Skip navigation
Partijgeschiedenis

Geen water bij de wijn

Waarom de liquidatie van de historische CPN geen einde maakte aan de communistische partij

Dit artikel verscheen in de editie van Manifest van dinsdag 6 oktober 2026

Foto: CPN

In 1991 werd besloten de CPN te ontbinden. Hoe heeft het zover kunnen komen? En waarom betekende dit niet het einde van de communistische partij? Wie hebben de partij voortgezet en waarom? Aan de hand van een aantal passages uit interviews die in het verleden zijn afgenomen, schetsen we een beeld van deze geschiedenis en wat we daarvan kunnen leren. Aan het woord komen verschillende kameraden die deze ontwikkelingen van dichtbij meemaakten, waarvan sommigen helaas niet meer onder ons zijn.

Dit artikel belicht slechts enkele aspecten van onze geschiedenis, aan de hand van de persoonlijke ervaringen en herinneringen van verschillende kameraden. Het is geen definitief verhaal, maar een bijdrage aan de studie over onze geschiedenis. De komende tijd zullen we meer artikelen publiceren waarin we met deze en andere kameraden terugkijken op verschillende momenten en ontwikkelingen van de communistische beweging.

De verkiezingsnederlaag van 1977

Rinze Visser, stratenmaker van beroep, staat bekend als het langstzittende gemeenteraadslid van Nederland. Hij werd in 1958 lid van de CPN en herinnert zich hoe de discussie over de principes van de partij eind jaren zeventig werd opengebroken, in een tijd dat hij al raadslid was.

“De parlementsverkiezingen van 1977 waren voor de CPN een grote teleurstelling”, vertelde Rinze. “We hadden zeven kamerzetels en daar bleven er nog twee van over. Deze verkiezingen vonden onder bijzondere omstandigheden plaats: een treinkaping en gijzeling van een school door een Molukse nationale groepering. De zittende regering waarvan de PvdA deel uitmaakt, was toen elke minuut van de dag positief in het nieuws.”

Rinze legde uit hoe deze verkiezingsnederlaag een omslagpunt vormde. “De Partij en veel partijgenoten van de werkvloer speelden een belangrijke politieke rol bij de voorbereiding van de grote landelijk stakingen voor behoud van de automatische prijscompensatie onder leiding van de vakbeweging. En toch verloren we heel veel verkiezingsaanhang”, vertelde hij. “In de wandelgangen hoorde je soms oudere partijgenoten zich afvragen wat al die strijdlustigheid ons dan opgeleverd had. Ik denk dat het een combinatie was van deze teleurstelling en nieuwe burgerlijkheid. Daaruit volgde de aanname dat er vernieuwing nodig was. Wat een andere benoeming van afscheid van marxisme-leninisme en een wat verlate liefdesverklaring aan het eurocommunisme was.”

Gebrek aan ideologische scholing voor de nieuwe aanwas

Dit beeld herkende ook Wil van der Klift. Hij was scheepsmachinist en later welzijnswerker uit een communistisch gezin. In de loop van de jaren zeventig werd hij lid van de CPN en vervulde daarin verschillende kaderposities, waaronder als districtbestuurder van het district Den Haag. “In de Tweede Wereldoorlog was 60 procent van het kader vermoord”, vertelde Wil aangeslagen. “Na de oorlog stroomden veel progressieve sociaaldemocraten naar de CPN. Ik herinner me ook nog dat er zo veel figuren naar de CPN kwamen. Een tijd lang is het ook ‘in’ geweest om lid te worden van de CPN. Dan was je progressief.”

“Je had hier in Den Haag heel veel georganiseerde CPN’ers,” vervolgde Wil, “maar veel waren geen communist. Ze zeiden het wel, maar ze waren het niet. De kern daarvan was dat de ideologische opleiding zwak was.” Wil zelf bezat nog scholingsboekjes van de CPN die stammen uit de jaren vijftig. “Toen werd er nog geschoold. Echt ook marxisme-leninisme. Maar later werden die scholingen eigenlijk gewoon een voorbereiding op activiteiten die je deed.” Tijdens scholing werd bijvoorbeeld aandacht besteed aan het leren spreken in het openbaar. “Maar niet de ideologie. Niet het marxisme-leninisme. Juist die scholingen vonden sinds eind jaren vijftig of begin zestig nauwelijks meer plaats.”

Tineke van der Klift, ook CPN-lid en actief in de vakbond en de Nederlandse Vrouwenbeweging, vulde Wil aan met een lichte maar zichtbare frustratie: “Ik heb bijvoorbeeld helemaal geen scholing gehad. Je moest het allemaal maar zelf uitzoeken. Er werd erg veel actie gevoerd, maar weinig ideologische scholing gegeven. Zo was het. Eigenlijk hoe meer actie je voerde, hoe beter je gevonden werd.”

Het werk in de arbeidersbeweging raakt op de achtergrond

“Door deze forse verkiezingsnederlaag ontstond er tumult door het optreden van Paul de Groot, het erelid van het Partijbestuur”, vertelde Rinze. “Deze beschuldigde de leiding van opportunisme en wegglijden van de communistische principes, erkende het Partijbestuur niet meer als leiding van de CPN en was bezig een alternatieve leiding te formeren. Er was dus crisis in de partij. Het Partijbestuur nam, om de crisis te bezweren, initiatieven tot een landelijke demonstratie in Den Haag en landelijke actie tegen de plannen vanuit de VS tot het ontwikkelen van de neutronenbom, een bom die mensen doodt en gebouwen heel laat. Deze actie ontwikkelde zich tot een grote beweging tegen kernwapens in het algemeen. Deze activiteiten hebben enige tijd de problemen in de CPN verdoezeld.”

De focus op de vredesstrijd paste in een algemenere tendens waarin de arbeidersbeweging steeds verder op de achtergrond raakte volgens Rinze, indertijd ook lid van het Partijbestuur van de CPN. “Voorzichtige discussiebijdragen over de verminderde aandacht voor de toestand in bedrijfstakken als scheepsbouw, woningbouw, havens, productiebedrijven etc. werden vanuit het Dagelijks Bestuur beantwoord met woorden als ‘ga maar actievoeren, wij houden je niet tegen’. Terwijl het erom ging dat er een tanende belangstelling voor de partijgenoten die in deze sectoren werkten was ontstaan.”

Rinze legde ook uit hoe de verminderde focus op de arbeidersbeweging ook de opportunistische opvatting versterkte dat een communistische partij niet meer nodig was: “In deze massale vredesbeweging werden de opportunisten gesterkt in hun opvatting dat de enige kracht van de CPN lag in het bij elkaar brengen van verschillende partijen. Zij die de CPN liever zagen verdwijnen, zagen meer en meer hun kans in de samenwerking met anderen.”

Maar Rinze benadrukte ook dat dit niet zonder strijd ging. “Pogingen van Partijbestuursleden die altijd een strijdbare rol op hun bedrijven speelden probeerden de discussie over de, op dat terrein, minder strijdbare opstelling van de partijleiding op gang te brengen. Met weinig respons als gevolg. Ik had het gevoel dat men die mensen liever kwijt wilde. Dit soort communisten waren immers geen aanbeveling voor de zo gewenste ‘progressieve samenwerking’, waarmee PSP, PPR en EVP en delen van de PvdA afgeschrikt zouden kunnen worden.”

Van marxisme-leninisme naar ‘pluriformiteit’

Rinze herinnerde zich nog goed hoe die ideologische strijd er in het Partijbestuur aan toe ging: “Er lag opeens een voorstel van de kandidaten-besprekingscommissie om tachtig mensen te kiezen voor het Partijbestuur. Dit was zo gedaan, zo bleek na enkele zittingen, om allerlei richtingen binnen het Partijbestuur te verzamelen. ‘Pluriform’, zo ging dat heten. Het was niet zo dat alle ‘gestaalde kaders’ uit het Partijbestuur verdwenen, maar ze raakten wel in een afgezonderde positie.”

“Ik begon mij steeds vaker te ergeren aan discussiebijdragen in het Partijbestuur”, herinnerde Rinze. “Ik was niet de enige. Met onder andere Fré Meis uit Groningen en Roel Walraven uit Amsterdam had ik wel eens een onderonsje over de verrechtsing in de partij. Allerlei burgerlijke opvattingen kwamen naar boven. Er werd gesproken en geschreven dat de partij en haar leden inspiratie putten uit meerdere bronnen. Marxisme-leninisme werd gedoogd als één van die meerdere bronnen. Inspiratie uit veel bronnen dus. Bijvoorbeeld het feminisme; de vredesbeweging; buurtacties voor voorzieningen; homo-emancipatie; acties voor gezondheidszorg; de kraakbeweging en nog veel meer. Dat al deze fronten voor een communistische partij nu juist het marxisme-leninisme als inspiratiebron hebben, dat was al lang niet meer leidend.”

“Naar aanleiding van het toen ook vaak gebruikte ‘water bij de wijn’ verwoordde ik het toen op het congres zo: ‘We putten eerst onze inspiratie uit slechts één bron en het water spatte alle kanten op; nu putten wij onze inspiratie uit heel veel bronnen met als gevolg dat het water niet meer spat, maar onze wijnkelder er mee volgelopen is.’ Hiermee te willen zeggen dat we opgehouden waren met een Communistische Partij te zijn. De verdeeldheid op dat congres komen niet beter worden weergegeven door applaus en boegeroep door elkaar.”

Horizontaal Overleg Communisten

Het democratisch centralisme is het organisatieprincipes van een communistische partij. Vrijheid van discussie en eenheid in actie, zoals het vaak wordt samengevat. Maar onder het mom van ‘pluriformiteit’ werd het democratisch centralisme in de CPN afgeschaft. “Er ontstonden allerlei ‘horizontale’ overleggen, waarin partijleden met specifieke interesses uit het land, zonder verantwoording aan de leidingen bij elkaar kwamen”, merkte Rinze op. “Zo werd ook de status van de partijafdeling uitgehold.”

Er ontstonden horizontale overleggen voor vrouwenstrijd, lhbti-strijd, milieu en allerlei andere vraagstukken. Met het gebrek aan scholing in het marxisme-leninisme en aan democratisch centralisme, raakte het communistische perspectief op deze vraagstukken steeds verder op de achtergrond. “Zij hebben een echte bom onder het democratisch centralisme, de materialistische analyse-methode, het marxisme-leninisme en dus de CPN gelegd,” vertelt Rik Min, indertijd bestuurslid van de CPN in Enschede.

Rinze vertelde hoe het HOC ontstond als reactie op deze tendens. “Het Horizontaal Overleg van Communisten (HOC) ontstond uit onvrede met de weg die de CPN was ingeslagen. Het initiatief kwam uit de CPN-afdeling Bijlmermeer-Amsterdam na een zeer drukbezochte bijeenkomst van ‘verontruste communisten’ in het Krasnapolski in Amsterdam waar ook enkele leden van het Partijbestuur van de CPN - waaronder ik - aanwezig waren,” vertelde Rinze, die zelf ook op die bijeenkomst sprak. “Ik herinner mij nog dat er daarna regelmatig een groep HOC-mensen bij elkaar kwam om te beraadslagen over de situatie in de CPN en hoe daar mee omgegaan moest worden en tegen opgetreden moest worden. Dat gebeurde meestal in de stad Utrecht op een vrijdagavond. Dan overnachtte ik bij een partijgenoot om de dag daarna weer richting Lemmer te gaan."

“Er werd het initiatief genomen een bulletin uit te geven (Manifest) om daarmee zoveel mogelijk kritische partijleden en eventuele sympathisanten voedsel te geven tegen de opportunistische koers van de CPN”, vertelde Rinze. “Uitgangspunt was om de CPN te behouden als een marxistisch-leninistische partij.”

Ook Wil was vanaf het begin betrokken bij het HOC: “Wij hebben altijd gezegd: ‘er is maar één horizontaal overleg dat niet verder ontwikkeld mocht worden en dat is het HOC.’ Alle andere dingen mochten en werden ook gefaciliteerd. Maar dit was de kern natuurlijk: hoe ging het verder met het gedachtegoed van de CPN? Dat was ook een kwestie van wat er in de maatschappij gebeurde.”

De liquidatie van de historische CPN

In 1984 vond een buitengewoon Congres van de CPN plaats. Gedurende drie weekenden van februari vond er een hevige interne strijd plaats. Het resultaat was dat een nieuwe, reformistische partijprogramma werd vastgesteld waarmee de CPN formeel afstand nam van het marxisme-leninisme. In wezen hield de partij toen op een communistische partij te zijn. De partij oriënteerde zich op verregaande samenwerking met andere, opportunistische partijen. Het was duidelijk dat er werd aangestuurd op de liquidatie van de partij. “Het ging natuurlijk geleidelijk aan”, merkte Wil op. “Toen duidelijk werd dat de leiding van de toenmalige CPN op weg was naar een nieuwe partij, een soort ‘groen-linkse’ partij, toen was meteen helder dat ze van het communisme af waren.”

Nog tijdens dit Congres, waarin de CPN formeel afstand nam van het communisme, werd door een deel van het HOC het Verbond van Communisten in Nederland (VCN) opgericht, dat vanaf november 1985 formeel een aparte politieke partij werd.

Rinze was daarbij betrokken. “Later, toen het VCN al bestond, ging de CPN met de latere fusiepartners de verkiezingen in als een verbond. Dit werd ingelijst door een campagne waarbij men gezamenlijk in Roodeschool in de trein stapte en in Groenlo aankwam en uitstapte. Veelzeggender kon het eigenlijk niet. In een radio-uitzending waar men mij vroeg hoe ik over de politieke koers van de CPN dacht, antwoordde ik: ‘Duidelijker kan het niet, de CPN heeft de rode school verlaten en is in Groenlo aangekomen.’”

Het was niet makkelijk. Het was een periode van grote ideologische verwarring, terwijl in een reeks socialistische landen de contrarevoluties zich voltrokken. Wil, die ook bij het VCN betrokken was, herinnerde zich: “Er waren betrekkelijk weinig mensen met een heel duidelijk communistisch gedachtegoed. Het was een ratjetoe van verschillende mensen en opvattingen die naar ons toekwamen.”

Een belangrijk deel van de communisten in de CPN sloot zich dus aan bij het VCN. Dat waren communisten uit verschillende CPN-afdelingen, waaronder afdelingsbestuurders, districtbestuurders, maar ook Rinze uit het Partijbestuur. Andere communisten bleven binnen de CPN actief. Het verschilde per regio, mede afhankelijk van de verhouding tussen de communisten en de zogenaamde ‘vernieuwers’ – of ‘vernielers’, zoals ze door de communisten genoemd werden – en in hoeverre men nog vertrouwen had dat het tij gekeerd kon worden.

In Oost-Groningen waren er nog veel communisten in de CPN, die zich hevig verzetten tegen de liquidatie van partij om op te gaan in GroenLinks. Eén van hen was Hans Heres, een grondwerker uit een communistisch gezin. Hij was in 1950 lid geworden van de CPN en was in de tijd van de liquidatie gemeenteraadslid in het Groningse Beerta. “In Oost-Groningen legden we ons niet neer bij het opgaan van de CPN in GroenLinks en gingen gewoon verder als CPN. Ook tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van november in 1989,” vertelde Hans. “In de nieuwe gemeente Scheemda, Nieuwolda en Midwolda weigerde de landelijke leiding van de CPN toestemming te geven voor gebruik van de lijst CPN bij de gemeenteraadsverkiezingen. GroenLinks zou daar namelijk ook meedoen.”

Op een Congres in juli 1991 besloot een meerderheid om de CPN te ontbinden. De voorstanders van deze liquidatie van de communistische partij sloten zich aan bij GroenLinks, dat recent is opgegaan in het huidige PRO.

De communistische partij opnieuw opbouwen

“In het vooruitzicht van de Provinciale Statenverkiezingen van 1991 en de wetenschap dat we de naam van de CPN niet meer mochten gebruiken, werd er besloten om met de kameraden van de lijst MMM uit Scheemda en de Horizontalen uit de stad Groningen te overleggen hoe verder te gaan”, wist Hans nog. “In 1991 werd besloten onder de naam 'Groninger Communisten' deel te nemen aan de Statenverkiezingen.”

“Verder kwam aan de orde hoe we konden bijdragen aan de oprichting van een landelijke communistische partij,” vervolgde Hans. “Aan het overleg om weer een landelijke communistische partij te vormen werd vanuit Groningen deelgenomen door de Horizontalen (zo werden de communisten die zich rond het HOC hadden verzameld genoemd – red.) uit de stad en door nog ‘bestaande’ CPN-leden uit Oost-Groningen”, vertelde Hans. Een vergelijkbaar initiatief van CPN-afdelingen en leden die de opheffing van de partij niet accepteerden bestond in Noord-Brabant onder de naam Communistisch Platform Brabant. Samen met het VCN en het HOC, waar voormalige CPN’ers uit Noord- en Zuid-Holland, Friesland, Groningen, Brabant en andere delen van het land zich hadden verzameld, werd overlegd over de oprichting van een landelijke communistische partij. Na turbulente vergaderingen werd in november 1992 de Nieuwe Communistische Partij van Nederland (NCPN) opgericht.

Organisatorisch bestond de NCPN bij de oprichting uit de leden, kaderleden en afdelingen van de CPN die – dan wel in 1985 dan wel in 1991 – besloten de communistische partij voort te zetten. De liquidatie van de historische CPN, door in 1984 het marxisme-leninisme af te zweren en in 1991 de partij op te heffen, maakte dus geen einde aan de communistische partij in Nederland. De strijd voor het socialisme werd voortgezet.

De basis voor de voortzetting van de strijd is de communistische ideologie. Dat verwoordde ook Albert Schwertmann, arbeider in een machinefabriek en raadslid van de CPN en later NCPN: “Onze doelstelling is: streven naar een communistische maatschappij. Dat de rijkdommen van de aarde tegemoet komen aan iedereen. En als de rijkdommen van de aarde worden benut voor het welzijn van de mensen, nou dan hebben we allemaal een gelukkig leven”, vertelde Albert. “In alle ontwikkelingen die er gaande zijn, is de CPN toen en de NCPN nu de enige partij die er consequent aan vast houdt. Want anderen doen altijd water bij de wijn.”


Ter nagedachtenis aan onze kameraden Albert Schwertmann (1926-2016), Wil van der Klift (1942-2025) en Hans Heres (1945-2018).

Dit artikel is samengesteld op basis van mondelinge en schriftelijke interviews van de genoemde kameraden die op verschillende momenten zijn afgenomen. De citaten zijn op sommige plekken ingekort.

Wil je een abonnement op Manifest?

Met jullie hulp garanderen we een communistische visie op de actualiteit in Nederland

Manifest is de krant van de CPN die maandelijks verschijnt. Met Manifest blijf je op de hoogte van de actualiteit en van onze acties. Manifest belicht verschillende aspecten van de strijd in binnen- en buitenland, en publiceert analyses die inzicht bieden in de nationale en internationale ontwikkelingen vanuit een marxistisch-leninistisch perspectief. Neem nu een abonnement op Manifest of vraag een gratis proefabonnement aan.

Abonneer Nu!