China Financial Stability Report, 2016.
- The Financial Times Limited, The Banker Database, 2018.
- Lenin, Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme.
- Seventh National People’s Congress, Constitution of the People’s Republic of China (People's Daily, 1988).
- Jiang Zemin, Report at 14th Party Congress, 1992.
- Jiang Zemin, Report at 14th Party Congress, 1992.
- Jiang Zemin, Report at 14th Party Congress, 1992.
- Nationaal Bureau van Statistiek van China, National Statistical Data Repository.
- Jiang Zemin, Report at 15th Party Congress, 1997.
- In 2002 werd ook artikel 1 van de partijstatuten aangepast, waardoor naast “werkers, boeren, soldaten, intellectuelen” ook “andere vooraanstaande elementen van sociale klassen” lid konden worden.
16e Nationaal Congres van de CPC, Constitution of the CPC, 2002. - Jiang Zemin, On The Three Represents, (Foreign Languages Press, 2002), p. 200-201.
- Redactie, “Part of profit to enterprises.” Beijing Review, 18 februari 1980, 3-4.
- Redactie, “Greater power for enterprises.” Beijing Review, 2 juni 1980, 4.
- Jin Qi, “Controlling industrial development.” Beijing Review, 29 juli 1985, 4-5.
- Barry Naughton, The Chinese Economy (London: MIT Press, 2007), p. 99.
- Nationaal Bureau van Statistiek van China, Yearbook 2025.
Zie ook: “Official data: 96,4% of Chinese business entities from private sector”, State Council Information Office (2024), op: http://english.scio.gov.cn/pressroom/2024-06/14/content_117253322.htm. - “Private sector’s share of the Chinese economy”, CGTN (2025), op: https://news.cgtn.com/news/2025-02-17/Graphics-Private-sector-s-share-of-the-Chinese-economy-1B3T26J0MLe/p.html
Chunlin Zhang, How much do State-Owned Enterprises contribute to China’s GDP and employment? (World Bank, 2019). - Chunlin Zhang, How much do State-Owned Enterprises contribute to China’s GDP and employment? (World Bank, 2019).
Ter vergelijking: in Denemarken werkt een aanzienlijk groter aandeel van de beroepsbevolking in de publieke sector. “Employees”, Statistics Denmark (2026), op: https://www.dst.dk/en/Statistik/emner/arbejde-og-indkomst/beskaeftigelse-og-arbejdsloeshed/loenmodtagere - “Global Rich List 2026”, Hurun Research Institute, op: https://www.hurun.net/en-US/Info/Detail?num=FTJ5PSSPOWOF.
Yue Wang, “The 10 richest Chinese Billionaires 2026”, op: https://www.forbes.com/sites/ywang/2026/03/10/the-10-richest-chinese-billionaires-2026/. - Chong-En Bai, Chang-Tai Hsieh, Zheng Michael Song, Xin Wang, The rise of state-connected private owners in China (Cambridge: NBER, 2021).
- Centraal Comité van de CPC, Decision on several major issues concerning comprehensively deepening reform (2013).
- Idem.
- Idem.
- Idem.
- “Theoretische onderbouwing van de hervormingen in China sinds 1978, Commissie Ideologie van het Partijbestuur van de NCPN (2026), op https://leesmanifest.nl/artikelen/theoretische-onderbouwing-van-de-hervormingen-in-china-sinds-1978/.
- Xi Jinping, “Key issues in the new development stage”, The governance of China, deel 4 (Beijing: Foreign Languages Press, 2022), p. 243-244.
- Xi Jinping, “Work together to build the silk road economic belt” (2013), The governance of China, deel 1 (Beijing: Foreign Languages Press, 2014), p. 315-319.
Wil je een abonnement op Manifest?
Met jullie hulp garanderen we een communistische visie op de actualiteit in Nederland
Manifest is de krant van de NCPN die maandelijks verschijnt. Met Manifest blijf je op de hoogte van de actualiteit en van onze acties. Manifest belicht verschillende aspecten van de strijd in binnen- en buitenland, en publiceert analyses die inzicht bieden in de nationale en internationale ontwikkelingen vanuit een marxistisch-leninistisch perspectief. Neem nu een abonnement op Manifest of vraag een gratis proefabonnement aan.
Abonneer Nu!